‘Dat al wat daartoe verhaald is rust op pure fantasie, ten deele voort is gekomen uit politiek opzet.’
Abraham Kuyper in de Tweede Kamer, 23 september 1902.

Abraham Kuyper is een van de grote figuren van Nederlands negentiende eeuw. ‘Klokkenist der kleine luyden’, eerste ‘volksman’ op het Nederlandse politieke toneel,[1] naast Van Hogendorp en Thorbecke een van de grondleggers van de moderne Nederlandse maatschappij. Aanbeden, gerespecteerd, gevreesd, verguisd. Weinigen waren zo aanwezig, weinigen ook zo omstreden.
Abraham Kuyper werd op 29 oktober 1837 in Maassluis geboren als oudste zoon van de predikant Jan Frederik Kuyper en Henriëtte Huber.[2] Zijn jeugd bracht hij door in Middelburg en Leiden in een in geestelijk opzicht gematigd milieu, dat wellicht het beste als groot-protestants kan worden omschreven. Van 1852 tot 1862 studeerde hij letteren en theologie in Leiden. Hij liep er onder meer college bij de modernistische theoloog J.H. Scholten, maar werd door hem niet diepgaand beïnvloed. In 1862 sloot hij zijn studie af met een dissertatie over de zestiende-eeuwse reformatorische theoloog Johannes à Lasco. Onder invloed van zijn verloofde Jo Schaay, met wie hij in 1863 in het huwelijk trad, en zijn ervaringen als predikant in zijn eerste standplaats Beesd (1863-1867) keerde Kuyper de moderne theologie definitief de rug toe. In 1864 trad hij in correspondentie met Guillaume Groen van Prinsterer,[3] grondlegger van de antirevolutionaire richting en destijds politiek leider van de orthodoxe protestanten. Groen zou zijn denken sterk beïnvloeden. In korte tijd ontwikkelde Kuyper zich tot een van de belangrijkste verdedigers van de calvinistische orthodoxie. In de loop van de jaren zeventig nam hij als vanzelf de fakkel van Groen over. Met meer succes dan zijn aristocratische voorganger wist de populist Kuyper, profiterend van de beweging die in de decennia lang versteend lijkende maatschappij was gekomen, de antirevolutionairen tot een factor van betekenis in de Nederlandse politiek te maken.
Kuyper ontplooide een indrukwekkende reeks activiteiten. Achtereenvolgens was hij predikant te Beesd (1863-1867), Utrecht (1867-1870) en Amsterdam (1870-1874). In 1871 werd hij hoofdredacteur van De Heraut, een kerkelijk en politiek weekblad van de ‘verontrusten’ van die dagen, waaraan hij al sinds 1869 verbonden was. Het succes van De Heraut onder Kuypers leiding was zo groot, dat op 1 april 1872, driehonderd jaar na de inname van Den Briel door de Geuzen, het weekblad werd omgezet in het antirevolutionaire dagblad De Standaard. Tot 1878 verscheen De Standaard wekelijks met een zondagsblad. Toen werd, ten einde degenen die Kuyper politiek wel maar kerkelijk niet volgden wilden tegemoet te komen, de zondagse editie van de krant losgemaakt, om als zelfstandig kerkelijk weekblad te verschijnen, opnieuw onder de naam De Heraut. Zowel De Standaard als de nieuwe Herautstonden onder hoofdredactionele leiding van Abraham Kuyper, die niet naliet zijn nadrukkelijk stempel op beide organen te drukken, zozeer zelfs dat het woord van De Standaard en De Heraut beschouwd werd en beschouwd mag worden als het woord van Kuyper.[4]
Kuyper gebruikte zijn niet geringe journalistieke kwaliteiten om zijn denkbeelden te propageren en om zijn geestverwanten aaneen te smeden tot één machtig maatschappelijk, kerkelijk en politiek blok onder zijn persoonlijke leiding. Hij wilde de gereformeerde orthodoxie ‘herstellen’. Daarnaast en daartoe streefde hij ernaar de ‘kleine luyden’ uit hun geestelijk en maatschappelijk isolement te bevrijden en te emanciperen ten opzichte van de gegoede liberale burgerij. In sociaal opzicht behoorde zijn aanhang tot de lagere middenstand die zich bedreigd voelde door het proces van maatschappelijke modernisering: ambachtslieden, vissers, de overgrote meerderheid der boeren, kleine zakenlieden en lagere ambtenaren; in religieus opzicht vormde zij de orthodoxe vleugel van de Nederlandse Hervormde Kerk. Op de fundamenten gelegd door de organisatie van het petitionnement tegen de Lager-Onderwijswet van de liberale minister J. Kappeyne van de Coppello richtte hij in 1878 de Antirevolutionaire Partij op, die hij vrijwel tot zijn dood, in 1920, zou blijven leiden. Hij was de stichter van de Vrije Universiteit (1880), waaraan hij zelf van 1880 tot 1901 hoogleraar was. Hij ging zijn volgelingen voor in de Doleantie (1886), die uitmondde, in 1892, in de vorming van de Gereformeerde Kerken in Nederland, en nam het initiatief tot de bijeenkomst van het (eerste) Christelijk Sociaal Congres (1891). Kuyper was van 1874 tot 1877, van 1894 tot 1901 en van 1908 tot 1912 lid van de Tweede, van 1913 tot 1920 lid van de Eerste Kamer. Van 1901 tot 1905 was hij minister van Binnenlandse Zaken en voorzitter van de ministerraad.
Kuypers intellectuele en polemische vermogens waren imponerend. Zijn oeuvre was zeer omvangrijk en gevarieerd;[5] het had onmiskenbaar literaire kwaliteiten. Niet ten onrechte vergeleek de spraakmakende criticus P.H. Ritter jr. het indringende, meeslepende, haast lyrische proza van de antirevolutionaire leider met dat van de roemruchte Lodewijk van Deyssel.[6] Het wereldbeeld dat Kuyper in zijn werk ontvouwde vertoonde een wezenlijke samenhang en consistentie, die verrast wanneer men zich realiseert dat het ge­groeid is in de meer dan vijftig jaar van Kuypers openbare leven.[7] Zeker, Kuypers wereldbeeld was niet ‘af’, het was een mozaïek, een wereldbeeld in de steigers, waarvan slechts de staketsels zich duidelijk aftekenden.[8] Maar dat was juist de kracht van Kuypers denken. Kuyper zag de werkelijkheid niet als een massief, onbeweeglijk geheel. Hij had oog voor de scheidingen, de tegenstellingen, de spanningen binnen de realiteit. Eenvormigheid noemde hij ‘de vloek van het moderne leven’; differentiatie en variatie zag hij als tekenen van groeiende beschaving.[9] Contrarevolutionairen als F.C. von Savigny, C.L. von Haller, J.M. de Maistre en L.G.A. de Bonald werden door Kuyper bestreden. Zelfs de opvattingen van Groens grote voorbeeld, de Duitse staatsrechtgeleerde Friedrich Julius Stahl, aanvaardde hij slechts ten dele.[10] Zijn ideologisch oriëntatiepunt was Edmund Burke, de vader van het moderne Europese conservatisme, voor Kuyper een ‘antirevolutionair in merg en been’.[11] Kuypers denken vertoont ook de trekken die kenmerkend zijn voor het conservatisme elders in Europa. Zijn maatschappijvisie was organisch en zette zich af tegen Verlichting, Revolutie en liberalisme. Hij verwierp de moderne maatschappij als atomistisch en mechanistisch, wees de almachtige, geseculariseerde staat en het beginsel van de volkssoevereiniteit af. Zijn beweging was een herstelbeweging, strevend naar het herstel van Nederland als calvinistische natie. Dat streven naar herstel maakte Kuyper, zijns ondanks, tot democraat en daarmee tot vernieuwer. Kuyper verdedigde de autonomie van alle organisch gegroeide delen van de maatschappij, van het gezin, het bedrijf, de wetenschap, de natie, de kerk: ze waren soeverein in eigen kring en mochten in die soevereiniteit noch door de staat noch door het individu worden aangetast. Het individu diende zich aan de organische verbanden waarin het leefde te onderschikken. De staat had slechts tot taak de betrekkingen tussen de verschillende verbanden te regelen. Zijn kracht zoekend in het isolement bracht Kuyper de dragers van de calvinistische traditie in Nederland, de ‘kleine luyden’, samen in gereformeerde bolwerken. Vanuit die bolwerken wees hij hun de weg naar actieve participatie in de kringen van kerk, maatschappij en staat. Daarmee zette hij de bijl aan de wortel van een halve eeuw liberale dominantie. Want het feit dat zijn aanhang behoorde tot de onderliggende maatschappelijke groepen maakte hem nu tot een voorstander van kiesrechtuitbreiding, waarbij hij overigens het ‘organische’ huismanskiesrecht prefereerde boven het ‘atomistische’ algemene kiesrecht. Het beleden doel was de kerstening van de boze en vijandige wereld. In de praktijk bracht hij het gereformeerde volksdeel in rapport met de moderne tijd. Het resultaat was het corporatistische en verzuilde bestel dat de Nederlandse maatschappij nog altijd beheerst.[12]
