Het uitbreken van de Eerste Boerenoorlog ontketende in Nederland een brede, de traditionele partijscheidslijnen overstijgende actie ten gunste van de Boeren. Evenals in 1877 voelde men bekommernis met het lot van de verre stamverwanten en meende men dat Nederland, zelf een kleine staat, alleen al uit zelfbehoud moest spreken telkens wanneer kleine staten het slachtoffer werden van de machtspolitiek van grote mogendheden. Die laatste overweging leek nog aan urgentie te hebben gewonnen in het licht van de recente problemen met Engeland over Borneo. Maar er was meer. Anders dan in 1877 inspireerde nu de houding van de Boeren zelf tot een golf van nationaal enthousiasme. Hun demonstratie van eensgezindheid, hun moed en vooral hun overwinningen op de Engelsen en het herstel van hun republiek deden een natie die twijfelde aan haar toekomst het geloof in zichzelf hervinden. Voor het eerst manifesteerde zich in Nederland een nationalistisch sentiment dat ook het ‘volk achter de kiezers’ greep.
In dit klimaat was geen ruimte meer voor kritische geluiden over het karakter van de Boeren, over hun starre orthodoxie en over ‘het lot der zwarten in Transvaal’; ‘mannen’, zo schreef de historicus Robert Fruin, ‘die zoo moedig zijn in den strijd en zoo vrij van overmoed na een roemrijke overwinning, kunnen onmogelijk de gebreken hebben, die het vooroordeel hun heeft toegedicht.’[1] Die vooroordelen werden nu ook met kracht bestreden. Theodore Tromp, Burgers’ voormalige particuliere secretaris, die zich na de val van de door hem blind bewonderde Transvaalse president had opgeworpen als meedogenloos criticaster van de Boeren, retireerde zonder aarzeling bij hun eerste successen tegen de Engelsen: ‘Wat wij ook gedurende de laatste jaren van die boeren hebben gezegd of gedacht, de flinke houding, nu door hen aangenomen, geeft hun aanspraak op onze volle sympathie.’[2]
Met vaardige hand werd nu ook in liberale kring een monument voor de Boeren gebouwd: door H.A.L. Hamelberg, van 1856 tot 1871 woonachtig in Oranje Vrijstaat en sindsdien consul-generaal van de Vrijstaat, in het Algemeen Handelsblad, door J.A. Roorda Smit, een van de inmiddels naar Nederland teruggekeerde Hollanders in Burgers’ republiek, in het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad, door de aardrijkskundige P.J. Veth in De Gids.[3] De Boeren werden gehuldigd als de geuzen van de negentiende eeuw. Hun geschiedenis werd het verhaal van een romantische vrijheidsstrijd, eerst tegen de Verenigde Oostindische Compagnie, vervolgens tegen de Engelsen. De Grote Trek werd een moderne Robinsonade, vergeleken soms met de uittocht van het volk Israëls uit Egypte. Waar de Boeren vroeger voor achterlijk en dom waren versleten en werden veroordeeld om hun luiheid, hun traagheid en hun afkeer van vreemdelingen, werden ze nu ook in liberale kring geprezen als eenvoudige lieden, zonder veel scholing, maar met een gezond verstand, voorzichtig, bedaard en gehecht aan eigen zeden en gewoonten.
Met name trachtte men de beschuldiging te weerleggen als zouden de Boeren de zwarten in hun land mishandelen en minachten. R. Macalester Loup, de jeugdige maar bezadigde hoofdredacteur van Het Vaderland en schrijver van het ‘Politiek overzicht’ in De Gids, meende nog dat moeilijk kon worden ontkend dat in de klachten die dienaangaande ten tijde van de annexatie van Engelse zijde waren geuit een element van waarheid stak, al gaf hij toe dat ‘het zeker Engeland in de allerlaatste plaats paste op dat stuk verwijten te doen hooren’.[4] De Nieuwe Rotterdamsche Courant deed dergelijke beschuldigingen nu echter af als ‘lasterpraatjes’, ‘het humanitaire gewawel der Anti-Slavery en Aborigenes’ Protection Societies, met haren aanhang van geestelijken, godzalig trotsche Lords en rijke oude vrijsters’.[5] Dat ging zendingsman Neurdenburg te ver – hij drong aan op een eerlijk onderzoek.[6]Maar P. Huet, nog in 1877 ten tonele verschenen als kroongetuige van de wreedheden van de Transvaalse Boeren jegens de zwarten, nam nu voorzichtig afstand van zijn eerdere kritiek:

