In de negentiende en het begin van de twintigste eeuw leverden Boeren en Britten slag om de economische en politieke macht in Zuid-Afrika. Het was een conflict dat, na een militaire overwinning van de Britten, ein­digde met de totstandkoming van de Unie van Zuid-Afri­ka, waarin de Boeren de toon zouden gaan aangeven.
Het conflict in Zuid-Afrika vormt een van de tradi­tionele casus van het modern imperialisme. Sinds J.A. Hobson in 1902 het begrip imperialisme in de we­tenschappelijke discussie introduceerde naar aanleiding van de Tweede Boerenoorlog, hebben historici getracht de theorievorming over het modern imperialisme te toet­sen aan de gebeurtenissen in Zuid-Afrika. De pogingen het modern imperialisme te herleiden tot één enkele financiële, economische of politieke oorzaak bevredigen uiteindelijk echter geen van alle. Het modern imperia­lisme, het conflict ook tussen Boeren en Britten in Zuid-Afrika, was het resultaat van verschillende facto­ren, die voortdurend, maar steeds op andere wijze, op elkaar inwerkten: de tegenstellingen tussen de Europese mogendheden; het nationalisme zoals zich dat manifesteerde in de zich moderniserende en democratiserende Westerse wereld; economische motieven, commercieel, industrieel of financieel van aard, en stoelend op soms wel maar vaak ook niet reële verwachtingen; lokale omstandigheden in de niet-Westerse wereld, met name van het expansiestreven van Europese handelaren, zendelingen en bestuursfunctionarissen en de reactie daarop van de inheemse elite.[1] Toegespitst op Zuid-Afrika verdienen in dit verband naast de Engelse regering en de Boeren ook de bewoners van de Kaapkolonie en de zwarten aandacht.
Voor de Engelse regering was de Kaap vooral van strategisch belang: langs de Kaap liep de verbindingsweg met de Britse bezittingen in Azië. De Engelse politiek ten aanzien van Zuid-Afrika was in essentie defensief. Zij reageerde op ontwikkelingen die als een bedreiging van de Britse strategische controle over de Kaap werden ervaren: de conflicten tussen blank en zwart aan de frontier, de koloniale expansie van de andere Europese landen, de pogingen van de Boerenrepublieken zich aan de economische controle van de Kaapkolonie te onttrekken. Per saldo leken allerlei belangengroepen die zich zowel in Londen als in Kaapstad manifesteerden, zoals zendingsgenootschappen, handelshuizen en industriële en mijnbouwondernemingen, hoewel vaak gesteund door de Britse bestuurderen ter plaatse, de Engelse politiek maar zelden beslissend te kunnen beïnvloeden. Slechts wanneer hun wensen strookten met wat door de regering werd geïnterpreteerd als het Britse strategische belang, vonden zij gehoor. Het verklaart waarom de indruk kon ontstaan dat vanaf de jaren zeventig, toen het economisch gewicht van de Boerenrepublieken begon toe te nemen om uiteindelijk de economische levensvatbaarheid van de Kaapkolonie aan te tasten, economische overwegingen in toenemende mate het Londense beleid gingen bepalen.
De Boeren in Zuid-Afrika, van Nederlandse, Duitse en Franse komaf, werden gedreven door een frontier-mentaliteit: op zoek naar land voor hun vee brachten zij steeds grotere gebieden onder hun controle en legden zij aan steeds meer zwarten hun gezag op. Hun verzet tegen de Engelsen was in eerste instantie een verzet tegen pogingen om aan hun maatschappij dat expansief karakter te ontnemen. In dat verzet stichtten ze hun eigen republieken, Oranje Vrijstaat en, in Transvaal, de Zuid-Afrikaansche Republiek, en ontwikkelden ze een eigen nationale identiteit: republikeins, conservatief, sterk naar binnen gericht en met een religieus besef geroepen te zijn om leiding te geven aan de toekomst van Zuid-Afrika. Het maakte het conflict tussen Boeren en Britten, dat in Engelse ogen toch vooral een koloniaal conflict was, een conflict over territoriale controle en economische macht, voor de Boeren tot een nationaal conflict, waarin het ging om plaats en toekomst van de Afrikaner natie in Zuid-Afrika. Dit Afrikaner nationalisme smeedde de Boeren tot een eenheid. Tegelijkertijd sloot het de sinds de jaren tachtig groeiende groep Engelstalige bewoners van de Boerenrepublieken, de ‘uitlanders’, buiten. Het daaruit resulterende politieke debat, waarin het niet ging om de onafhankelijkheid van de Boerenrepublieken, maar om het vraagstuk van politieke participatie, bood de Engelse regering uiteindelijk de aanleiding om de republieken te onderwerpen.
Complex en tweeslachtig was de positie van de blanke bevolking van de Kaapkolonie. De economische positie van de kolonie werd bepaald door de rol die zij kon spelen als doorvoergebied van en naar het Zuid-Afrikaanse binnenland. Het betekende dat vanuit de Kaapkolonie voortdurend werd gestreefd naar uitbreiding van het machtsbereik der blanken. Het betekende niet dat de Kapenaars er als vanzelf voorstanders van waren steeds grotere delen van Zuid-Afrika onder Brits gezag te brengen; ze vreesden dat de kosten daarvan op hen afgewenteld zouden worden. Pas toen in de jaren tachtig en negentig duidelijk werd dat de blanken in het Zuid-Afrikaanse binnenland, Boeren zowel als uitlanders, er veel aan gelegen was zich aan de greep van de Kaap te ontworstelen, groeide de steun voor het streven de door blanken bestuurde gebieden in Zuid-Afrika te verenigen in één Brits dominion. Maar zelfs toen behield die steun iets halfhartigs. Het Afrikaner nationalisme, zoals zich dat ontwikkeld had in de Boerenrepublieken liet ook de Boeren aan de Kaap niet onberoerd. Weliswaar was hun nationalisme anders gericht dan dat van de Boeren in Transvaal en Oranje Vrijstaat – op vereniging met de stamverwante republieken in het Zuid-Afrikaanse binnenland, in plaats van op afzondering van de door Engelstaligen gedomineerde kolonie in het zuiden – en daarmee in wezen onvruchtbaar, het nam niet weg dat zich onder de Kaapse Boeren gevoelens van stamverwantschap ontwikkelden die in crisissituaties sterker konden blijken dan overwegingen van economisch belang. In het conflict met de Boeren kon het Britse gezag in laatste instantie dus niet rekenen op de onverdeelde loyaliteit van de Kaapse Boeren.
De zwarten ten slotte. Zij vormden, ook in de negentiende eeuw, de meerderheid van de Zuid-Afrikaanse bevolking. De geschiedenis van Zuid-Afrika is in de eerste plaats hun geschiedenis. In die geschiedenis speelt het conflict tussen Boeren en Britten slechts een marginale rol. De zwarten leefden op gespannen voet met beide blanke stammen. Voor het conflict tussen zwart en blank bestond in het Europa van het modern imperialisme echter geen enkele aandacht. Kuyper schreef over Boeren en Britten, niet over zwarten en blanken. Waar het hierna gaat om een globaal overzicht van dat conflict tussen Boeren en Britten, zullen de ontwikkelingen binnen de Afrikaanse gemeenschappen en de botsingen tussen zwart en blank daarom grotendeels buiten beschouwing worden gelaten; alleen daar waar die ontwikkelingen en botsingen raken aan de betrekkingen tussen Boeren en Britten worden ze kort gesignaleerd.[2]

Het ontstaan van de Boerenrepublieken

De Kaapkolonie, tot 1795 onder het gezag van de Verenigde Oostindische Compagnie, was in 1806 definitief Engels geworden. De Engelse politiek ten opzichte van de nieuwe kolonie werd bepaald door haar strategische belang. In zekere zin was Kaapstad, gelegen op gelijke afstand van Australië, India, West-Indië en Gibraltar, het geografische middelpunt van het Brits imperium. Als verbindingsweg met de Engelse bezittingen in Azië was de route rond de Kaap van grote betekenis; ze bleef dit ook na de opening van het Suezkanaal, aangezien de Britse marine de veiligheid van de Middellandse-Zeeroute naar de Oost in geval van oorlog niet kon garanderen. De politiek van de Engelse regering was er op gericht het Britse oppergezag in Zuid-Afrika te waarborgen: de Engelsen streefden naar paramountcy.