Kuyper was, al tijdens zijn leven, een omstreden persoonlijkheid. Nooit kon hij het politieke toneel geheel beheersen: daarvoor was de groepering wier leider hij was te klein, daarvoor vervreemdde hij in zijn gedrevenheid tevelen van zich. Maar in zijn schaduw kon niemand staan. Op zijn aanhangers oefende hij een haast magische aantrekkingskracht uit. Ook zijn tegenstanders konden niet anders dan zijn mateloze, nerveuze activiteit, zijn redenaarstalent, zijn grote inzet bewonderen. Met afkeer echter bezagen zij het theatrale in zijn optreden, de felheid van zijn agitatie, het emotionele van zijn radicalisme en de genadeloosheid waarmee hij afrekende met dissidenten in eigen kring. Te vaak maakte hij zich in hun ogen ongrijpbaar door tegenstrijdige uitlatingen, door de losse hand waarmee hij soms met feiten omging. Ook Kuypers ministerie stond, uiteraard, al tijdens zijn optreden bloot aan de nodige kritiek. Haar scherpte ontleende die kritiek aan de spontane afkeer die velen voelden van de persoon van Kuyper. De tegenstellingen rond zijn persoon vormden de inzet van de verkiezingen van 1905, die resulteerden in een nederlaag voor de Antirevolutionaire Partij en in het aftreden van het ministerie-Kuyper.
De kritiek op het ministerie-Kuyper richtte zich vooral op het uitblijven van de door Kuyper in de jaren negentig zo bepleite sociale wetgeving. Velen weten dit aan een veronderstelde wijziging van zijn opvattingen ter zake, die men ook gedemonstreerd meende te zien in het kabinetsoptreden naar aanleiding van de spoorwegstaking van 1903. De oorzaak lag echter meer in de complexiteit van de arbeidswetgeving én in de grotere belangstelling die Kuyper persoonlijk had voor onderwijskwesties.[13]
Een tweede punt van kritiek vormde het buitenlandse beleid van het ministerie-Kuyper. Het was een kritiek die tot op heden doorklinkt in de historiografie. Als minister-president bemoeide Kuyper zich veelvuldig met het buitenlands beleid, wat mogelijk was omdat de minister van Buitenlandse Zaken, R. Melvil van Lynden, ‘even zwak als onbekwaam’ was.[14] Keer op keer bleek Kuyper in staat op het terrein van zijn collega te interveniëren,[15] zonder dat deze daaruit de enige voor de hand liggende conclusie trok: aftreden.[16] Maar meer dan op die interventies richtte de kritiek zich op Kuypers buitenlandse reizen. Kuyper was van jongsaf een reislustig man. Hij reisde graag en veel. Sinds de zenuwcrisis die hem in de jaren 1876-1877 vrijwel geheel uitschakelde, verbleef hij op medisch advies jaarlijks twee aaneengesloten maanden buitenslands, ver van het werk dat hem anders in een strak dagritme volledig opslorpte. Zijn vakanties bracht hij bij voorkeur door in Engeland of Zwitserland: ‘Het wandelen onder de groote menschenmassa die zich in de straten van Londen beweegt en het bestijgen van de hooge bergen in Zwitserland, zijn de eenige dingen die mijn zenuwgestel tot rust brengen’, zo zou hij ooit verklaard hebben.[17] Op hogere leeftijd, na zijn ministerschap, bezocht hij graag Weisser Hirsch bij Dresden, voor een Regenerationskur in het sanatorium van H. Lahmann. Daarnaast maakte hij twee ‘wereldreizen’: in 1898 naar Amerika om aan de universiteit van Princeton een eredoctoraat in ontvangst te nemen en in 1905-1906 ‘om de oude wereldzee’, een reis die hem, toen al tegen de zeventig lopend, tot in Sudan en Marokko bracht. Die reislust toonde hij ook in zijn jaren als minister-president. Hij ging naar Londen, Brussel, Berlijn, Wenen en Turijn. Nadrukkelijk zocht hij daarbij de publiciteit. Omstandig liet hij zich fêteren door plaatselijke hoogwaardigheidsbekleders. Het werd in Nederland, niet gewend aan een kabinetsleider die meer wilde zijn dan voorzitter van de ministerraadsvergaderingen, met verbazing aangezien. Men vond het niet passend, nauwelijks voor een minister van Buitenlandse Zaken en helemaal niet voor de bewindsman die geacht werd verantwoordelijk te zijn voor het departement van Binnenlandse Zaken. Critici beschouwden het als een uiting van ‘grootheidswaan […] niet in overeenstemming met de waardigheid der Regeering en […] evenmin [strekkend] tot verhoging van Nederlands prestige in de vreemde’.[18] Maar dat was, althans volgens latere historici, niet alles. Zij meenden dat men in oppositionele kring, terecht, meer zocht achter Kuypers reislust. Kuyper zou hebben getracht wijziging te brengen in de traditionele Nederlandse politiek van onthouding, Nederland aansluiting willen doen vinden bij Duitsland.[19]
Er lijkt, niettegenstaande Kuypers nadrukkelijke ontkenningen[20] en het ontbreken van ieder politiek debat over juist deze kwestie tijdens de verkiezingscampagne van 1905,[21] op het eerste gezicht een en ander te zeggen voor deze verdenking. Tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 had Kuyper voor Duitsland gekozen; het was een van de weinige keren geweest dat een meningsverschil tussen Kuyper en de op Frankrijk georiënteerde Groen van Prinsterer naar buiten kwam.[22] Vervolgens zou, in oktober 1889, in De Standaard zijn gepleit voor ‘een defensieve Hollandsch-Belgische verbinding met het Drievoudig Verbond’, voor ‘eene meer actieve Buitenlandsche politiek, aanleunend aan den Duitschen kant.’[23]
Kuypers traditionele Duits-gezindheid zou hem er als minister-president toe hebben gebracht in een internationaal klimaat waarin Nederland door de zich toespitsende Engels-Duitse tegenstellingen meer en meer in het gedrang dreigde te komen, ruggensteun te zoeken bij het machtige Duitse rijk. Kuypers reizen, met name zijn bezoek aan Berlijn in maart 1902, aan Wenen en Turijn in de zomer van 1902, aan Brussel in januari 1904 en opnieuw aan Berlijn in januari 1905, werden ermee in verband gebracht. Toen begin 1904 werd gevreesd dat het onvermijdelijk lijkende Russisch-Japanse conflict in Oost-Azië zou uitlopen op een Europese oorlog en Nederland — met Denemarken en België — vanuit Berlijn informeel te verstaan kreeg dat het in dat geval binnen vierentwintig uur zijn positie zou moeten bepalen, zou door Kuyper een bondgenootschap met Duitsland nadrukkelijk zijn overwogen en in de ministerraad besproken.[24] In het najaar van 1904, toen bij het opstomen van de Russische vloot in de Indische Oceaan schending van de Nederlandse neutraliteit door Japan dreigde, zou in De Standaard in bedekte termen te verstaan zijn gegeven dat in geval van een wereldoorlog Nederlands veiligheid slechts aan Duitse zijde gevonden kon worden.[25] Alleen het optreden van koningin Wilhelmina, die zich in een nota, overigens pas van april 1905, uitsprak tegen een bondgenootschap met wie dan ook, zou Nederlandse aansluiting bij Duitsland hebben voorkomen.[26] Het nam niet weg dat men in Duitsland wist wat men aan Kuyper had: het vertrouwen, de zekerheid wellicht dat Nederland in geval van een Engels-Duits conflict Engeland als vijand zou beschouwen en actief dan wel passief steun zou verlenen aan Duitse zijde, zou Von Schlieffen gebracht hebben tot zijn strategisch plan van december 1905 dat in geval van een Europees conflict voorzag in een Duitse doortocht door Limburg.[27]