‘Wellicht zou ik thans met meer zachtmoedigheid ook over deze dingen oordeelen en meer in aanmerking nemen den veelszins onbeschaafden toestand der blanken zelven in dien dagen. Zeker is dat in twintig jaren […] overal en vooral in Zuid-Afrika veel is veranderd.’[7]

Huet voelde zich thans geroepen zijn ‘onverheelde sympathie met onze stamverwanten in Transvaal’ te betuigen.
Kuyper bezag deze plotselinge sympathie voor de Boeren in liberale kring met voldoening, maar niet zonder cynisme. Hij wees erop hoe De Standaard het al drie jaar eerder voor de Boeren had opgenomen. Ook anderen, zo gaf hij toe, hadden toen geprotesteerd tegen de annexatie, maar ‘[d]e beweging hier te lande was toen voor Burgers tegen de Boeren, terwijl wij alleen voor de Boeren tegen Burgers partij kozen’. Het zou, zo meende Kuyper, ‘aan Regeering en Publieke Opinie veeleer betamen schuld te belijden, d.w.z. te belijden de hoogst ernstige schuld, dat men zelf de annexatie in de hand heeft gewerkt, doordien men een groep van zeldzaam kloeke en geloovige mannen heeft helpen verguizen en in den steek heeft gelaten, ja zelfs in de naam der zending voor het Evangelie, ze om hun eer en goeden naam bracht.’ Kuyper geloofde ook niet dat de brede pro-Boerbeweging in Nederland wortelde in een krachtig ontwikkeld rechtsbesef:

‘Op dat punt toch is ons Nederlandsche volk, gelijk men weet, bijna tot volkomen stompzinnigheid vervallen.[…] Denk aan Atjeh.
Toen waren wij zelven de overvrome Bartle Frère’s en het nu half uitgemoorde Atjeh was de Transvaal.[…] Niet dus het geschonden rechtsbesef, maar het nationale bloed spreekt in de sympathie die opwaakte.’

Kuyper sloeg de betekenis van al die sympathie voor Transvaal daarom niet hoog aan:

‘Immers, als men nu eens alles saâm neemt, wat is er dan dusver eigenlijk voor de Transvaal gedaan?
[…] óverloopende is de stroom van kracht, waarin deze sympathie zich uit, nog niet.’[8]