Na 1806 trachtten ze deze paramountcy op tweeërlei wijze te verzekeren. Via een geleidelijke verengelsing van het commerciële, politieke en culturele leven door wetgeving en immigratie moest de Kaapkolonie nauw aan het nieuwe moederland worden gebonden. Daarnaast werd gepoogd een einde te maken aan de voortdurende expansie van het door blanken beheerste gebied. Die expansie diende immers geen strategisch doel. Zij leidde slechts tot onrust aan de frontier en vormde zo een permanente aanslag op de Britse schatkist, die opdraaide voor de militaire inspanning nodig om de door die onrust bedreigde paramountcy te handhaven.
Met name de terughoudende frontier-politiek leidde tot spanningen tussen de kolonisten en het Britse oppergezag. De kolonisten in de grensgebieden, trekboeren vooral die in voortdurend conflict leefden met de zich tegen het opdringen van de blanken verzettende zwarten, meenden dat slechts een verdere uitbreiding van het Britse gezag hun veiligheid kon waarborgen. De weerstanden in Londen tegen een dergelijke gezagsuitbreiding werden gezien als een onaanvaardbare aanslag op die veiligheid. Vooral de weigering van de Engelse regering, in 1835, om de annexatie van het gebied tussen de rivieren de Keiskamma en de Kei, het tegenwoordige Ciskei, te erkennen zette kwaad bloed. Daarnaast waren de achtereenvolgende wettelijke maatregelen ter verbetering van de positie der slaven een bron van onrust. Ze werden door de Boeren ervaren als ingrepen in hun persoonlijke levenssfeer. De uiteindelijke afschaffing van de slavernij in 1833, de in veler ogen te geringe schadeloosstellingen daarvoor en de voor de meeste Boeren onoverkomelijke problemen rond de inning daarvan – de schadeloosstellingen werden in Londen uitgekeerd – versterkten de anti-gouvernementele gevoelens.
De Grote Trek was een uitvloeisel van dit oplopen van de spanningen. Tussen 1834 en 1840 trachtten zo’n 15.000 Boeren, ca. 20% van de blanke bevolking van de Kaapkolonie, zich aan het Britse gezag te ontworstelen. Nieuwe vestigingsplaatsen zochten ze in het binnenland, op het Hoge Veld aan weerszijden van de Vaal, en aan de oostkust, bij Port Natal, het tegenwoordige Durban. Ze kwamen daarbij in botsing met twee jonge Afrikaanse koninkrijken, dat van de Ndebele en dat van de Zulu. Het Zulu-rijk was omstreeks 1818 ontstaan, toen Zulu-leider Shaka zich aan het hoofd wist te stellen van een al wat langer bestaand federatief verband van Nguni-stammen. Shaka breidde het rijk uit en smeedde het met harde hand tot een eenheid. Toen Shaka in 1828 werd vermoord en de macht overging in handen van zijn halfbroer Dingaan strekte het Zulu-rijk zich uit over het noorden van het tegenwoordige Natal. De opkomst van het Zulu-rijk leidde tot grote volksverhuizingen in heel Zuidelijk Afrika: de Difaqane. Delen van de door Shaka onderworpen Nguni-stammen trokken het Hoge Veld in en verdreven of onderwierpen de Sotho die daar woonden. Begin jaren dertig werd het gebied van het tegenwoordige Transvaal gecontroleerd door de Ndebele, een Nguni-stam die zich sinds 1823 aan het oppergezag van de Zulu had weten te onttrekken. Ndebele noch Zulu waren opgewassen tegen de moderne bewapening van de Boeren. In 1837-1838 en 1838-1840 gingen de beide rijken ten onder. In het daarmee ontstane vacuüm stichtten de Boeren hun eerste republiek: Natal, met Pietermaritzburg als hoofdstad.
In Londen en aan de Kaap werd de vestiging van de Boerenrepubliek in Natal gezien als een aanslag op de Britse positie in Zuid-Afrika. Men nam bovendien waar dat tal van inheemse volken, op drift geraakt in de jaren twintig, na de ondergang van Ndebele en Zulu trachtten terug te keren naar hun oorspronkelijke woongebieden en vreesde voor tal van heftige en onbeheersbare conflicten tussen Boeren en zwarten. Het leidde tot de annexatie van Natal in 1843 en van het gebied tussen de Oranje en de Vaal in 1848. Natal verengelste na de annexatie. De Boeren verlieten het gebied en vestigden zich op het Hoge Veld, sommigen benoorden de Vaal, anderen ten zuiden daarvan in de Orange River Sovereignty. Haar onvermogen echter om het Hoge Veld daadwerkelijk te controleren, gevolg van de weigering van Londen om fondsen ter beschikking te stellen voor de opbouw van een administratief en militair apparaat, dwong de regering in Kaapstad uiteindelijk toe te geven aan het verlangen van de Boeren naar onafhankelijkheid. Bij de Conventie van Zandrivier (1852) zagen de Engelsen af van alle aanspraken op het gebied benoorden de Vaal. Twee jaar later, in 1854, werd bij de Conventie van Bloemfontein ook de onafhankelijkheid van de Boeren in het gebied tussen de Oranje en de Vaal erkend. In het door de Engelsen opgegeven gebied ontstonden twee republieken: in het Transvaalse de Zuid-Afrikaansche Republiek en ten zuiden daarvan Oranje Vrijstaat, die, na enige aarzeling bij de Vrijstaters over aansluiting toch bij de Kaap dan wel bij de Boerenrepubliek in het noorden en na een burgeroorlog tussen de verschillende Boerengemeenschappen in de Zuid-Afrikaansche Republiek, ieder hun eigen weg gingen.

Het conflict: de eerste ronde

Uitgangspunt van de Engelse politiek na de Grote Trek was dat zolang de Boerenrepublieken economisch met handen en voeten gebonden bleven aan de koloniën onder Brits gezag, hun staatkundige onafhankelijkheid geen aantasting vormde van het Britse overwicht in Zuid-Afrika. Ter verzekering van die economische afhankelijkheid moest voorkomen worden dat de Boerenrepublieken de beschikking kregen over een verbinding met de zee. Tevens moest aan andere Europese mogendheden het recht worden ontzegd op bezittingen langs de Zuid-Afrikaanse kust, waarlangs de Boeren zouden kunnen ontsnappen aan de Britse greep op hun economie. De annexatie van Natal en de Conventies van Zandrivier en Bloemfontein vloeiden logisch uit die politiek voort. Vervolgens wilde Londen de Boerenrepublieken laten voor wat ze waren: zwakke, dunbevolkte staten in het Afrikaanse binnenland met slechte verbindingen, een onderontwikkelde economie en een klein overheidsapparaat. De ambities van bestuursambtenaren aan de Kaap en van handelskringen, die uitbreiding van politiek en economisch bereik zochten, en de wensen van zendelingen, die de Boeren beschuldigden van slavenhouderij en van mishandeling van de zwarten, werden systematisch genegeerd. Zo weigerde Londen in 1858 de Kaapse autoriteiten te volgen in een schijnbaar succesvolle poging Oranje Vrijstaat in een federaal verband te verenigen met de Britse koloniën in Zuid-Afrika. Pas toen de Vrijstaters in 1867 de Basuto versloegen en zich leken op te maken om na de annexatie van Basutoland door te stoten naar de Indische Oceaan, gaf de Engelse regering toestemming in te grijpen. Basutoland, het tegenwoordige Lesotho, werd een kroonkolonie van het Brits imperium.