Met name die pro-Duitse oriëntatie zou Kuyper in de ogen van de liberale oppositie onmogelijk hebben gemaakt. Het zou de felheid van de verkiezingscampagne van 1905 en de confessionele verkiezingsnederlaag verklaren.[28] In 1909 verwierf rechts opnieuw een meerderheid en dreigde Kuyper als minister-president terug te keren. Het leidde ertoe dat de ‘lintjeszaak’, waarin Kuyper ervan werd beschuldigd de decoratie te hebben bevorderd van iemand die aanzienlijke bedragen in de partijkas van de Antirevolutionaire Partij had gestort, ‘a minor scandal’ dat onder normale omstandigheden in de doofpot zou zijn gestopt, werd aangegrepen om de antirevolutionaire leider definitief op politiek dood spoor te zetten.[29]
Dit beeld van een van oudsher Duitsgezinde Kuyper die in de jaren van zijn ministerpresidentschap zou hebben getracht Nederland aansluiting te doen vinden bij Duitsland, werd in de historiografie gecreëerd door twee auteurs: door J.A. van Hamel in zijn Nederland tusschen de mogendheden uit 1918 en door A.S. de Leeuw in zijn Nederland in de wereldpolitiek uit 1936. Beide boeken waren studies met een uitgesproken politieke boodschap. Gegeven de achtergronden van de beide auteurs verbaast dat niet. Van Hamel was jurist, van 1910 tot 1917 hoogleraar strafrecht aan de Amsterdamse Gemeentelijke Universiteit, maar daarnaast journalist — hij was, van 1914 tot 1917, hoofdredacteur van De Amsterdammer en in 1918-1919 correspondent voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant in Parijs — en politicus: van april 1917 tot juli 1918 had hij voor de Liberale Unie zitting in de Tweede Kamer. De Leeuws achtergrond was vergelijkbaar. Ook hij, advocaat, was vooral bekend als journalist en politicus. Hij was jarenlang hoofdredacteur van het communistische Volksdagblad en lid van het bestuur van de Communistische Partij Holland; hij was daar de tegenvoeter bij uitstek van voorzitter Paul de Groot. In zijn Nederland tusschen de mogendheden trachtte Van Hamel aan te tonen dat de Nederlandse buitenlandse politiek sinds de zestiende eeuw gebaseerd was geweest op grondregels die hun geldigheid sindsdien niet hadden verloren. Van Hamel beschouwde Engeland als de ‘natuurlijke steun’ voor Nederlands zelfstandigheid tegen de dreigende overheersing van een dominerende continentale mogendheid, tegen eerst Spanje, later Frankrijk en nu Duitsland.[30] Zoals Pieter Geyl, die het met Van Hamels stelling uiteraard hartgrondig oneens was, in zijn bespreking van Nederland tusschen de mogendheden in De Gids constateerde: ‘Dit boek is een […] hevig en hartstochtelijk betoog […], waarin de feiten niet om hunzelfs wil worden medegedeeld, maar om de beteekenis die zij hebben ter adstructie van des schrijvers stellingen.’[31] Zo ook wilde De Leeuw met zijn Nederland in de wereldpolitiek een hoger doel dienen: het moest Nederland doordringen van het Duitse gevaar, de Nederlandse regering duidelijk maken dat haar politiek gericht moest zijn op versterking van de vredeskrachten in de wereld.[32]
In hun engagement creëerden Van Hamel en De Leeuw een in veel opzichten gewrongen beeld van de Nederlandse buitenlandse politiek en van de rol van Kuyper daarin. Geyl wees erop in het geval van Van Hamel: ‘Zijn boek staat vol met aanhalingen, met bizonder veel flair gekozen, aanhalingen, die zijn betoog voortdurend op de meest treffende wijze illustreeren […]. Maar zij zijn haast nooit getoetst of tot in haar oorsprongen nagezocht; de betrekkelijkheid ervan wordt nooit aangewezen; de schrijver is ermee tevree, omdat zij passen in zijn kader.’[33] Japikse noemde in de Nieuwe Rotterdamsche Courant de door De Leeuw gegeven reconstructie van Kuypers buitenlands beleid een ‘van vindingrijkheid getuigende combinatie’, maar ook ‘ een louter fantastische constructie, die in historiografie in de goede zin van het woord niet past.’[34] Deze kritische kanttekeningen hebben latere historici echter niet verhinderd de boeken van Van Hamel en De Leeuw de status van handboek te verlenen, waarnaar kritiekloos werd verwezen. Wellicht speelde daarbij een rol dat in de naoorlogse periode serieuze studies over de Nederlandse buitenlandse politiek lange tijd ontbraken en de boeken van Van Hamel en De Leeuw beantwoordden aan een in brede kring gevoeld anti-Duits sentiment.
De verschijning van Gerhard Ritters Der Schlieffenplan. Kritik eines Mythos in 1956 maakte de onhoudbaarheid duidelijk van De Leeuws stelling dat Kuyper verantwoordelijk was voor de versie van het Schlieffenplan van december 1905 — toen Kuyper overigens al geen regeringsleider meer was, een omstandigheid waaraan De Leeuw gemakshalve voorbij gaat — waarin werd voorzien in een Duitse doortocht over Nederlands gebied. Von Schlieffen was op uitsluitend militair-technische gronden tot de conclusie gekomen dat Duitsland in geval van een Europees conflict de neutraliteit van zowel België als Nederland zou moeten schenden.[35] De uitgave van de Nederlandse diplomatieke bescheiden over de jaren 1899-1918 door C. Smit, die kort na de verschijning van Ritters studie op gang kwam en in 1968 werd afgesloten, bracht een verdere aantasting van het door Van Hamel en De Leeuw gecreëerde beeld: niet alleen moest Smit constateren dat Kuyper nimmer een bondgenootschap met Duitsland had gezocht, maar bovendien bleek dat buitenlandse diplomaten in Den Haag speculaties over Kuypers gezindheid nooit serieus hadden genomen.[36] Het was noch voor Smit noch voor andere historici aanleiding de vooronderstellingen en beweringen van Van Hamel en De Leeuw nader te onderzoeken. Integendeel, varend op beider inmiddels onbetrouwbaar gebleken kompas, bleven Smit en anderen na hem volhouden dat ‘Kuyper altijd een vriend is geweest van Duitsland’ en daardoor in Berlijn de overtuiging vestigde dat de Nederlandse politiek gericht zou zijn geweest op het zoeken van ruggensteun bij het machtige Duitse rijk.[37] Typerend is met name het oordeel van Kossmann: al moet ook hij toegeven dat de hypotheses van De Leeuw ‘bepaald niet alle bevestiging [vinden] in de documenten sindsdien gepubliceerd’, toch acht hij het boek van De Leeuw ‘briljant’, ‘de beste poging om Kuypers buitenlandse politiek te analyseren’.[38] Het wordt tijd die briljante analyse daadwerkelijk aan de bronnen te toetsen.