Nederlandse reacties

Evenals in 1877 bleef krachtig diplomatiek optreden van Nederlandse zijde ten gunste van de Boeren achterwege. In politieke kringen in Engeland bestond wel begrip voor de Nederlandse sympathie voor de Boeren, maar de anti-Britse toon die men meende te beluisteren in tal van manifesten, adressen en artikelen in kranten en tijdschriften, riep, niet in de laatste plaats aan het Britse hof, irritaties op.[9] Iemand als de Britse Hoge Commissaris in Zuid-Afrika, sir H.B.E. Frere, die met bezorgdheid de ontwakende koloniale aspiraties van Duitsland bezag, meende zelfs verband te zien tussen de Nederlandse pro-Boer lobby en de door hem gesignaleerde kringen in Nederland ‘who looked forward to the ultimate absorption of Holland in the Germanic Empire’.[10] Het bracht lord Granville, de Engelse minister van Buitenlandse Zaken, er in ieder geval toe bij de Nederlandse gezant in Londen, Ch.M.E.G. graaf van Bylandt, bezorgd te informeren of de regering in Den Haag voornemens was de sympathiebetuigingen van de publieke opinie in Nederland aan het adres der Boeren officieel te ondersteunen. Bylandt kon de Britse minister geruststellen. Hij verklaarde te hopen ‘dat het doel der Britsche regeering steeds was en bleef om na verloop van tijd aan de Boers van Transvaal eene zekere mate van onafhankelijkheid terug te geven, waardoor rust, orde en tevredenheid in die streken kan terugkeeren’, maar verzekerde dat geen stappen van de Nederlandse regering te dien einde te verwachten waren.[11] Minister van Buitenlandse Zaken C.Th. baron van Lynden van Sandenburg haastte zich deze verklaring van de gezant te bevestigen.[12] Heel even leek er, begin februari, voor Van Lynden van Sandenburg nog aanleiding zijn houding te heroverwegen. De minister werd geconfronteerd met een particulier schrijven van het Lagerhuislid H. Richard, tevens secretaris van de Peace Society, waarschijnlijk aan D. van Eck, lid van de Tweede Kamer en voorzitter van het Algemeene Nederlandsche Vredebond, waarin hij te kennen gaf dat naar zijn oordeel de Engelse regering iedere mogelijkheid om zich op eervolle wijze uit Transvaal terug te trekken met beide handen zou aangrijpen. Tegelijkertijd drong jhr. G.J.Th. Beelaerts van Blokland, referendaris op het departement van Justitie en beschikkend over uitstekende contacten in Engelse politieke kringen, aan op een formeel Nederlands bemiddelingsaanbod. Van Lynden van Sandenburg, die hoopte op een gelegenheid om zich met een groots gebaar te onderscheiden in het oog van een geagiteerde natie, achtte een en ander aanleiding genoeg om Bylandt in Londen officieus te laten polsen of een dergelijk aanbod op prijs zou worden gesteld.[13] De gezant ving echter bot, waarop de minister vasthield aan zijn oorspronkelijke standpunt.[14]
Begin maart werd Van Lynden van Sandenburg zowel in de Eerste als in de Tweede Kamer geïnterpelleerd over het gevoerde beleid:[15] ‘heeft’, zo vroeg op 1 maart het conservatieve Eerste Kamerlid W.A.A.J. baron Schimmelpenninck van der Oye, ‘de oorlogstoestand in de Transvaal aan de Regeering aanleiding gegeven om te trachten tot herstel van den vrede mede te werken, of bestaat er vooruitzigt daarop?’[16] In zijn antwoord gaf de minister in bedekte bewoordingen te kennen dat hij officieus mediatie had aangeboden, maar dat die door Engeland was geweigerd, waarna hij had afgezien van een officieel aanbod, dat immers slechts échec had kunnen leiden. Voor het overige beklemtoonde hij dat ‘de positie van Nederland, even als van elke andere Mogendheid, […] de positie [is] van een derde, dat wil zeggen van een buiten de twistende partijen staanden Staat’.[17] Voor zowel de Eerste als een week later de Tweede Kamer was het antwoord van de minister bevredigend. Alleen L.W.C. Keuchenius, de antirevolutionaire koloniale specialist in de Tweede Kamer, drong nader aan:

‘de vrees van onze neutraliteit te schenden, de erkenning dat wij welwillendheid van de zijde van Engeland hebben ondervonden in onze Atjeh-aangelegenheden […], zij mogen ons niet terughouden van te spreken voor onze stamgenooten.[…] De betrekking, welke ons aan die stamgenooten verbindt, geeft ons […] het regt om minder bezorgd te zijn voor een schending der neutraliteit, dan de Minister van Buitenlandse Zaken […] schijnt te verlangen.’[18]