Het einde van de jaren zestig was het begin van een periode waarin de verhoudingen tussen de Britse koloniën en de Boerenrepublieken zich leken te wijzigen. In West-Griqualand, waar de Zuid-Afrikaansche Republiek en Oranje Vrijstaat aan elkaar grensden, werd diamant ontdekt, ten noorden van de rivier de Limpopo goud. Weliswaar werden de diamantvelden van West-Griqualand in 1871 door de Engelsen geannexeerd, maar dat verhinderde niet dat ook de Boerenrepublieken profiteerden van de economische groei die nu in het Zuid-Afrikaanse binnenland op gang kwam. De bevolking begon door de toestroming van immigranten snel te groeien, met als gevolg dat nieuwe conflicten over grondbezit uitbraken tussen blank en zwart. Dat vervulde de Engelse regering met de nodige zorgen. Erger nog achtte zij het streven van de Zuid-Afrikaansche republiek onder de liberale Thomas François Burgers, in 1872 tot president gekozen, een spoorlijn aan te leggen naar de Delagoabaai. De Delagoabaai was lange tijd omstreden geweest, opgeëist door zowel Engeland als Portugal. In 1875 had de Franse president MacMahon het gebied bij arbitrale beslissing definitief aan Portugal toegewezen. Een spoorwegverbinding met deze zuidelijkste punt van het Portugese koloniale imperium in oostelijk Afrika zou de Zuid-Afrikaansche Republiek dus onafhankelijk kunnen maken van het vanuit Kaapstad opgebouwde Britse commerciële netwerk in Zuid-Afrika.
Deze ontwikkelingen deden in Londen de bereidheid toenemen steun te verlenen aan het in de jaren vijftig en zestig door commerciële en bestuurlijke kringen in de Kaapkolonie en Natal geventileerde verlangen naar de vorming van een Zuid-Afrikaanse federatie onder Britse vlag, die zowel de Britse koloniën als de Boerenrepublieken zou omvatten. In zo’n dominion met binnenlands zelfbestuur voor de blanke bevolking, naar het voorbeeld van het in 1867 gecreëerde Canada, waren, zo dacht men in Londen, de Britse belangen in Zuidelijk Afrika veilig gesteld tegen de laagst mogelijke kosten: een Zuid-Afrikaans dominion zou, door de Britse marine beschermd tegen vreemde agressie, sterk genoeg zijn om zelfstandig binnenslands rust en orde te kunnen handhaven, terwijl Engelse ondernemers de Zuid-Afrikaanse handel zouden kunnen blijven controleren en de Engelse regering de Zuid-Afrikaanse relaties met het buitenland. De Engelse hoop dat zo’n dominion op korte termijn en langs vreedzame weg gecreëerd zou kunnen worden, was echter op niets gebaseerd. Tijdens besprekingen in Londen in de zomer van 1876 bleken de Boerenrepublieken geen enkele aanleiding te zien om hun onafhankelijkheid prijs te geven, terwijl in de Kaapkolonie de roep om een Zuid-Afrikaanse federatie inmiddels was verstomd. Sinds de kolonie in 1872 zelfbestuur had gekregen domineerden de weerstanden tegen de lastenverzwaringen die het gevolg zouden zijn van de vereniging met de armlastige Boerenrepublieken in één staatsverband.
Een maand na het mislukken van de federatie-besprekingen in Londen leden de Transvalers een zware nederlaag tegen de Pedi, een Sotho-stam in oostelijk Transvaal. In de Zuid-Afrikaansche Republiek dreigde regelrechte chaos, toen bleek dat president Burgers na deze nederlaag zijn gezag nauwelijks meer kon handhaven tegen een groeiende oppositie. Tegelijkertijd nam de onrust onder verschillende stammen elders in Zuidelijk Afrika toe. Onder druk van zijn minister van Koloniën lord Carnarvon stemde de Engelse eerste minister Disraeli toen in met de annexatie van de Zuid-Afrikaansche Republiek. Carnarvon meende dat nog slechts langs deze weg aan de reeks voor Engeland ongunstige ontwikkelingen een halt kon worden toegeroepen. Belast met de uitvoering van de Engelse plannen werd Theophilus Shepstone, die in Natal sinds 1845 in verschillende functies namens de koloniale overheid optrad tegenover de inheemse bevolking en daarbij gestalte gaf aan een beleid waarbij die bevolking werd geconcentreerd in ‘beschermde woongebieden’. In januari 1877 trok Shepstone vanuit Natal de Zuid-Afrikaansche Republiek binnen. Zijn optreden stuitte bij president Burgers op vrijwel geen verzet. Aan de vooravond van verkiezingen die hij gedoemd was te verliezen, voelde deze zich allesbehalve geroepen daadwerkelijk in het krijt te treden voor behoud van de Transvaalse onafhankelijkheid. Op 12 april 1877 proclameerde Shepstone de annexatie van Transvaal. Carnarvon zag het als de eerste noodzakelijke stap op de weg naar totstandkoming, alsnog, van een Zuid-Afrikaanse federatie. Zowel de annexatie- als de federatiepolitiek mislukte echter. Sterker nog, annexatie- en federatiepolitiek dreigden tot de ondergang van de Britse paramountcy in Zuid-Afrika te leiden.
‘Peaceful frontiers, contented Bantu, full colonial treasuries and Boer consent’ – dat waren de voorwaarden die vervuld moesten worden, wilde de federatiepolitiek slagen. Het bleek teveel tegelijk gevraagd. Tussen 1877 en 1880 kwamen de Gaika, de Ba-Pedi, de Griqua, de Zulu en de Basuto in opstand tegen de Engelsen. Zij werden allen opnieuw onderworpen, maar van ‘full colonial treasuries’ was toen geen sprake meer. Bovendien bracht het verzoenende beleid dat de regering in Londen wenste te voeren tegenover de verslagen stammen haar opnieuw in conflict met de Boeren in heel Zuid-Afrika. Het gevolg was dat de Transvaalse Boeren, die weigerden te berusten in de annexatie, voor het streven hun onafhankelijkheid te herkrijgen niet alleen bij de Vrijstaters, maar ook bij hun stamverwanten in de Kaapkolonie en Natal steun vonden. De strijd voor herstel van de Transvaalse onafhankelijkheid werd zo het begin van het Afrikaner nationalisme. Het waren de jaren waarin de Afrikaner Bond werd opgericht en waarin, voor het eerst, werd gepleit voor het Afrikaans als taal van de Afrikaners.