Kuyper en Engeland

Van jongsaf was Kuyper een bewonderaar van Engeland geweest. Zijn ideologisch voorbeeld was Edmund Burke. [39] Het onderzoek naar de geschriften van A Lasco had hem, toen nog predikant in Beesd, voor het eerst naar Londen gevoerd. Nadien bezocht hij Engeland bijna jaarlijks.[40] Kuyper voelde zich aangetrokken door de Engelse levenstoon.[41] Nog in 1900 schreef hij, dat, was hij geen Nederlander, hij Engelsman zou willen zijn.[42]Kuypers bewondering voor Engeland was echter niet onvoorwaardelijk. Hij verafschuwde Disraeli. Toen deze in april 1881 overleed, gaf De Standaard toe dat ‘een zeldzaam en eenig man’ was heengegaan, maar onmiddellijk voegde het blad daaraan toe: ‘en ‘t is gelukkig dat hij zulks was. Want het weinigje rust en vrede, dat nog in de wereld is, zou, dunkt ons, geheel zoek raken, als zijns gelijke vele waren.’[43] Kuypers afkeer van Disraeli was ten dele een afkeer van de Engelse staatsman als persoon: zijn naar dandyisme neigende ijdelheid, zijn scepticisme en cynisme en, mirabile dictu, zijn liefde voor het theatrale stonden Kuyper tegen.[44] Wezenlijker echter was Kuypers weerzin tegen Disraeli’s politiek, en dan niet in de eerste plaats tegen zijn binnenlandse politiek, hoewel ‘die allerellendigst was’, maar tegen zijn buitenlands beleid, ‘zijn avontuurlijk spelen met land en luiden in drie werelddeelen tegelijk’. [45] Voor Kuyper was Disraeli, naast Napoleon III en Bismarck, de verpersoonlijking van een ‘onzedelijke, in-zelfzuchtige en onedele staatkunde’,[46] die geen acht sloeg op plechtig gesloten verdragen en historische rechten, die uitging van de theorie ‘dat een katoenbaal meer waard is dan manneneer en een wingewest beter dan de vreeze Gods’.[47] Het was een egoïstische, ‘conservatief-revolutionaire’ staatkunde, waarmee Disraeli, in het voetspoor van Palmerston, verraad pleegde aan de antirevolutionaire traditie van Burke en Pitt.[48] Kuyper zag deze staatkunde vooral gemanifesteerd in Disraeli’s beleid in de Oosterse kwestie, waarbij niet de plicht om de islamitische Turk uit het christelijk Europa te verdrijven, niet het recht van de onderdrukte christenvolken op de Balkan en in Klein-Azië voorop stond, maar het streven de verovering van Constantinopel door de Russen te voorkomen en het Europese machtsevenwicht te bewaren.[49] Evenzo veroordeelde hij de Engelse politiek in Afghanistan en Zuid-Afrika.[50]Kuyper identificeerde zich met de Engelse liberalen, die voor hem anders dan de liberalen in Nederland geen aanhangers van de beginselen van Verlichting en Revolutie, maar dragers van de Whig-traditie waren: protestanten en verdedigers van de rechten van het parlement tegen een absoluut staatsgezag. Onder hen vond hij zijn werkelijke geestverwanten in de dissenters of nonconformisten, de protestanten die niet behoorden tot de Anglicaanse staatskerk. Het was ‘het soort lieden, dat hier te lande de antirevolutionaire partij uitmaakt, d.w.z. die stille, nijvere burgerij, die men voor fijnen scheldt, omdat ze aan God en zijn Woord met onverzettelijke taaiheid vasthouden, en niet voor een kerkvorm, maar voor het Koninkrijk van Jezus strijden.’[51] De nonconformisten vormden, zeker na de Reform Acts van 1832 en 1867, de kern van het liberale kiezersvolk. Zij waren vanouds de liberale beginselen toegedaan: bij de liberalen vonden zij gehoor voor hun eisen van religieuze vrijheid en sociale en politieke gelijkberechtiging,[52] met de liberalen deelden zij het geloof in vrijhandel, sociale hervorming en een terughoudende buitenlandse politiek. Groot vertrouwen hadden zij in de politieke leider van de liberalen, William Ewart Gladstone. Weliswaar was Gladstone een in veel opzichten conservatieve high churchman, een steile anglicaan, voor wie de nonconformisten ketters en scheurmakers waren, maar zijn overtuiging dat de Anglicaanse kerk bevrijd moest worden van het staatsjuk om haar ware missionaire taak te kunnen vervullen, maakte hem tot bondgenoot van de nonconformisten: Gladstone was van oordeel dat religie geen overheidszaak was, dat de politiek zich slechts ten doel mocht stellen de vrijheid van de verschillende kerken te waarborgen en dat de staat zich afzijdig moest houden van het bestuur van de kerk. Daarenboven dwong Gladstones religiositeit bij de nonconformisten respect af. Dat respect verkeerde in grenzeloze bewondering, verering haast, toen Gladstone zich tijdens zijn Midlothian verkiezingscampagne van 1879 met groot oratorisch geweld keerde tegen Disraeli’s theatraal en jingoïstisch buitenlands beleid en pleitte voor Europese dwangmaatregelen om vrijheid voor de christenen in het Turkse rijk af te dwingen.[53]Die bewondering voor Gladstone voelde ook Kuyper. ‘Ik voelde telkens opnieuw’, zo getuigde hij vele jaren later, ‘hoe ik, als Engelsch burger, Gladstoniaan zou zijn, en hoe omgekeerd Gladstone, ware zijn levenslot op onze erve gevallen, ongetwijfeld Groeniaan zou zijn geweest.’[54] Gladstone was een ‘Christen-staatsman’, een van de weinige Europese politici die zich door ‘hoogere beginselen’ lieten leiden.[55]
Kuypers sympathie voor Engeland werd in de jaren tachtig en negentig echter ernstig op de proef gesteld. In Whitehall regeerden overwegend conservatieve regeringen, die een actieve buitenlandse politiek voerden. Ook de door Gladstone geleide kabinetten bleken niet vrij van Greater Britain-smetten. Hetzelfde sentiment dat Kuyper in Nederland maakte tot pleitbezorger van een ethische koloniale politiek, bracht zijn nonconformistische geestverwanten in Engeland tot de aanvaarding van het imperialistisch streven. Engeland had, zo meenden zij in hun raciaal gefundeerd en religieus getoonzet nationalisme, een missie in de wereld te vervullen.[56]
Kuyper zag het, maar begreep het niet. Hij hoopte op een zuiverende protestantse reactie en verweet Gladstone dat hij zijn partij niet op confessionele grondslag had gevestigd:

‘Hij had als christen de banier der christelijke beginselen op het terrein van de staatkunde moeten plaatsen. Waarschijnlijk was dan zijn partij bij den aanvang zeer klein geweest. Veel liberalen zouden hem verlaten hebben. En zeker had hij een lijdensweg als Groen moeten afleggen.’
‘Maar op den langen duur zou hij in een land als Engeland, waar de positieve godsdienst zoovele voorstanders heeft, met zegen gearbeid hebben.’[57]

Nu Gladstone echter zijn religieuze orthodoxie als een persoonlijke zaak beschouwde en buiten het terrein van de politiek sloot, kregen na zijn dood de radicale elementen binnen de liberale partij vrij spel, met als gevolg dat de Engelse liberalen het goede spoor volstrekt bijster raakten.[58]
In Kuypers waarneming vormde de dood van Gladstone in 1898 een belangrijk moment in de ontwikkeling van zijn waardering voor Engeland. Het proces van vervreemding was toen echter al ver voortgeschreden en een breuk zelfs al onvermijdelijk geworden. Die breuk kwam kort na Gladstones dood met het uitbreken van de Tweede Boerenoorlog: het Engeland dat zich vergreep aan twee kleine, zelfstandige naties, twee naties nota bene van Nederlandse stam, was niet langer het Engeland dat Kuyper meende te kennen en zo lang had bewonderd. Zijn bezoek aan Londen in januari 1902, ten tijde van zijn bemiddelingspoging tussen de Engelse regering en de Zuid-Afrikaanse republieken, was zijn laatste aan Engeland.[59] De ‘onheilige alliantie’ die Engeland nog datzelfde jaar sloot met Japan kon de gegroeide afkeer slechts vergroten.[60] De internationale crises bij het uitbreken van en later tijdens de Russisch-Japanse oorlog, toen Nederland nauwelijks in staat bleek op eigen kracht zijn neutraliteit te handhaven, maakte duidelijk hoe precair de Nederlandse positie was. Oude noties over Engeland als erfvijand gingen nu de boventoon voeren. Met Engeland had Nederland in het verleden vier oorlogen gevoerd. Engeland had Nederland verdrongen als wereldmacht. Het had zich na de Napoleontische tijd meester gemaakt van grote delen van het Nederlands koloniaal imperium. En nu opnieuw leek het te spelen met de Nederlandse belangen, ja met de Nederlandse natie zelf. Gegeven het Europese krachtenveld van de vroege twintigste eeuw, waarin het jonge Duitsland zich steeds nadrukkelijker aanbood als de continentale tegenvoeter van Engeland, leidde het ertoe dat Kuyper, dat Nederland zich meer dan voorheen op Duitsland ging oriënteren.