Maar de minister betoonde zich opnieuw afhoudend: ‘Een stamverwantschap die ons leidt en noopt tot medelijden met hen, die onze stamgenooten zijn, is nog geen bondgenootschap, dat ons verpligting oplegt den strijd voor die niet-bondgenooten mede te aanvaarden.’[19] De minister wist zich daarbij gesteund door vrijwel de gehele Kamer en een motie om de minister tot daadwerkelijke actie aan te sporen, waarmee Keuchenius had gedreigd, bleef daarom achterwege. Bij regering en parlement overheerste de zorg om handhaving van ‘de meest strikte, de meest ernstige onzijdigheid’;[20] allen schenen, met een schuin oog naar Duitsland, het oordeel van de gezant Bylandt te delen ‘dat in den tegenwoordigen politieken toestand van Europa, die zeker ver van bevredigend is, het voor Nederland van het grootste belang moet zijn alles te vermijden wat bij de Britsche regeering een gevoel van wreevel tegen ons zou kunnen opwekken’.[21]
Ook buiten het parlement, in de toonaangevende pers, werd de regering in haar voorzichtigheid gesteund. Zelfs in radicale en antirevolutionaire kringen, waar onder het motto ‘waar een natie spreekt, mag haar regeering niet zwijgen’[22] het krachtigst was opgeroepen tot een actieve Nederlandse diplomatie en men geneigd was de houding van regering en parlement als te gematigd en te weinig nationaal-zelfbewust te beschouwen, werd het beleid van de minister van Buitenlandse Zaken uiteindelijk gebillijkt. Het Algemeen Handelsblad stelde na afloop van de interpellatie door Schimmelpenninck van der Oye in de Eerste Kamer nog vast ‘dat het volle gewicht van de zaak aan het departement niet voldoende is begrepen’.[23] De interpellatie door de liberaal L.E. Lenting in de Tweede Kamer maakte echter ‘een aangenamer indruk’ en de krant prees het optreden van de minister als ‘ronder, minder diplomatisch angstig’.[24] Ook Kuyper, die in De Standaard bij herhaling had aangedrongen op Nederlandse stappen bij het Hof van St. James, een Nederlands bemiddelingsaanbod ‘een eere voor ons land, een uitkomst voor Engeland en een redding voor de dappere Boeren’ had genoemd[25] en Van Lynden van Sandenburgs betoog in de Eerste Kamer nog ‘zoo koeltjes’ had gevonden,[26] toonde zich na Lentings interpellatie tevreden, onder dankzegging aan ‘den heer Keuchenius voor zijn zetten van puntjes op de i, en den Minister voor zijn mindere bedeesdheid’.[27]Natuurlijk werd er door sommigen wel anders gedacht. In een particulier schrijven aan de Rotterdamse bankier A.S. van Reesema bleek A.G.C. van Duyl, de hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, persoonlijk allesbehalve ingenomen met de Nederlandse voorzichtigheid:

‘ik moet u eerlijk zeggen, dat ik mij soms afvraag of wij nog Nederlanders zijn. Het schijnt, dat wij voor dien Engelschen boeman zoo bang moeten zijn, dat wij niet meer mogen spreken. Waarom? […] Indien de Oost wezenlijk blijkt te wezen het groot kerkhof van moraal, ondernemingsgeest en zedelijken moed en indien wij uit angst voor onze tropische kolonie niet meer durven spreken, waar zwijgen bijna misdadig worden zou, dan verdient eenige overweging, of het maar niet beter zou zijn, er die kostelijke Oost eens aan te wagen. Ik voor mij zou ze dan met genoegen zien verzinken.’[28]