Dat de Transvalers zich niet wilden neerleggen bij de annexatie was al snel na Shepstones proclamatie duidelijk geworden. Hun verzet verenigde zich rond de persoon van Paul Kruger. Kruger, sinds 1863 commandant-generaal van de Zuid-Afrikaansche Republiek, behoorde als lid van de ‘Dopper’-kerk, verwant met de in Nederland uit de Afscheiding van 1834 ontstane Christelijke Gereformeerde Kerken, voor de annexatie tot de oppositie tegen Burgers. Hoewel hij in 1876 aanvankelijk bereid was zich, contre coeur, uit te spreken ten gunste van Burgers herverkiezing, besloot hij in december van dat jaar toch zelf te kandideren. Zijn vrijwel zekere verkiezing werd door de annexatie doorkruist. Na de annexatie reisde Kruger tot twee maal toe naar Londen om bij de Engelse regering te pleiten voor herstel van de Transvaalse onafhankelijkheid, eerst, in de zomer van 1877, met staatsprocureur E.J.P. Jorissen, een jaar later, in de zomer van 1878, met generaal Piet Joubert. De conservatieve regering in Londen weigerde echter op de Transvaalse eisen in te gaan. Toen ook de liberalen na hun verkiezingsoverwinning in april 1880 niet bereid bleken de Zuid-Afrikaansche Republiek te herstellen en vasthielden aan de federatie-gedachte, kwamen de Transvalers in opstand. Op 16 december 1880 riep een driemanschap, bestaande uit Kruger, Joubert en oud-president Martinus Wessels Pretorius, de republiek uit. Boerencommando’s sloegen het beleg voor de Britse garnizoenen in Pretoria en Potchefstroom en troepen die vanuit Lydenburg en Natal werden gezonden om het Britse gezag te handhaven, werden verslagen bij Bronkhorstspruit, Laingsnek, Ungogo en Majuba. De Britse publieke opinie reageerde ontzet en riep om wraak. Het kabinet onder leiding van Gladstone, tezelfdertijd geconfronteerd met problemen in Ierland en Afghanistan, besloot echter de vox populi et reginae te negeren en de Transvalers verregaand tegemoet te komen. Het keerde terug tot de politiek die ten grondslag had gelegen aan de Conventies van Zandrivier en Bloemfontein. Bij de Conventie van Pretoria (augustus 1881) werd de onafhankelijkheid van Transvaal hersteld, onder Britse suzereiniteit. De Engelsen behielden zeggenschap over het buitenlands beleid van de republiek en over haar ‘Kafferpolitiek’. Door de Transvalers werd deze suzereiniteit, gesymboliseerd door de aanwezigheid van een Britse permanente vertegenwoordiger in Pretoria, vanaf het begin ervaren als een belediging, als een wezenlijke ontkenning van hun soevereiniteit.
Hoewel de conventie van 1881 territoriale expansie van Transvaal verbood, bleek zij niet in staat de vestiging van Boeren buiten Transvaal te voorkomen. In 1883 stichtten Transvaalse trekboeren in Beetsjuanaland, het tegenwoordige Botswana, de republieken Stellaland en Gosen. De mogelijke incorporatie van deze miniatuurstaatjes in Transvaal werd zowel in Londen als in Kaapstad gevreesd, omdat de Kaapkolonie zo afgesneden dreigde te raken van de nog niet onder blank gezag gebrachte gebieden in het noorden. De mogelijkheden voor toekomstige territoriale expansie zouden daarmee geheel aan Transvaal toevallen. In Londen én Kaapstad aarzelde men echter in te grijpen, uit vrees dat een nieuwe Brits-Transvaalse confrontatie zou leiden tot een Afrikaner opstand waarin het Britse gezag in Zuid-Afrika geheel verloren zou gaan. Moeizame heronderhandelingen in Londen in 1883-1884 resulteerden ten slotte in de totstandkoming van de Conventie van Londen (februari 1884). De Transvalers trokken zich terug ten oosten van de route die de Kaapkolonie met het noorden verbond. In ruil daarvoor gaven de Engelsen het grootste deel van hun suzereiniteitsaanspraken op; alleen verdragen die de Zuid-Afrikaansche Republiek met andere vreemde mogendheden dan Oranje Vrijstaat sloot, bleven onderworpen aan een Brits vetorecht.
Binnen een half jaar waren er nieuwe moeilijkheden. De Britse bezetting van Egypte (1882) was het startsein geweest voor the scramble for Africa. De Fransen drongen diep door in West-Afrika, terwijl nu ook de Duitsers zich voor het eerst op het Afrikaanse toneel waagden. In augustus 1884 werd Angra Pequena (Lüderitz) aan de Zuidwest-Afrikaanse kust onder Duits protectoraat geplaatst. Londen reageerde geschokt. De ban op niet-Britse vestigingen aan de Zuid-Afrikaanse kust scheen gebroken. Voor de Transvalers leek de aanwezigheid van de Duitsers een onverwachte gelegenheid zich aan het Britse overwicht te onttrekken. Kruger, sinds 1883 president van de Zuid-Afrikaansche Republiek, overwoog van de gelegenheid gebruik te maken en de kort tevoren in Londen gemaakte afspraken naast zich neer te leggen. Hij liet Gosen en Stellaland annexeren en lanceerde het plan voor een spoorlijn die Pretoria met Angra Pequena aan de westkust en Sint-Luciabaai aan de oostkust zou moeten verbinden. De als dreigend ervaren Duitse aanwezigheid in Zuidelijk Afrika verzekerde de Britten nu echter van de loyaliteit der Kaapse Boeren en stelde hen in staat krachtig in te grijpen. Kruger moest inbinden. Terwijl de Engelsen Damaraland en Namaqualand in Zuidwest-Afrika aan de Duitsers lieten, maakten ze Beetsjuanaland tot een Brits protectoraat. Het Britse overwicht in Zuidelijk Afrika leek daarmee opnieuw verzekerd.

Interbellum

Aanvankelijk leken de Boerenrepublieken nu geneigd zich bij de Britse suprematie neer te leggen. In 1884 en 1885 trachtten ze de regering van de Kaapkolonie herhaaldelijk te interesseren voor een douane-unie. In Kaapstad reageerde men echter afwijzend. De Boerenrepublieken, zo dacht men daar, waren economisch toch met handen en voeten aan de Kaapkolonie gebonden, en waarom zou men dan een douane-unie met hen sluiten, waarvan zij als de minst welvarende partners relatief het meest zouden profiteren? De ontdekking, in 1885, van de rijke goudlagen aan de Witwatersrand (de Rand) in het zuiden van de Zuid-Afrikaansche Republiek, bij de grens met Oranje Vrijstaat, bracht evenwel het begin van een werkelijke verschuiving van de krachtsverhoudingen in Zuidelijk Afrika. Het werden nu de Britse koloniën die aandrongen op een douane-unie, de Transvalers die weigerden. De Britse koloniale autoriteiten en de economisch toonaangevende kringen aan de Kaap streden een wanhopige strijd om te voorkomen dat de Zuid-Afrikaansche Republiek, die steeds nadrukkelijker het zwaartepunt van Zuid-Afrika werd, zich zou kunnen ontworstelen aan de economische houdgreep waarin zij door de Kaapkolonie werd gehouden. Daartoe trachtten zij de Boerenrepublieken te omringen met een gordel van onder Brits gezag staande gebieden en hen afhankelijk te maken van het Kaapse spoorwegnet. Exponent van deze omsingelings- en spoorwegpolitiek was Cecil Rhodes.
Rhodes was in 1870 om gezondheidsredenen naar Zuid-Afrika gekomen. Sinds 1881 was hij lid van het Kaapse parlement. Hij was een van de belangrijkste Zuid-Afrikaanse ondernemers. In 1888 bracht hij, door een fusie van twee diamantmaatschappijen, de machtigste mijnbouwonderneming van Zuidelijk Afrika tot stand, De Beers Consolidated Mines Company. In 1889 richtte hij de British South Africa Company op, die het gebied ten noorden van de Limpopo koloniseerde. Rhodes was voorstander van een verenigd Zuid-Afrika. Maakte dit hem tot tegenstander van Kruger cum suis, door zijn pleidooien voor gelijkstelling van het Afrikaans en het Engels wist hij zich te verzekeren van de steun van de Kaapse Boeren. Rhodes werd zelfs lid van de Afrikaner Bond, uitgegroeid tot de belangrijkste politieke formatie in de kolonie. Met steun van deze nationalistische Afrikaner organisatie kon Rhodes van 1890 tot 1896 de Kaapkolonie regeren. Zijn politiek eindigde echter in een fiasco.