Kuyper en Duitsland

Kuyper had zich, heel in het begin van zijn journalistieke carrière, bewonderend uitgelaten over Duitsland. Als jong hoofdredacteur van De Heraut had hij in 1871, tijdens de Frans-Duitse oorlog, partij voor Pruisen gekozen. Zoals de meeste antirevolutionairen van die dagen, maar anders dan Groen, geloofde Kuyper in het protestantse karakter van Duitsland. Pruisen zag en vierde hij als Gods instrument om af te rekenen met de Franse, dat wilde zeggen revolutionaire, beginselen in Europa.
Maar al snel werd Kuyper duidelijk dat hij zich vergist had. Als reactie op de door Bismarck ontketende Kulturkampf en wellicht beïnvloed door lezing van Chantepie de la Saussayes Het protestantisme als politiek beginselkwam Kuyper tot de conclusie dat het Pruisische lutheranisme anders dan het calvinisme geen democratisch-constitutionele inslag had.[61] Otto van Bismarck en zijn politiek kwamen in De Standaard onder scherpe kritiek van Kuyper te staan. Sinds Bismarck aan het roer stond, zo betoogde Kuyper nu, had Pruisen zijn ‘christelijk stempel’ verloren, had ‘de rijke, veelzijdige, in leven en verleden gebaseerde en dus organische inrichting’ van de Pruisische maatschappij plaats moeten maken voor ‘een meer centraliseerend staatsbestuur, naar uitheemschen leest gemodelleerd’.[62] De door Bismarck gevoerde politiek ter realisering van de Duitse eenwording werd door Kuyper veroordeeld als een waarin ‘macht boven recht’ ging, strijdig met de beginselen van het volkenrecht.[63] Weliswaar onderkende Kuyper dat Bismarcks buitenlandse beleid er na 1871 op gericht was de vrede in Europa te bewaren,[64] maar zijn vertrouwen in de duurzaamheid van de Duitse alliantie-politiek was niet groot. Onvermijdelijk, zo meende hij, leidde zij ‘tot toestanden, zoo ingewikkeld, dat vroeg of laat een ontzettende uitbarsting van wat lang tot schijnsluimer was gedwongen, volgen kan, en dan vae victis’.[65] Bijzonder treffend was Kuyper commentaar bij het overlijden van Bismarck in 1898:

‘Aantrekkelijk was Von Bismarck’s figuur niet; ze imponeerde […]
Dit ontneemt uiteraard niets aan de hooge waardeering, die Von Bismarck’s ongeëvenaarde diplomatieke schranderheid, onvergelijkelijke wilskracht, en door niets te stuiten doorzettingstaaiheid, zelfs aan zijn beslisten tegenstander afdwong.
Zelfs gaan we, van ons standpunt, verder, en erkennen volmondig, dat ook Von Bismarck een instrument in Gods hand is geweest, om over veel verzondigde toestanden Zijn oordeel te brengen, en nieuwe wegen voor de toekomst der volkeren te ontsluiten.
Eerst van Von Bismarck ontving Duitschland den stoot voor zijn jongsten ontwikkeling; en die ontwikkeling van Duitschlands macht, zoo op politiek als sociaal gebied, bleek voor Europa in menig opzicht ten zegen.’
‘Maar vraagt men, of de vastigheden van zedelijkheid en recht gewonnen of verloren hebben, dan durft nu reeds niemand meer voor winste pleiten.
En al erkennen we voetstoots, dat ook deze niet zeldzame, maar geheel eenige man, Gods raad gediend heeft, toch blijft er ook na het sterven een persoonlijke verantwoordelijkheid.
En daarop ziende, staren we Von Bismarck in zijn heengaan niet zonder huivering na […].’[66]

Evenmin als Bismarck kon Wilhelm II aanvankelijk op Kuypers onverdeelde sympathie rekenen: hij was autoritair, liet zijn persoonlijkheid te sterk doorklinken in het gevoerde beleid en had een allesbehalve moderne opvatting van zijn taak als vorst.[67] Zijn politieke visie miste iedere vaste lijn.[68]
Pas na 1900 kwam er een kentering in Kuypers positie ten opzichte van Duitsland. Daarbij moet in het oog worden gehouden dat Duitsland in de loop van de negentiende eeuw een steeds groter gewicht had gekregen. Aanvankelijk verdeeld en, hoewel economisch nauwelijks en cultureel in het geheel niet de mindere van Nederland, object van impliciete Nederlandse verachting, had Duitsland zich ontwikkeld tot de machtigste mogendheid op het Europese vasteland, dé antagonist van Engeland dat traditioneel werd geacht de onafhankelijkheid van Nederland en zijn koloniaal imperium te waarborgen.[69] Lange tijd was in Nederland, aangeslagen door de afscheiding van België, gevreesd dat de Nederlandse onafhankelijkheid in het proces van Duitse eenwording te loor zou gaan.[70]Die angst was ook in de jaren tachtig en negentig nooit geheel verdwenen. Met zorg zag Kuyper in Duitsland de mening veld winnen ‘dat Nederland zijn historische taak vervuld heeft; dat zijn rol is afgespeeld; dat het geen reden van zelfstandig bestaan meer heeft, en dat het de natuurlijke aanslibbing van de Duitsche rivieren, een stuk gronds is, dat van nature bij Duitschland hoort, en dan ook bij Duitschland behoort te worden ingelijfd.’[71] Tegelijkertijd werd maar al te zeer beseft dat Nederland in ieder geval economisch steeds nauwer verbonden raakte met het Duitse keizerrijk. In de werelden van onderwijs en wetenschap, techniek en cultuur zocht Nederland aansluiting bij de succesvolle Duitse voorbeelden. In politiek opzicht bleek het steeds moeilijker het evenwicht te bewaren tussen Duitsland en Engeland, beide voor Nederland onmisbare buren maar in steeds sterkere mate elkaars uitgesproken tegenvoeters. Al in 1900 moest minister van Buitenlandse Zaken De Beaufort geruchten ontkennen over Nederlandse aansluiting bij Duitsland.[72] Kuyper, later door die De Beaufort zelf beschuldigd van een onverantwoordelijke pro-Duitse oriëntatie, verweet in 1901 De Beaufort van zijn kant een ‘in het oog loopend overhellen naar Duitschland’.[73]
Kuyper is nooit voorstander geweest van een Nederlandse politieke of militaire aansluiting bij Duitsland. Hij vreesde ‘verduitsching’ van de Nederlandse samenleving, waarschuwde tegen de zijns inziens typisch Duitse ‘zucht om heel de volheid des menschelijke levens met wetsparagrafen te regelen’, legde het accent op het verschil in karakter tussen het calvinistische Nederlandse en het lutherse Duitse volk en wees op de veel grotere verwantschap van Nederland met Engeland en Amerika.[74] Vanuit zijn calvinistische nationaal besef, dat werd gedragen door de overtuiging dat Nederland in de wereld een missie had te vervullen, was Kuyper een krachtig pleitbezorger voor een actieve Nederlandse zelfstandigheidspolitiek, de sinds 1879 in Ons Program bepleite ‘politiek van alliantie’.[75] Toen de oud-officier Henry Tindal in 1889 een discussie op gang bracht over de Nederlandse defensiepolitiek,[76]concludeerde Kuyper, na een zorgvuldige verkenning van de diverse opties die voor Nederland openstonden, uiteindelijk met nadruk dat uitgangspunt moest zijn ‘om bij schending der grenzen terstond bondgenoot te worden van den vijand van hem die onze grenzen schond’.[77] Kuypers standpunt veranderde nadien niet.
Het nam niet weg dat Kuyper na 1900 het gevaar voor Nederland niet meer in de eerste plaats van Duitse zijde zag komen. Engeland had met zijn optreden in Zuid-Afrika in zijn ogen iedere geloofwaardigheid als beschermer van de kleine Europese mogendheden verloren. Het Engelse verbond met Japan deed Kuyper met name voor Nederlands Indië vrezen.[78] Dat bracht Kuyper tot zijn oriëntatie op Duitsland. Het leidde in de spannende eerste weken van de Russisch-Japanse oorlog tot koortsachtig overleg in Den Haag.[79] Als Kuyper toen al overwogen heeft dat Nederlands veiligheid ‘in een wereld-conflict tenslotte aan den Duitschen kant te zoeken is’,[80] dan heeft dat niet lang geduurd. Toen Kuyper in januari 1905 in Berlijn de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Von Richthofen bezocht, was hij er van overtuigd dat Duitslands internationale positie door de totstandkoming van de Entente Cordiale tussen Engeland en Frankrijk ernstig was geschaad: Duitsland was het centrum geworden ‘van een groep minder beteekenende mogendheden’.[81]
Waar Kuyper wel over dacht was over vormen van politieke en militaire samenwerking met België.[82] Daarover voerde hij in Brussel besprekingen met koning Leopold II en verschillende Belgische politici, begin 1905 als minister, later, in 1907 en 1908, als particulier persoon. Zijn toeleg was daarbij ‘om door het federatief verbinden van Nederland en België ons in politieken en militairen zin tot een geheel zelfstandig optreden in staat te stellen, zoowel tegenover onze buren aan de Ooster- als aan de Westerzijde volstrekt vrij te staan, en door het alzoo innemen van een krachtige en volstrekt onafhankelijke positie alle uitbreken van oorlog tusschen de buren rechts en links te voorkomen.’[83]
Ook tijdens de Eerste Wereldoorlog bleef de inmiddels hoogbejaarde Kuyper een krachtig verdediger van de Nederlandse zelfstandigheidspolitiek. Zijn sympathie lag toen bij Duitsland, onverholen maar niet onverkort. Hij verdedigde de Duitse inval in België, sprak bij herhaling zijn waardering uit voor de Duitse keizer, onderhield nauwe persoonlijke betrekkingen met de Duitse gezanten in Den Haag, Von Kühlmann en Rosen, en bleef tot het bittere einde hopen en vertrouwen op een Duitse overwinning.[84] Duidelijk moest echter zijn, zo betoogde hij met nadruk, dat ‘we naar geestesrichting ons van de Duitsche Vermittelungstheologie, van de Philosophische luchtspelen en van de Pan-Germaansche begeerlijkheden, met hartgrondige antipathie, zoo voor als na, blijven afkeeren, om steeds stand te houden op de Calvinistische lijn, die over Schotland naar Amerika loopt.’ Maar dat kon niet leiden tot een partijkeuze voor Engeland. ‘Wat voor ons, Calvinisten […] vast moet staan, is’, zo verklaarde hij zijn pro-Duitse sympathieën,