Het was echter een geluid dat binnenskamers bleef en in het publieke, politieke debat geen werkelijke rol speelde.
Bleef Nederlands diplomatiek optreden in Londen achterwege, de Nederlandse publieke opinie kwam met kracht voor de Boeren op, en dat niet alleen bij eigen parlement, regering en vorst. In brochures en artikelen wendden vooraanstaande Nederlanders als R. Fruin, J. de Louter en W.H. de Beaufort zich rechtstreeks tot de Britse of, breder, de internationale publieke opinie.[29] En overal in Nederland werden adresbewegingen ten gunste van de Boeren georganiseerd. Lion Cachet hield door het hele land lezingen over de Transvaalse worstelstrijd. Op 21 januari 1881 sprak hij voor een vergadering van het christelijke Algemeen Werkliedenverbond Patrimonium in lokaal ‘De Vrede’ op het Rapenburg in Amsterdam. Na afloop van die lezing nam de vergadering het initiatief tot een reeks adressen: een sympathiebetuiging gericht aan de leiders der Boeren, ‘onze stamgenooten in Zuid-Oostelijk Afrika, met wie wij nooit hebben opgehouden ons verbonden te gevoelen door banden van afkomst en taal en godsdienst’, ‘omdat gij niet slechts strijdt voor de onafhankelijkheid van Transvaal, maar voor een groot beginsel van volkenrecht, dat iedere Staat is “Souverein in eigen kring” en dat groote Staten geen recht hebben om kleinere de wet voor te leggen of roof op hen te plegen’; een smeekschrift aan koning Willem III om ‘bij het Engelsche Gouvernement de noodige stappen tot bemiddeling te doen, opdat de bemoeilijking van onze Hollandsche broeders ophoude en hun eerlijk verkregen, met noeste vlijt ontgonnen land en de door hen gevormde republiek hun, overeenkomstig eenmaal gesloten Conventie, worde gelaten’; een adres aan de Nederlandse regering, waarin werd gevraagd een bemiddelingsaanbod te doen ‘ten einde het bestaande verschil uit den weg te ruimen, onnoodig bloedvergieten te doen ophouden, den Transvaalsche Boeren hunne zoo dierbare vrijheid weder te doen erlangen en de Engelsche Regeering de geleegenheid te geven: om eene eervolle retraite te maken’; een adres aan de Tweede Kamer om ‘de belangen onzer verdrukte stam- en taalgenooten […] in Uwe eerste vergaderingen ter sprake te brengen en bij het Gouvernement aan te dringen zich hun lot ernstig aan te trekken – en krachtig bemiddelend op te treden’; een aan koningin Victoria gericht protest tegen de Engelse politiek ten slotte, waarin ‘diepe smart’ werd uitgesproken over ‘de berooving der vrijheid en het zelfbestuur [der] Hollandsche broeders in de Transvaal’, smart ‘te dieper en te meer aangrijpend, dewijl die berooving geschiedt in naam Uwer Koninklijke Majesteit, geschiedt op last der Regeering eens volks, dat zijne tegenwoordige macht en grootheid, zijn welvaart en vrede, zijne onafhankelijk volksbestaan, en waarom niet, ook zijn roem en eere, voor niet het minste deel, naast God, aan de belangelooze trouwe hulp, de vroeden zin, den moed en de vroomheid van den Vorst [koning-stadhouder Willem III] der vaderen van diezelfde Transvalers te danken heeft’. Ruim 8000 personen ondertekenden de adressen van Patrimonium.[30] Al eerder had Henry Richard, lid van het Lagerhuis en secretaris van de Peace Society, een adres van het Algemeene Nederlandsche Vredebond aan Gladstone aangeboden.[31] Vanuit Purmerend werd het initiatief genomen tot een adres ‘aan het volk van Engeland’, dat volgens opgave van de organisatoren uiteindelijk door ca. 11.000 Nederlanders en Vlamingen werd ondertekend.[32]
Zonder twijfel het meest gezaghebbend was echter de adresbeweging georganiseerd door de bioloog Pieter Harting, hoogleraar te Utrecht. Harting was een vooraanstaand wetenschapsman, werkzaam op een breed terrein: niet alleen op dat van de algemene biologie, de zoölogie en de plantenfysiologie, maar ook op dat van de experimentele microscopie, de geologie en de antropologie. Ook maatschappelijk was Harting bijzonder actief, gedreven door een typisch negentiende-eeuws radicaal vooruitgangsoptimisme. Onder meer was hij lid van het hoofdbestuur van de Nederlandsche Maatschappij tot Afschaffing van Sterken Drank en secretaris van het voor volksonderwijs ijverende, in 1869 opgerichte Schoolverbond. Later zou hij zich nog inzetten voor het lot van de joden in Rusland.[33] Tredend in de voetsporen van zijn een half jaar eerder overleden collega G.W. Vreede publiceerde Harting op 23 december 1880, zodra hem het bericht had bereikt dat de Transvalers in opstand waren gekomen, in het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad zijn ontwerp voor een ‘adres aan de Britsche natie’.[34]Ondertekend door 6082 personen, onder wie twaalf leden van de Eerste en Tweede Kamer, drieëntwintig leden van de Colleges van Gedeputeerde Staten, tweeënvijftig gemeenteraadsleden, negenenveertig burgemeesters, eenentachtig hoogleraren, 374 predikanten, 335 officieren en eenenzestig personen van adel,[35] werd dit adres, ‘the people of the Netherlands to the people of England’, nog voor het Britse parlement op 8 januari 1881 de gebeurtenissen in Zuid-Afrika besprak, toegezonden aan koningin Victoria en bezorgd bij de leden van het Lager- en het Hogerhuis.
In de Engelse pers werd, zeker aanvankelijk, negatief gereageerd op de petities uit Nederland. Men was geneigd er een anti-Britse actie in te zien. Toch kan de toon van de verschillende adressen niet anders dan gematigd worden genoemd. Dat sommigen die toon te flauwhartig oordeelden, valt daarom beter te begrijpen dan de zorg van anderen dat de adressanten de toekomst van Nederland als onafhankelijke natie op het spel zetten. In politieke en diplomatieke kringen in ieder geval was men geneigd in de adresbeweging een onschuldige uitlaatklep te zien voor de opgekropte frustraties van ‘een kleine natie met een groot verleden’. De Nederlandse gezant in Londen kreeg slechts opdracht zich afzijdig te houden van het Purmerends comité, waarvan het gerucht ging dat het de uitzending van een vrijkorps naar Transvaal voorbereidde.[36]
Natuurlijk, in de verschillende adressen klonk harde, scherpe kritiek soms op de Engelse buitenlandse politiek, maar wat overheerste waren gevoelens van teleurstelling en bezorgdheid aan de ene, van hoop en vertrouwen aan de andere kant. Niemand verwoordde zijn teleurstelling over de Engelse politiek, het gevoel door Engeland verraden te zijn pregnanter dan P.J. Veth in zijn Gids-artikel:

‘wat er ook gebeure, de eer van Engeland schijnt mij niet meer te redden! Daarvoor is het te ver, te volhardend op het pad der ongerechtigheid voortgegaan. Ik heb die fiere natie, die door haar public spirit en haar energie zich zulk een overwegende positie in de wereld heeft verworven, die op schier ieder gebied zoovele uitstekende mannen heeft opgeleverd, van mijne jeugd af bewonderd en hare glorie bijna als die van mijn vaderland lief gehad. Maar ik heb die illusie verloren nu ik haar in Afrika heb aan ‘t werk gezien. Hoe zijt gij gevallen, o Lucifer!’[37]

Veth achtte de Engelse buitenlandse politiek verloederd door zelfgenoegzaamheid en egoïsme, ongevoelig geworden voor iedere moraliteit, een staatkunde waarin ‘schoone leuzen […] in het belang van politieke hartstochten en van tomelooze hebzucht worden geëxploiteerd’.[38] Zijn analyse werd gedeeld door de jonge Utrechtse staats- en volkenrechtgeleerde J. de Louter:

‘réaliste ou idéaliste, chauviniste ardent ou évangéliste paisable, tout Anglais est convaincu que l’Angleterre a reçu la mission providentielle de civiliser les nouveaux mondes. Comme l’Anglais pris individuellement ne doute pas de sa superiorité sur tout étranger qu’il rencontre, […] de même tout homme d’Etat estime bienheureux les peuples qui peuvent se réfugier sous le drapeau de Sa Très-Gracieuse Reine. […][Cette illusion] est dangereuse à un haut degré, parce que d’une part elle est appuyée d’une puissance vraiment formidable, tandis que d’autre part elle n’est pas accompagnée d’une pieux respect de la justice. […] la politique anglaise, une fois pénetrée d’une idée arrêtée, et reassurée quant au but qu’elle poursuit, se fait peu de scrupules quant au moyens qui conduisent. Ceux-ci perdent leur valeur morale; la justice perd sa souverainité et doit se contenter du rôle secondaire d’intermédiare servant à atteindre les bienfaits nombreux qui sont tous compris dans la domination anglaise. Partout, les aspirations d’autres peuples sont méconnues.’[39]