In 1886 en 1887 annexeerden de Engelsen Zululand en Sint-Luciabaai. De kleine Boerenstaat de Nieuwe Republiek in Noord-Zululand, laatste rest van de expansiezucht der Boeren na de Conventie van Pretoria, werd in 1888 in de Zuid-Afrikaansche Republiek opgenomen. Vanaf 1889 werd Matabeleland, ten noorden van Transvaal, door de British South Africa Company gekoloniseerd; in 1890 erkende Kruger het gezag van de Company in dit gebied. De Britse hoop dat de minerale rijkdom hier zo groot zou zijn dat Matabeleland het economisch gewicht van de Rand zou kunnen neutraliseren, ging echter niet in vervulling. de Britten waren bereid Swaziland aan de Zuid-Afrikaansche Republiek te laten, in de verwachting dat de Transvalers in ruil daarvoor bereid zouden zijn toe te treden tot de Kaapse douane-unie en het aantal spoorlijnen naar de Rand te beperken tot één, de Kaapse. Bij de Swaziland Conventie van 1893 verplichtte de Zuid-Afrikaansche Republiek zich echter alleen om vanuit Swaziland niet dan met Britse toestemming een spoorlijn naar de nabijgelegen Kosibaai aan te leggen. De Engelsen namen het zekere voor het onzekere en annexeerden het gebied rond Kosibaai, Tongaland, in 1895. De omsingelingspolitiek liep uiteindelijk stuk op de Portugese Delagoabaai. Tevergeefs trachtte Rhodes de armlastige Portugezen er toe te bewegen de Zuid-Mozambikaanse provincie Lourenço Marquez te verkopen. In laatste instantie mislukten de Britse pogingen om zich van Lourenço Marquez en de Delagoabaai meester te maken, omdat Duitsland te kennen gaf een dergelijke gebiedsoverdracht in strijd te achten met zijn koloniale belangen. De Duitsers koesterden hun eigen ambities ten aanzien van Zuidelijk Afrika en wierpen zich daarbij op als beschermers van de onafhankelijkheid der Boerenrepublieken.
Met de omsingelingspolitiek mislukte ook de spoorwegpolitiek. Weliswaar waren Oranje Vrijstaat en de Zuid-Afrikaansche Republiek sinds 1890 respectievelijk 1892 door een spoorweg met Kaapstad verbonden, maar Rhodes had de Transvaalse toestemming voor de spoorlijn naar de Rand slechts kunnen kopen met kredieten ten behoeve van de Nederlandsche Zuid-Afrikaansche Spoorweg Maatschappij. Deze kredieten werden aangewend voor de aanleg van de spoorwegverbinding tussen Pretoria en de Delagoabaai, die in 1894 gereed kwam. De Kaapkolonie, die tot dan toe een feitelijk monopolie op het vrachtvervoer van en naar Transvaal had gehad, zag haar overheersende positie ineenstorten. Natal, zelfbesturend sinds 1893, trok vrijwel onmiddellijk zijn conclusies. Zijn regering distantieerde zich van de Kaap en ging met de Zuid-Afrikaansche Republiek een douane-unie aan in ruil voor de aanleg van een spoorlijn van de Rand naar Durban (1895). De Zuid-Afrikaansche Republiek was in een positie gekomen waarin ze haar voorwaarden kon stellen aan de zo lang dominerende Britse koloniën. Ze deed dat ook. Het jaar 1895 stond in het teken van heftige Kaaps-Transvaalse conflicten over de vrachtverdeling over de beschikbare spoorlijnen en over de vrachttarieven op die lijnen. De Kaapkolonie was daarbij de vragende én verliezende partij.
Was zo van Britse paramountcy in Zuidelijk Afrika al geen sprake meer, aan de horizon dreigden nog donkerder wolken. Centripetale krachten, tot voor een decennium beschouwd als het Britse overwicht bestendigend, als vanzelf leidend naar de totstandkoming van een op Engeland georiënteerde Zuid-Afrikaanse federatie met de Kaapkolonie als zwaartepunt, gingen nu een bedreiging vormen voor wat nog restte van de Britse positie in Zuid-Afrika. Rhodes vreesde dat de Zuid-Afrikaansche Republiek gravitatiepunt zou worden voor het tot nu toe verdeelde Afrikaner nationalisme, met als uiteindelijk resultaat de vorming van een republikeinse anti-Engelse federatie onder Transvaalse leiding. Slechts langs één weg scheen handhaving van de Britse positie, herstel van het Britse overwicht mogelijk: in de Zuid-Afrikaansche Republiek moest het Kruger-bewind ten val worden gebracht en worden vervangen door een Engels georiënteerde regering, die de Transvaalse republiek opnieuw zou doen opgaan in het Brits imperium. Transvaal kon dan wel zijn economisch overwicht in Zuid-Afrika behouden, maar zou zijn betekenis als brandpunt van een anti-Engels Afrikaner nationalisme verliezen. Ter realisering van dit doel besloot Rhodes de onrust onder de uitlanders te exploiteren.

Het conflict: de tweede ronde

De uitlanders waren de buitenlanders in Transvaal, na 1886 massaal naar de Zuid-Afrikaansche Republiek getrokken, op zoek naar goud en werk. In overgrote meerderheid waren het Britse staatsburgers. Kruger beschouwde hen als een bedreiging, niet alleen voor de Transvaalse onafhankelijkheid, maar ook, meer nog misschien, voor het ‘karakter’ van de Zuid-Afrikaansche Republiek, dat wil zeggen voor de meerderheidspositie van het nationalistische, anti-Engelse, conservatieve element in de republiek waarop Kruger cum suis steunden. De Transvaalse regering voerde daarom een uiterst restrictief naturalisatiebeleid. In 1890 werd een wet van kracht die weliswaar de voor naturalisatie te betalen leges verlaagde van £ 25 tot £ 15, maar de periode die men in de Zuid-Afrikaansche Republiek moest wonen om voor naturalisatie in aanmerking te komen verlengde van vijf tot veertien jaar. Onduidelijk was overigens in hoeverre de uitlanders belangstelling hadden voor het Transvaalse staatsburgerschap. Velen van hen waren slechts fortuinzoekers, die al na enkele jaren hun geluk weer elders wilden beproeven. Sommigen wezen het staatsburgerschap af, omdat het behalve kiesrecht ook dienstplicht en belastingaanslagen met zich meebracht. Anderen wilden geen staatsburgerschap, maar wel kiesrecht. Maar zelfs als aan alle uitlanders kiesrecht zou zijn verleend, dan nog zou het niet vanzelf tot de incorporatie van Transvaal in het Brits imperium hebben geleid. Ongetwijfeld zouden de uitlanders hun intrede hebben gedaan in de Volksraad. Wellicht zou het Engels op den duur een aan het Nederlands gelijkwaardige status hebben gekregen. Misschien ook zou Piet Joubert, kandidaat bij de presidentsverkiezingen van 1883, 1888, 1893 en 1898, liberaler dan Kruger en niet zoals deze op Nederland maar op de Kaap georiënteerd, met steun van de uitlanders de verkiezingen van 1893 hebben kunnen winnen. In geen geval echter zouden de uitlanders alle macht in de Zuid-Afrikaansche Republiek naar zich toe hebben kunnen trekken. De eind negentiende eeuw algemeen gangbare veronderstelling dat zij de meerderheid van de Transvaalse bevolking vormden, was onjuist. Hun aantal werd sterk overdreven, door Kruger cum suis om duidelijk te maken hoe groot de dreiging was die van de uitlanders uitging, door de uitlanders zelf om aan te tonen hoe groot het hun aangedane onrecht was. Bovendien bestond ook onder de uitlanders weinig animo om zich onder Brits gezag te stellen. Het ondernemersklimaat onder Kruger werd dan wel niet optimaal geacht, onder Brits bewind zou het, zo oordeelde men, met hogere belastingen en verdere beperkingen op de werving van zwarte arbeidskrachten, nog slechter worden. Wat de uitlanders als ideaal voor ogen stond was wel een verengelste, maar geen Engelse Transvaal; de Zuid-Afrikaansche Republiek moest ook in hun optiek onafhankelijk blijven.