‘dat we […] vóór alle dingen met de dreigende gevolgen van dezen wereldkrijg hebben te rekenen. En dat we, in dit verband, niet kunnen noch mogen wenschen, dat in Midden-Europa de vroegere jammer en ellende door vernietiging van Duitschland zal terugkeeren. En dat we derhalve op onze hoede hebben te zijn, volstrekt niet alleen tegen een overbegeerig Pan-Germanisme, maar veel meer, en veel beslister nog, tegen de zelfzucht van een wereldrijk, dat nu weer Egypte, Soedan, Cyprus en Duitsch-Afrika in bezit nam. En niet minder van de Slavische macht[…].’

Voor het Nederlands buitenlands beleid mocht dat echter geen consequenties hebben: ‘waar bij een wereldkrijg, gelijk thans, geen hooger beginsel noch principieel belang in ‘t spel is, [kunnen we] ons geen partij […] stellen, doch [hebben we] neutraal […] te blijven.’[85]

Kuyper en Zuid-Afrika

Het traditionele beeld van een ‘van oudsher Duitsgezinde’ Kuyper is dus een historische mythe. Kuyper was een uitgesproken Anglofiel. In de loop van de jaren tachtig en negentig kwam zijn liefde voor Engeland, de Engelsen en de Engelse cultuur echter steeds vaker in botsing met zijn afkeer van de door hem als expansief en imperialistisch veroordeelde Engelse buitenlandse politiek. Het was de oorzaak van een langzaam verlopend proces van vervreemding. De onderwerping van de Boerenrepublieken in de jaren 1899-1902 leidde ten slotte tot Kuypers definitieve politieke breuk met Engeland. Gegeven de groeiende Nederlandse afhankelijkheid van Duitsland en het internationale klimaat waarin Engeland en Duitsland steeds duidelijker elkaars tegenpolen werden, was zijn uitgesproken oriëntatie op Duitsland nadien slechts een logisch vervolg op die breuk. Nooit echter werd Kuyper pleitbezorger voor een Nederlandse economische, militaire of politieke aansluiting bij het keizerrijk. Beschuldigingen en geruchten dienaangaande missen iedere grond. In diplomatieke kringen werden ze ook nauwelijks au sérieuxgenomen.[86] Al met al valt moeilijk anders te concluderen dan dat ze hun oorsprong vonden in politiek opportunisme, dat overigens een vruchtbare voedingsbodem had in de door de internationale pers regelmatig aangezwengelde discussie over Nederlands internationale positie en in Kuypers uitgesproken afwijzende houding jegens Engeland ten tijde van de Tweede Boerenoorlog en zijn demonstratieve wending naar Duitsland daarna.
Als hoofdredacteur van De Standaard heeft Kuyper als enige vooraanstaande Nederlandse politicus de internationale ontwikkelingen van zijn tijd nauwgezet gevolgd en becommentarieerd. Hij was de auteur van vrijwel alle hoofdredactionele commentaren, alle driestarren en, in dit verband belangrijk, alle internationale jaaroverzichten in De Standaard.[87] Over geen internationale kwestie schreef hij daarbij zoveel als over de Zuid-Afrikaanse. In de dagelijkse berichtgeving werden de gebeurtenissen in en om Zuid-Afrika op de voet gevolgd. Van februari tot en met april 1881 kende de krant zelfs een aparte dagelijkse rubriek ‘Transvaal’ naast de rubrieken ‘Binnenland’ en ‘Buitenland’. Kuypers aandacht voor Zuid-Afrika omspant ook het grootste deel van zijn actieve leven: ze kwam op gang in de tweede helft van de jaren zeventig, bereikte hoogtepunten in 1877, 1881-1884 en 1899-1902, maar was er ook in de tussenliggende perioden en nadien. Alleen al de grote aandacht voor Zuid-Afrika en de wezenlijke betekenis van de Tweede Boerenoorlog voor Kuypers positiebepaling ten opzichte van Engeland maken Kuypers opvattingen over en bemoeienissen met de zak van de Boeren tot een, voor Kuypers biografie, belangwekkend object van onderzoek. Tegelijkertijd biedt de analyse van Kuypers opvattingen en bemoeienissen ter zake de aanknopingspunten voor een reconstructie van de overwegingen die zijn visie op de internationale ontwikkelingen van zijn tijd bepaalden. Maar eerst moet het decor worden verkend: de gebeurtenissen in Zuid-Afrika zelf die Kuyper bewogen tot zijn daarna te beschrijven ‘mots et gestes’.

[1] J. Romein, ‘Abraham Kuyper, de klokkenist der kleine luyden’ in: J. en A. Romein, Erflaters van onze beschaving (4 bnd. Amsterdam 1938-1940) 748-760.

[2] De beste volledige Kuyper-biografie is nog altijd P. Kasteel, Abraham Kuyper. Kampen 1938. G. Puchinger werkt aan nieuwe biografie, waarvan inmiddels één deel verscheen: De jonge Kuyper (1837-1867). Franeker 1987. Relevante aanvullende informatie is te vinden in: G. Puchinger en N. Scheps, Gesprek over de onbekende Kuyper. Kampen 1971; J. Stellingwerf, Dr. Abraham Kuyper en de Vrije Universiteit.Kampen 1987; C. Augustijn, J.H. Prins, H.E.S. Woldring (red.), Abraham Kuyper. Zijn volksdeel, zijn invloed. Delft 1987.

[3] Die briefwisseling is uitgegeven als Briefwisse­ling van mr. G. Groen van Prinsterer met dr. A. Kuyper 1864-1876. Ed. A. Goslinga. Kampen 1937.

[4] Cf. H. Lebbink, ‘Kuyper en de dagbladpers’. Antirevolutionaire Staatkunde. Maandelijks orgaan van de dr. Abraham Kuyperstichting ter bevordering van de studie der antirevolutionaire beginselen XLI (1971) 396-407; J. Prast, ‘Kuyper de afwezige hoofdredacteur. De mannen achter De Standaard bleven onderbelicht’. VU-Magazine XIV (1985) 308-313; J.A.J. Prast, ‘Bliksemstralen uit Jeruzalem. Abraham Kuyper en de mannen achter De Standaard’. Documentatieblad voor de Nederlandse kerkgeschiedenis na 1800 XII (1989) nr. 31, 35-40.

[5] Kuypers bibliografie omvat drie delen: J.C. Rullmann (ed.), Kuyper-Bibliografie. 3 dln. ‘s-Gravenhage 1923-1929. Daarin is zijn journalistieke werk, voor zover het niet is gebundeld, niet geïnventariseerd.

[6] De Markies onzer letteren. De briefwisseling Dr. P.H.Ritter jr. — Lodewijk van Deyssel (1902-1951). Ed. J.J. van Herpen (Utrecht 1988) 101.