Ook Kuyper constateerde in deze jaren dat in de Britse natie de ‘volkstrots’ was ontwaakt, ‘in Lord Beaconsfield vleesch geworden’:

‘‘t Is deze trots, die den Engelschen de oogen verblindt, zoodanig dat ze zelfs met schade en schande niet leeren. Hier of daar in de wereld valt iets voor, waarmeê Engeland zich moet bemoeien of meent te moeten bemoeien. […] men zendt er iemand heen in den naam van Hare Majesteit, en in ‘t vast geloof, dat hij nu maar de Britsche vlag even heeft te ontplooien, om de wederhoorigen tot reden te brengen.’[40]

Maar deze teleurstelling over de Engelse politiek, deze zorg over de ontwikkeling van de Britse natie bracht vrijwel niemand tot een werkelijk anti-Britse opstelling. Harting getuigde bij voortduring nadrukkelijker van zijn gevoelens van verwantschap met de Engelsen, dan van zijn kritiek en afkeer. Hij mocht graag wijzen op alles wat Engeland en Nederland verenigde, in verleden en heden, spreken over Engeland en Nederland als over een planeet en haar satelliet, ‘chacun ayant son mouvement propre et indépendant mais cependant poursuivant le même cours dans l’espace de l’avenir, qui s’appelle le progrès’. Hij paarde grote bewondering voor Gladstone, ‘dien voortreffelijken staatsman, dien ik sedert zijn Napelsche brieven hooge vereering toedraag’, ‘un réformateur, un régénérateur de la politique, cherchant sa base véritable dans la morale, surtout dans la justice et l’équité’, aan een grenzeloos vertrouwen in de Engelse ‘fairness’. Harting rekende erop dat ‘the mighty voice of public opinion will lend such support to the present Government of England as will enable her Majesty’s Ministers to undo an act of illiberality which a Cabinet of known liberal sentiments would never have approbed or carried out’.[41]
Kuyper waardeerde Gladstone zeker niet minder dan Harting deed, maar beoordeelde zijn positie realistischer, wees erop ‘dat de omstandigheden machtiger zijn dan de leider van een Engelsch kabinet’. Ook hij echter was van oordeel dat ‘[d]e Britsche natie als zoodanig […] niet verantwoordelijk [is] voor wat in Z.-Afrika geschiedt, en het zou, en men wete dit wel, niet dan een groote ramp zijn, zoo het Engelsche volk in de schatting der wereld daalde, en zijn zedelijk overwicht minderde’.[42] Ook Veth waarschuwde in het nawoord dat hij schreef bij de publicatie van zijn Gids-artikel in brochurevorm:

‘laat de haat dien wij der Britsche staatskunst toedragen zich niet uitstrekken tot het Britsche volk! […] geen volk is rechtschapener, wanneer het slechts niet door vooroordeelen verblind is. Dit volk staat in het algemeen hoog, zeer hoog boven de tradities zijner trouwelooze politiek en de bende gelukzoekers die er de handlangers van zijn. […] laat ons niet vergeten dat wij ook aan dat volk verplicht zijn het meer en meer in te lichten omtrent het onrecht dat in zijnen naam wordt gepleegd en waarvan het onverdiend de schande mede moet dragen!’[43]