Rhodes besefte dit laatste terdege. Een opstand van de uitlanders tegen het Kruger-bewind moest naar zijn opvatting daarom samengaan met een Brits militair ingrijpen, dat aan de opstand de gewenste richting kon geven. En Rhodes had haast. Uit Johannesburg bereikten hem berichten die hem deden geloven dat, indien hij zelf niet spoedig het initiatief nam, anderen dat voor hem zouden doen. Bovendien dacht Rhodes in 1895, zo kort na de totstandkoming van de spoorlijn tussen Pretoria en de Delagoabaai en onmiddellijk na de crisis in de betrekkingen tussen de Zuid-Afrikaansche Republiek en de Kaapkolonie over vrachtverdeling en vrachttarieven, nog te kunnen rekenen op de steun van de Kaapse Afrikaners. Weliswaar hadden zij in 1880-1881 de kant van de Transvalers gekozen, maar onder invloed van Krugers spoorwegpolitiek waren bij hen particularistische sentimenten weer de boventoon gaan voeren. Juist zij, meest veetelers en landbouwers, zouden profiteren van de door Rhodes nagestreefde, door Kruger afgewezen economische eenwording van Zuid-Afrika. Ook van de steun van de Engelse regering was Rhodes verzekerd. Lord Salisbury, de conservatieve eerste minister, en diens unionistische minister van Koloniën Joseph Chamberlain deelden het oordeel van de Kaapse premier dat de Britse positie in Zuid-Afrika op het spel stond. Chamberlain, in 1881 onder Gladstone minister van Handel, beschouwde zijn steun aan de totstandkoming van de Conventie van Pretoria nu als een onvergeeflijke fout: wat bedoeld was geweest als een tijdelijk toegeven, dreigde uit te lopen op een definitief terugtrekken. In de jaren sinds 1881 was Chamberlain tot de overtuiging gekomen dat, wilde Engeland zich in de twintigste eeuw als grote mogendheid kunnen handhaven naast de Verenigde Staten en Rusland, continentale giganten in opkomst, het noodzakelijk was het Brits imperium om te vormen tot een imperiale federatie van zelfbesturende dominions, waarbinnen het Engelse moederland slechts in zaken van defensie, buitenlands beleid en buitenlandse handel het laatste woord behield. Dat ook Zuid-Afrika van zo’n federatie deel moest uitmaken, vloeide voort uit de strategische ligging van de Kaap. De onafhankelijkheid van de Boerenrepublieken, van de Zuid-Afrikaansche Republiek vooral, vormde evenwel een hinderpaal voor de totstandkoming van een Zuid-Afrikaans dominion.
Rhodes plan mislukte jammerlijk. Dr. L.S. Jameson was met een troepenmacht van de British South Africa Company gestationeerd aan de westelijke grens van de Zuid-Afrikaansche Republiek, ten einde de republiek weer onder Brits gezag te brengen zodra de door Rhodes bewapende uitlanders in Johannesburg in opstand zouden komen. Jameson trok echter op 31 december 1895 de Transvaalse grens over zonder het begin van die opstand af te wachten. Vervolgens bleef de opstand uit. Jameson werd op 2 januari 1896 met zijn troepen in Doornkop bij Krugersdorp tot overgave gedwongen. De mislukking van deze Jamesonraid leek het einde van de Britse aanwezigheid in Zuidelijk Afrika nog dichterbij te brengen. Ze stuwde de Brits-Duitse koloniale spanningen naar een hoogtepunt, ze sloeg de moeizaam gesmede coalitie tussen de uitlanders en het Britse imperiale gezag aan stukken en ze dreef de Afrikaners in heel Zuid-Afrika opnieuw op één hoop. In de Kaapkolonie werd Rhodes, steun en stut van het Britse streven naar herstel van paramountcy, onmiddellijk na de Jamesonraid door de Afrikaner Bond ten val gebracht. De verkiezingen die enkele weken later in Oranje Vrijstaat werden gehouden, brachten een overwinning voor de Kruger-gezinde nationalisten. In 1897 kwam een of- en defensieve alliantie tussen Oranje Vrijstaat en de zich in hoog tempo bewapenende Zuid-Afrikaansche Republiek tot stand.
Chamberlain weigerde te berusten in wat schijnbaar onvermijdelijk was geworden. Vooralsnog kon hij echter alleen maar afwachten. Zijn conservatieve collega’s in het kabinet steunden weliswaar zijn streven naar herstel van het Britse overwicht in Zuid-Afrika, maar over de levensvatbaarheid van de door hem bepleite imperiale federatie hadden zij hun twijfels. Zeker schrokken zij terug voor een oorlog met de Zuid-Afrikaansche Republiek om de vorming van een Zuid-Afrikaans dominion als onderdeel van zo’n federatie mogelijk te maken, bevreesd als ze waren dat die oorlog zou leiden tot de val van de regering. Ook Chamberlains hoop dat de financiële problemen van de Portugese regering de Engelsen alsnog in staat zouden stellen de Delagoabaai onder hun gezag te brengen, ging niet in vervulling. Wel kwam in 1898 als uitvloeisel van een Brits-Duitse lening aan Portugal een geheim akkoord tussen Engeland en Duitsland tot stand over de verdeling van het Portugese koloniale bezit in geval van een Portugees staatsbankroet. Duitsland gaf daarbij zijn aspiraties ten aanzien van Zuid-Mozambique op, en daarmee zijn beschermheerschap over de Zuid-Afrikaansche Republiek.
Terwijl de Engelse regering afwachtte, groeide de door ‘imperialistische’ kringen op haar uitgeoefende druk om snel in te grijpen. Vooral de Britse gezagsdragers in Zuid-Afrika, en onder hen met name de Hoge Commissaris A. Milner, pleitten ervoor om zo spoedig mogelijk een einde te maken aan de onafhankelijkheid van de Boerenrepublieken. De verkiezingsoverwinning van de Afrikaner Bond in de Kaapkolonie in 1898 en de overweldigende meerderheid waarmee Kruger in datzelfde jaar de presidentsverkiezingen in de Zuid-Afrikaansche Republiek won, schenen aan te geven hoe weinig tijd de Engelsen nog maar hadden. Milners kans kwam toen Kruger zich begin 1899 bereid toonde tot een compromis met de uitlanders. Chamberlain interpreteerde deze bereidheid als een teken van zwakte en besloot, op instigatie van Milner, door te tasten. Hij oefende zware diplomatieke druk uit op Kruger om onmiddellijk tegemoet te komen aan alle eisen van de uitlanders. Tegelijkertijd werd het Britse leger in Zuid-Afrika versterkt. In die crisissfeer realiseerden de Transvalers zich dat ze zouden moeten toeslaan voor de Britse troepenmacht in Zuid-Afrika zo groot zou zijn dat ze de Boeren volstrekt kansloos liet. Op 9 oktober 1899, terwijl de Engelse regering de laatste hand legde aan de redactie van háár ultimatum, eiste de Zuid-Afrikaansche Republiek ultimatief de terugtrekking van de Britse versterkingen. De Engelse regering weigerde. Daarop verklaarden de Zuid-Afrikaansche Republiek en Oranje Vrijstaat op 11 oktober Engeland de oorlog.