[7] Zie voor Kuypers maatschappijbeeld, behalve Augustijn e.a., ook J. van Weringh, Het maatschappijbeeld van Abraham Kuyper. Assen 1967.

[8] E.H. Kossmann, ‘De groei van de anti-revolutionaire partij’ in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden XI (Zeist/Antwerpen/Brussel/Gent/Leuven 1956) 2.

[9] A. Kuyper, Eenvormigheid, de vloek van het moderne leven. Amsterdam 1869.

[10] G. Fafié, Friedrich Julius Stahl. Invloeden van zijn leven en werken in Nederland 1847-1880 (Rotterdam 1975) 177-185.

[11] A. Kuyper, Het Calvinisme, oorsprong en waarborg onzer constitutioneele vrijheden. Een Nederlandsche gedachte (Amsterdam 1874) 64.

[12] Cf. Kossmann 1956; H.W. von der Dunk, ‘Conser­vatisme in vooroorlogs Nederland’ in: C.B. Wels e.a. (red.), Vaderlands Verleden in Veelvoud. Opstellen over de Nederlandse geschiedenis na 1500 (2 dln. Den Haag 1980) II, 253-276, m.n. 263-265; J.C. Boogman, ‘Kanttekeningen bij het verschijnsel conservatisme, in het bijzonder in Nederland’ in: J.C. Boogman, Van spel en spelers. Verspreide opstellen(‘s-Gravenhage 1982) 29-50.

[13] Tijdens de kabinetsformatie van 1901 was het aanvankelijk Kuypers bedoeling onderwijs los te maken uit de portefeuille van de minister van Binnenlandse Zaken. Kuyper wilde dan zelf minister van Onderwijs worden. Pas toen geen geschikte kandidaat voor Binnenlandse Zaken kon worden gevonden, besloot Kuyper dit departement zelf voor zijn rekening te nemen. De gedachte aan een zelfstandig departement van Onderwijs liet hij toen varen. Cf. Kabinetsformatie 1901. Archief Kuyper LcP1.

[14] A.S. de Leeuw, Nederland in de wereldpolitiek. Van 1900 tot heden (Zeist 1936) 45; C. Smit, De buitenlandse politiek van Nederland (2 dln. ‘s-Gravenhage 1945) II, 162.

[15] Genoemd kunnen worden: Kuypers bemiddelingspoging, eind 1901-begin 1902, tussen Engeland en de Zuid-Afrikaanse Boerenrepublieken, die sinds 1899 met elkaar in oorlog waren, cf. hieronder ***-***; Kuypers ingrijpen, in december 1902, tijdens de Engels-Duits-Italiaanse vlootactie tegen Venezuela ter verhindering van een Nederlandse neutraliteitsproclamatie, cf. C. Smit, Nederland in de Eerste Wereldoorlog (1899-1919) (3 dln. Groningen 1971-1973) I, 209-210; de totstandkoming van de beslissing van de Nederlandse regering, in december 1902, om de door Frankrijk begeerde kabelovereenkomst niet aan te gaan, tenzij de Franse regering in zou stemmen met de door Nederland verlangde algemene arbitrage-overeenkomst, cf. Smit 1971-1973 I, 43-44, 164; Kuypers persoonlijke onderhandelingen met de Russische tijdelijk zaakgelastigde in Den Haag Brevern de la Gardie, in januari 1905, over de terugneming van een Nederlands-Russische notawisseling, cf. Smit 1971-1973 I, 89-90. Cf. J. Fokkema, ‘De buitenlandse politiek van Kuyper of Kuyper en de buitenlandse politiek’. Antirevolutionaire Staatkunde. Maan­delijks orgaan van de dr. Abraham Kuyperstichting ter bevordering van de studie der antirevolutio­naire beginselen XLII (1972) 289-300.

[16] Begin 1904, toen de verslechtering van de interna­tionale situatie na het uitbreken van de Russisch-Japanse oorlog het optreden van een krachtige minister van Buitenlandse Zaken wenselijk maakte, deed Kuyper een vergeefse poging Melvil van Lynden tot aftreden te dwingen. Pas nadat de ministerraad op 30 december 1904 de facto het vertrouwen in Melvil van Lynden opzegde, kwam deze tot de conclusie dat hij moest heengaan. Zelfs toen had hij nog twee maanden nodig om tot zijn besluit te komen. Cf. Smit 1971-1973 I, 165; Bescheiden betreffende de buitenlandse politiek van Nederland 1840-1919. Derde periode 1899-1919. Ed. C. Smit. (8 dln.; ‘s-Gravenhage 1957-1974) II, no.’s 317, 377.

[17] J.C. Rullmann, Abraham Kuyper. Een levensschets (Kampen 1928) 97.

[18] J.A.A.H. de Beaufort, Vijftig jaren uit onze geschiedenis (2 dln. Amsterdam 1928) II, 4.

[19] J.A. van Hamel, Nederland tusschen de mogendheden. De hoofdtrekken van het buitenlandsch beleid en de diplomatieke geschiedenis van ons vaderland sinds deszelfs onafhankelijk volksbestaan onderzocht (Amsterdam 1918) 410, 426-427; De Leeuw, 44-47, 58, 72-73; Smit 1945, 139, 163-167, 170; C. Smit, Diplomatieke geschiedenis van Nederland inzonderheid sedert de vestiging van het koninkrijk (‘s-Gravenhage 1950) 266, 282-287, 290; C. Smit, Hoogtij der neutraliteitspolitiek. De buitenlandse politiek van Nederland 1899-1919 (Leiden 1959) 62-63; Smit 1971-1973 I, 3, 19-20; E.H. Kossmann, De Lage Landen 1780-1980. Twee eeuwen Nederland en België (2 dln. Amsterdam 1986) I, 352-354, 356-358.

[20] Handelingen Tweede Kamer 1902-1903, 46 (23 september 1902), id. 1904-1905, 1517-1531 (30 maart 1905).

[21] Cf. De Leeuw 1936, 72.

[22] De Heraut 14.10.1870, 2.12.1870, 9.12.1870, 16.12.1870. Voor het meningsverschil tussen Kuyper en de op Frankrijk georiënteerde Groen van Prinsterer cf. Groen-Kuyper no.’s 141-143; W. Vermeer, ‘De verhouding van mr. G. Groen van Prinsterer en dr. A. Kuyper beoordeeld naar hun briefwisseling (1864-1876)’. Antirevolutionaire Staatkunde. Maandelijks orgaan van de dr. Abraham Kuyperstichting ter bevordering van de studie der antirevolutionaire beginselen XIX (1949) 234. Voor Groens opvatting over Duitsland en Bismarck cf. H. Smitskamp, ‘Groen van Prinsterer en de politiek van Bismarck’. Antirevolutionaire Staatkunde. Driemaandelijks orgaan van de dr. Abraham Kuyper­stichting ter bevordering van de antirevolutio­naire beginselen X (1936) 162-193; F.R.J. Knetsch, ‘Groen van Prinsterer over Bismarck’. Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800 XIII (1990) 110-128.

[23] Van Hamel, 410, 426. In het voetspoor van Van Hamel: De Leeuw 1936, 46; Smit 1945, 139; Smit 1950, 266; H.W. von der Dunk, ‘Die Niederlande und die Reichsgründung’ in W. Hofer (Hrsgb.), Europa und die Einheit Deutschlands (Keulen 1970) 113; Kossmann 1986 I, 356.

[24] De Leeuw 1936, 49-59, 109-114.

[25] Van Hamel, 427. In diens voetspoor: De Leeuw 1936, 57; Smit 1945, 163; Smit 1950, 282; Von der Dunk 1970, 114; C.B. Wels, Aloofness and neutrality. Studies on Dutch foreign relations and policy-making institutions (Utrecht 1982) 64.

[26] A.S. de Leeuw, Nederland in de wereldpolitiek. Van 1900 tot heden (Amsterdam 19392) 10.

[27] De Leeuw 1936, 59-72.

[28] De Leeuw 1936, 72; Smit 1959, 63.

[29] De Leeuw 1936, 72-73; J.J.C. Voorhoeve, Peace, profits and principles. A study of Dutch foreign policy (‘s-Gravenhage/Boston/Londen 1979) 33.

[30] Van Hamel, vii.

[31] P. Geyl, ‘Nederland tusschen de mogendheden. Mr. J.A. van Hamel’s gelijknamige boek’. De Gids LXXXVIII (1919) ii, 127-128.