De Boeren vielen de Kaapkolonie en Natal binnen, maar in plaats van de havens en spoorwegen onbruikbaar te maken, waarvan de Engelsen afhankelijk waren voor de aanvoer van troepen en voorraden, en de Kaapse Afrikaners tot opstand aan te zetten, stelden zij zich tevreden met het belegeren van garnizoensplaatsen nabij hun grenzen en het innemen van goede defensieve stellingen. Vanuit die stellingen konden zij het eerste Britse offensief stuiten en de Engelsen zware nederlagen toebrengen. Een tweede Brits offensief, onder lord Roberts, had echter succes. Het leidde tot de capitulatie van generaal P.A. Cronjé bij Paardeberg (27 februari 1900) en tot de verovering van Bloemfontein (13 maart), Johannesburg (5 mei) en Pretoria (6 juni). Op 24 mei annexeerde Roberts Oranje Vrijstaat als Oranjerivierkolonie, op 1 september de Zuid-Afrikaansche Republiek als Transvaal. Hij kondigde aan de Boeren die hun verzet voortzetten als rebellen te zullen behandelen. Kruger verliet zijn land in september 1900; aan boord van het Nederlandse oorlogsschip de Gelderland reisde hij naar Europa. In november 1900 droeg Roberts het opperbevel over de Britse troepen in Zuid-Afrika over aan lord Kitchener. Ten einde het laatste verzet van de Boeren te breken gaf Kitchener opdracht hun boerderijen plat te branden en hun vrouwen en kinderen te interneren in concentratiekampen; de omstandigheden waren daar zo slecht dat ruim 25.000 van hen, meest kleine kinderen, stierven. Door deze ‘verschroeide aarde’-tactiek dwongen de Engelsen inderdaad veel Boeren om de wapens neer te leggen. Ca. 15.000 ‘bittereinders’ zetten echter de strijd voort. Opererend in kleine, uiterst mobiele commandogroepen wisten zij door middel van een guerrillatactiek te verhinderen dat het 250.000 man sterke Britse leger het gebied van de voormalige Boerenrepublieken volledig onder controle kreeg. Eind 1901 slaagden ze er zelfs weer in in de Kaapkolonie offensief op te treden; onder invloed daarvan braken onder de Kaapse Afrikaners kleine opstanden uit.
De Boeren trachtten de strijd zo lang mogelijk voort te zetten in de hoop dat ingrijpen van bevriende Europese mogendheden hun onafhankelijkheid zou kunnen redden. Maar hoewel de publieke opinie op het Europese continent vrijwel unaniem pro-Boer was, bleef een dergelijke interventie uit. Te zeer waren de belangen van de grote Europese mogendheden aan elkaar tegengesteld om een gezamenlijk optreden tegen Engeland mogelijk te maken. Te wankel was het Europese evenwicht om één van de mogendheden toe te staan solistisch op te treden ten gunste van de Boeren. Toen ook Abraham Kuyper in zijn abortieve bemiddelingspoging in de winter van 1901-1902 de incorporatie van de Boerenrepublieken in het Brits imperium als onvermijdelijk bleek te beschouwen, besloten de Boerenleiders te capituleren. Op 31 mei 1902 kwam de Vrede van Vereeniging tot stand. De Boeren gaven hun onafhankelijkheid op, in ruil voor de vrijlating van alle krijgsgevangenen, een beperkte bescherming van de Nederlandse taal in rechtspraak en onderwijs en Britse hulp bij de wederopbouw. Op termijn, zo beloofde de Engelse regering, zouden Transvaal en de Oranjerivierkolonie binnenlands zelfbestuur kunnen krijgen.

De paradox van overwinning en nederlaag

De onderwerping van de Boerenrepublieken was voor Engeland een kostbare operatie geweest: 22.000 doden, £ 200 miljoen en algemene internationale afkeuring waren de tol die betaald moest worden. Wat die operatie niet bewerkte was de ondergang van het Afrikaner nationalisme. Integendeel. De Tweede Boerenoorlog en met name het langdurige verzet van de ‘bittereinders’ had dat sterker dan ooit gemaakt, tot een alle Afrikaners in Zuid-Afrika verenigende, in de ogen van unionisten als Milner en Chamberlain gevaarlijke politieke factor. In de jaren na de Vrede van Vereeniging bleek ook Milner als Hoge Commissaris niet in staat alsnog met dit Afrikaner nationalisme af te rekenen. De door hem gewenste massale immigratie vanuit Engeland, die de Afrikaners tot een minderheid in Zuid-Afrika had moeten maken, bleef uit; in 1911 vormden de Afrikaners nog altijd meer dan de helft van de blanke Zuid-Afrikaanse bevolking. Zij koesterden weerzin tegen Milners beleid, weerzin tegen de beperkingen op het gebruik van het Nederlands, tegen de door velen onjuist geachte aanwending van de herstelfondsen, tegen de komst van Chinese contractarbeiders. Het was, in belangrijke mate, de weerzin van een verslagen volk, versterkt door de armoede die onder de Afrikaners om zich heen greep als gevolg niet zozeer van een falend herstelbeleid als wel van de langdurige droogte die Zuid-Afrika in de jaren 1903-1908 teisterde. Cultureel manifesteerde het Afrikaner nationalisme zich in de oprichting van Nederlandstalige scholen voor Christelijk Nationaal Onderwijs. In kringen van dit Christelijk Nationaal Onderwijs ontstond de Tweede Taalbeweging, die ijverde voor het Zuid-Afrikaans als landstaal in plaats van het Nederlands.
Politieke manifesteerde het Afrikaner nationalisme zich in deze fase in organisaties als Het Volk in Transvaal en Orangia in de Oranjerivierkolonie. Beide organisaties werden in 1904 opgericht als belangenverenigingen van Afrikaner landbouwers en traden in 1905 naar buiten voor wat ze werkelijk waren: nationalistische politieke partijen die ijverden voor de verlening van zelfbestuur aan de voormalige Boerenrepublieken. De grote verdienste van de leiders van deze partijen was dat zij erin slaagden aan het uitgesproken anti-Engelse sentiment dat bij hun aanhang leefde een constructieve articulatie te geven. Met name de Transvaalse voormannen Louis Botha en Jan Smuts, de een een pragmatische landbouwer zonder enige formele opleiding, afkomstig uit de voormalige Nieuwe Republiek, de ander een jurist en intellectueel, opgeleid in Stellenbosch en Cambridge, beiden in de jaren 1899-1902 generaal in het leger van de Zuid-Afrikaansche Republiek en bij de onderhandelingen in 1902 in Pretoria en Vereeniging voorstander van vrede, waren in dit opzicht representanten van een nieuwe generatie Boerenleiders. Met succes maakten zij gebruik van de onvrede die in de Engelstalige gemeenschap bestond over de geringe vorderingen die werden gemaakt op de weg naar Transvaals zelfbestuur. Het uiteindelijke resultaat was een monsterverbond tussen Het Volk en de Engelstaligen die aan spoedig zelfbestuur de voorkeur gaven boven zekerstelling van een blijvend Engels overwicht in de kolonie.
Aan Britse zijde werden met het vertrek van Milner als Hoge Commissaris in maart 1905 en de val van de unionistische regering in december van datzelfde jaar de belangrijkste obstakels op de weg naar zelfbestuur voor de voormalige Boerenrepublieken weggenomen. Tijdens zijn bezoek aan Londen, begin 1906, vond Smuts bij het nieuwe liberale kabinet een willig oor voor zijn verlangens. Premier Henry Campbell-Bannerman wilde de Afrikaners, onderworpen in een oorlog die de liberalen zo verdeeld had, tegemoetkomen, al was het maar om de zorgvuldig toegedekte wonden in zijn partij te laten helen. In maart 1907 kreeg Transvaal zelfbestuur, in juni van dat jaar de Oranjerivierkolonie. De verschuiving in de verhoudingen in Zuid-Afrika werd bezegeld met de verkiezingen in de Kaapkolonie in januari 1908, toen Jamesons unionistische Progressive Party het veld moest ruimen voor de op de Afrikaner Bond steunende Suid-Afrikaanse Party van J.X. Merriman.
Iets meer dan vijf jaar na de ondergang van de Boerenrepublieken waren de Afrikaners ten slotte dus toch de politiek dominante groep in Zuid-Afrika geworden. Voor het eerst bleek nu ook de weg naar een vereniging van de Britse koloniën in Zuid-Afrika begaanbaar. Verschillende factoren werkten in die richting. In de eerste plaats was daar, in gemodificeerde vorm, nog altijd het traditionele, ‘imperialistische’ argument van de unionisten dat slechts in het verband van een politiek verenigd Zuid-Afrika voorkomen kon worden dat de afzonderlijke koloniën in het najagen van hun eigen economische belangen elkaar verzwakten. Maar er kwamen andere overwegingen bij. Bovenal telde het nationalistische argument dat een verenigd Zuid-Afrika de beste waarborg was tegen Britse bemoeienis met Zuid-Afrika’s binnenlandse aangelegenheden. Bij de blanke publieke opinie, Afrikaners zowel als Engelstaligen, leefde met name de vrees dat de Britse overheid op den duur wel eens gevoelig kon blijken voor de politieke eisen, steeds krachtiger geventileerd, van zwarten, Aziaten en kleurlingen.
Het verenigd Zuid-Afrika, met een unitaire en niet, zoals sinds de jaren zeventig door Londen als het hoogst haalbare was gezien, een federale structuur, kwam in 1910 tot stand. De Transvaler Louis Botha werd de eerste premier, aanvoerder van een kabinet waarin alle politieke richtingen zich konden herkennen. Het streven van Botha en zijn rechterhand Smuts was Engelstaligen en Afrikaners te verenigen tot één Zuid-Afrikaanse natie die zich een volwaardig deelgenoot zou weten in het Britse gemenebest. Het was een ideaal dat delen van de Afrikaner gemeenschap veel te ver ging. Zij vonden hun kampioen in J.B.M. Hertzog, een jurist, afgestudeerd aan de Amsterdamse Gemeentelijke Universiteit, generaal tijdens de Tweede Boerenoorlog en als minister van Onderwijs in de Oranjerivierkolonie verantwoordelijk voor een omstreden wet die de daadwerkelijke gelijkstelling van onderwijs in en van het Engels en het Nederlands regelde. Volgens Hertzog leidde het beleid van Botha en Smuts tot een verengelsing van de Afrikaners. Hij bepleitte in plaats daarvan een politiek die recht deed aan de culturele eigenheid van de Afrikaner bevolking. Het bracht hem, als minister opgenomen in Botha’s kabinet, regelmatig in botsing met zijn collega’s. Zijn pleidooi voor het recht van Zuid-Afrika om een eigen buitenlands politieke koers te varen leidde uiteindelijk in 1912 tot zijn verwijdering uit het kabinet en een scheuring in de Suid-Afrikaanse Party, de formatie waarin na de totstandkoming van de Unie alle Afrikaner partijen waren opgegaan. In januari 1914 richtte Hertzog samen met generaal Christiaan de Wet de Nasionale Party op.
Uit de nationalistische kring rond Hertzog kwamen degenen voort die in 1914, toen de regering-Botha in navolging van Engeland Duitsland de oorlog verklaarde, in opstand kwamen. De ‘Rebellie’, zoals de opstand genoemd werd, was het product van romantisch idealisme en verbitterde frustratie tegelijk. De opstandelingen weigerden de oorlogsinspanning van het vermaledijde Engeland te ondersteunen, weigerden aan de zijde van de Britten op te trekken tegen nota bene Duitsland, dat zolang als beschermheer van de Boerenrepublieken was opgetreden. Tegelijkertijd zagen zij in het Europese conflict dat Engeland nu de handen bond de uitgelezen gelegenheid om alsnog, met hulp wellicht van Duitsland, de Afrikaner onafhankelijkheid te bewerkstelligen. De opstandelingen waren echter kansloos tegen het moderne Zuid-Afrikaanse leger. Binnen enkele maanden was de Rebellie bedwongen, maar de opstand versterkte de gelederen van de Nasionale Party. Vooral na de Eerste Wereldoorlog, toen Botha als regeringsleider was opgevolgd door Smuts, kregen de nationalisten de wind in de zeilen. Smuts’ onderdrukking van stakingen van zwarte en blanke mijnwerkers (1920 respectievelijk 1922) en de algemene economische malaise deden de populariteit van de Suid-Afrikaanse Party geen goed. De verkiezingen die Smuts in 1924 uitschreef werden door hem verloren. Met steun van de Labour Party kon Hertzog het roer overnemen. Het was een belangrijk moment in de Zuid-Afrikaanse geschiedenis. Hertzogs verkiezingsoverwinning markeerde het failliet van het streven Afrikaners en Engelstaligen tot één Zuid-Afrikaanse natie te smeden, een streven dat door Botha en Smuts was gezien als de enig begaanbare weg naar Zuid-Afrikaanse zelfstandigheid. De verkiezingsoverwinning van Hertzog was de overwinning van de conservatieve Afrikaners, die Zuid-Afrika in de eerste plaats zagen als hun land. Zij zouden in hoge mate de toekomst van Zuid-Afrika bepalen.

[1] Zie voor overzichten van de diverse imperialisme-theorieën: H.U. Wehler (Hrsgb.), Imperialismus. Keulen 19763; W.J. Mommsen, Theories of imperialism. Chicago 1980; N. Etherington, Theories of imperialism. War, conquest and capital. Londen/Canberra 1984. Cf. M. Kuitenbrouwer, Nederland en de opkomst van het moderne imperialisme. Koloniën en buitenlandse politiek 1870 – 1902 (Amsterdam/Dieren 1985) 7-17.

[2] Het hierna volgende overzicht van de Zuid-Afrikaanse geschiedenis is gebaseerd op C.F.J. Muller (red.), 500 jaar Suid-Afrikaanse Geskiedenis. Pretoria 19803, de meest recente Afrikaner versie van de Zuid-Afrikaanse geschiedenis, en op ‘liberale’ Engelstalige varianten: M. Wilson, L. Thompson, The Oxford history of South Africa. 2 dln. Londen 1969-1971; T.R.H. Davenport, South Africa. A modern history.Londen 19873. Daarnaast werden geraadpleegd: R. Robinson, J. Gallagher, in samenwerking met A. Denny, Africa and the Victorians. The official mind of Imperialism. London 1961; D.K. Fieldhouse, Economics and Empire 1830-1914 (Londen 1973) ch. x; J.A. Benyon, Proconsul and paramountcy in South Africa: the High Commission, British supremacy and the subcontinent 1806-1910. Pietermaritzburg 1980; cf. H.L. Wesseling, Verdeel en heers. De deling van Afrika (Amsterdam 1991) 323-412. Voor een gedetailleerd literatuuroverzicht: cf. Davenport 19873.