[32] De Leeuw 19392, 12.

[33] Geyl, 129.

[34] Nieuwe Rotterdamsche Courant 23.9.1936.

[35] G. Ritter, Der Schlieffenplan. Kritik eines Mythos (München 1956) 82, 148, 162.

[36] Smit 1971-1973 I, 15-18.

[37] Id., 19-20.

[38] Kossmann 1986 I, 459.

[39] Hierboven blz. **.

[40] A. Kuyper, Antirevolutionaire Staatkunde, met nadere toelichting op ons program (2 dln. Kampen 1916-1917) II, 53; H.S.S. Kuyper en J.H. Kuyper, Herinneringen van den oude garde aan den persoon en den levensarbeid van dr. A. Kuyper (Amsterdam 1922) 177.

[41] A. Kuyper, Planciusrede (Amsterdam 1884) 21.

[42] A. Kuyper, La crise sud-africaine (Extr. de la Revue des Deux Mondes; Parijs 1900) 42.

[43] De Standaard 21.4.1881.

[44] Cf. id. 22.11.1879, 25.11.1879, 2.12.1879. Er zijn geen aanwijzingen dat Disraeli’s joodse afkomst een rol speelde in Kuypers gevoelens. Voor Kuypers houding jegens de joden cf. I. Schöffer, ‘Abraham Kuyper and the Jews’ in: I. Schöffer, Veelvormig verleden. Zeventien studies in de vaderlandse geschiedenis (Amsterdam 1987) 159-170.

[45] De Standaard 7.4.1880.

[46] Id. 1.3.1878.

[47] Ib.

[48] Id. 4.5.1877.

[49] Id. 16.11.1875, 17.11.1875, 19.11.1875, 26.10.1876, 18.11.1876, 30.11.1876, 28.4.1877, 2.5.1877, 4.5.1877, 9.5.1877, 16.5.1877, 1.3.1878, 1.4.1878, 3.4.1878, 4.4.1878, 6.4.1878, 15.5.1878, 24.6.­1878, 16.7.1878, 4.1.1881.

[50] Id. 7.4.1880.

[51] Ib.

[52] Kuyper was m.n. vol lof over de Education Act van 1870 van de liberale onderwijsminister W.E. Foster, die de scholen onder toezicht bracht van gekozen schoolcommissies en zo volgens Kuyper ‘de school met den Bijbel’ voor iedereen bereikbaar maakte. De wet kon zijns inziens ook ‘hier ten lande als exempel dienen’; cf. De Standaard 7.4.1880; Kuyper 1916-1917 II, 52. Voor de toch wat minder positieve appreciatie van de Education Act van 1870 in nonconformistische kringen cf. D.W. Bebbington, The nonconformist conscience. Chapel and politics, 1870-1914 (Londen 1982) 127-152.

[53] Voor de betekenis van de religie in de Engelse politiek en voor de liberale partij als in de eerste plaats een coalitie van groeperingen die gelijkgestemd waren ten aanzien van kerkelijke kwesties: J.P. Parry, Democracy and religion. Gladstone and the liberal party, 1867-1875.Cam­bridge 1986. Voor de nonconformisten: Bebbington, passim. Voor Gladstones religieuze en kerkelijke positie: P. Butler, Gladstone: Church, state and tractarianism: a study of his religious ideas and attitudes, 1809-1859. Oxford 1982; A. Ramm, ‘Gladstone’s religion’. The Historical Journal XXVIII (1985) 327-340. Voor Gladstones Midlothian campagne: R.T. Shannon, Gladstone and the Bulgarian agitation, 1876.Hassocks 19752.

[54] Kuyper 1916-1917 II, 52-53.

[55] De Standaard 29.8.1892, 22.4.1918.

[56] Bebbington ch. vi.

[57] De Standaard 7.3.1902, cf. 30.8.1895.

[58] Ib.; Kuyper 1916-1917 II, 53-54.

[59] Kuyper en Kuyper, 177-178; Kuyper 1916-1917 II, 53.

[60] De Standaard 26.3.1902, 8.1.1903.

[61] D. Chantepie de la Saussaye, Het protestantisme als politiek beginsel. Rotterdam 1871; met dank aan R. Kuiper.

[62] De Standaard 17.1.1873.

[63] Id. 4.5.1877.

[64] Id. 6.1.1882.

[65] Id. 7.1.1884.

[66] Id. 2.8.1898.

[67] Id. 3.1.1895.

[68] Id. 15.1.1896.

[69] H.W. von der Dunk, Die Niederlande im Kräftespiel zwischen Kaiserreich und Entente. Wiesbaden 1980; J.F.E. Bläsing, ‘Nederlanders en Duitsers over zichzelf en over elkaar. Spiegel der wederzijdse economische betrekkingen in de 19de eeuw’. Economisch- en Sociaal-Historisch Jaarboek XL (1977) 48-65.

[70] Von der Dunk 1970, 92-107; J.C. Boogman, ‘The Netherlands in the European scene, 1813-1913’ in: C.Wels e.a. (red.), Vaderlands Verleden in Veelvoud. Opstellen over de Nederlandse geschiedenis na 1500 (2 dln.; Den Haag 1980) II, 63-68; J.C. Boogman, ‘Achtergronden, tendenties en tradities van het buitenlands beleid van Nederland (eind zestiende eeuw – 1940)’ in: E.H. van der Beugel e.a., Nederlandse buitenlandse politiek. Heden en verleden (Baarn 1978) 21, 23-24.

[71] De Standaard 15.12.1900, cf. 22.3.1884, 21.1.1889, 18.9.1889, 22.6.1891, 5.6.1894, 22.2.1900, 5.3.1900.

[72] Bescheiden 1899-1919 VI, no. 20.

[73] De Standaard 5.3.1901, cf. 1.11.1900.

[74] Id. 10.1.1889, 6.6.1892, 11.2.1900

[75] A. Kuyper, Ons Program (Amsterdam 1879) 924.

[76] H.J. Scheffer, Henry Tindal. Een ongewoon heer met ongewone besognes (Bussum 1976) 112-139; R. Kuiper, ‘Defensie en buitenlandse politiek’ in: Th.B.F.M. Brinkel, J. de Bruijn, A. Postma (red.), Het kabinet Mackay. Opstellen over de eerste christelijke coalitie (1880-1891)(Baarn 1990) 240-245.

[77] De Standaard 16.10.1889. Van Hamels in De Standaard van oktober 1889 gesignaleerde pleidooi voor ‘een defensieve Hollandsch-Belgische verbinding met het Drievoudig Verbond’, voor ‘eene meer actieve Buitenlandsche politiek, aanleunend aan den Duitsche kant’ refereert aan het artikel ‘Actieve of passieve buitenlandsche politiek’ in De Standaard van 23 oktober 1889. In dat artikel werden enige opties verkend die voor de Nederlandse defensiepolitiek openstonden. Het door Van Hamel gesignaleerde ‘pleidooi’ kan worden geïdentificeerd als de door hem geconstrueerde combinatie van twee van die opties. Cf. Van Hamel, 410, 426; De Standaard 23.10.1889.

[78] De Standaard 24.9.1906, 28.2.1907; Briefwisseling Kuyper-Idenburg. Eds. J. de Bruijn, G. Puchinger (Franeker 1985) no. 31.

[79] Smit 1971, 84-85.

[80] Het door Van Hamel bedoelde artikel ‘in den herfst van 1904’ heb ik tijdens mijn onderzoek niet kunnen identificeren; Van Hamel, 427.

[81] De Standaard 14.12.1904.

[82] Cf. Id. 25.1.1904, 8.2.1907, 21.11.1907.

[83] De Standaard 2.7.1918, 13.7.1918; cf. K. Hampe, Belgien und Holland vor dem Weltkriege (Gotha 1918) 29.

[84] Cf. J. Feddema, ‘Houding van dr. A. Kuyper ten aanzien van de Eerste Wereldoorlog’. Antirevolutionaire Staatkunde. Maandelijks orgaan van de dr. Abraham Kuyperstichting ter bevordering van de studie der antirevolutionaire beginselen XXXII (1962) 156-172, 195-210.

[85] De Standaard 15.5.1915, cf. 26.5.1915.

[86] Cf. Bescheiden 1899-1919 VI, no.’s 132, 287, 289, 291, 343.

[87] Lebbink, 404.