Het was het naïeve geloof in een absolute waarheid en een absolute rechtvaardigheid dat zovelen in Nederland tot de overtuiging bracht dat, was de Britse publieke opinie eenmaal correct voorgelicht, ‘het edel deel der Britsche natie’ het Nederlands protest zou ondersteunen en de Engelse regering ertoe zou brengen de Boeren hun onafhankelijkheid te hergeven.[44] Het mag typerend voor dit naïeve optimisme worden geacht dat, toen de Engelse regering daadwerkelijk toegaf aan de verlangens van de Boeren, niet de minsten in Nederland dit zonder aarzelen op het conto van de Nederlandse protesten schreven.[45]

De oprichting van de Nederlands Zuid-Afrikaanse Vereniging

Onder de individuen, de verenigingen en de comités die zich inzetten voor de zaak der Boeren werd een centrale plaats ingenomen door het Utrechtse HoofdComité tot Behartiging van de Belangen der Transvaalsche Boeren, dat zich had geformeerd rond Pieter Harting. Harting had zich bij zijn activiteiten voor de Boeren vrijwel vanaf het begin laten bijstaan door een oud-leerling, dr. H.F. Jonkman, privaat-docent voor plantensystematiek in Utrecht. Daarnaast was al spoedig een ‘raadgevende commissie’ gevormd, bestaande uit mr. J.A. Fruin, hoogleraar in het Nederlands privaatrecht en lid van de Utrechtse gemeenteraad, dr. C.H.D. Buys Ballot, hoogleraar in de natuurkunde en oprichter van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, mr. J. de Louter, hoogleraar in het staatsrecht, het volkenrecht, het administratief recht en de wijsbegeerte van het recht, dr. P. Templeman van der Hoeven, arts, en jhr. mr. G.J.Th. Beelaerts van Blokland, referendaris op het departement van Justitie, tevens corresponderend lid van het Londense Transvaal Independence Committee van captain E.H. Verney.[46] Met hun hulp stelde Harting een manifest op aan Willem III, waarin om diplomatieke stappen in Londen werd gevraagd, en maakte hij een begin met geldinzamelingen ten behoeve van de Boeren. Op 20 januari 1881 constitueerde de ‘raadgevende commissie’ zich tot HoofdComité tot Behartiging van de Belangen der Transvaalsche Boeren. Harting werd daarvan voorzitter, Jonkman secretaris. Aanleiding tot de oprichting van het HoofdComité waren de berichten als zouden ‘opgewonden Purmerenders’ de uitzending van een vrijkorps naar Zuid-Afrika voorbereiden, voor de Utrechters een teken dat de pro-Boerbeweging op een gevaarlijke manier dreigde te radicaliseren. Dat maakte het huns inziens wenselijk de ‘raadgevende commissie’ een meer permanent karakter te geven: gedragen door de gezaghebbende stem van Harting zou het HoofdComité de activiteiten van de diverse plaatselijke comités kunnen coördineren en op die manier al te radicale initiatieven in de kiem kunnen smoren. Het HoofdComité wilde de belangen van de Boeren behartigen ‘in een kalmen vredelievenden geest’ en meende dat men zich in Nederland moest beperken tot het beïnvloeden van regering en publieke opinie in Engeland. Uit vrees zich in Engelse ogen te compromitteren zag het HoofdComité er van af in contact te treden met de Boeren zelf.[47]
De meeste lokale Transvaal-comités bleken in de praktijk inderdaad bereid de politieke leiding van het HoofdComité te accepteren. Problemen ontstonden echter met het ook in januari 1881 opgerichte Amsterdamse Comité voor Transvaal. In veel opzichten was de tegenstelling tussen het HoofdComité en het Amsterdamse Comité voor Transvaal een tegenstelling tussen personen. Maar ook het verschil tussen Utrecht en Amsterdam speelde een rol. Het ging daarbij om meer dan om verschillen in intellectueel klimaat. In Utrecht heerste, zoals in grote delen van Nederland, nog een typisch negentiende-eeuwse sfeer, waarin iedereen zijn door de traditie aangewezen plaats had en kende; in zijn hoogste sociale kringen werd Utrecht beheerst door een doctrinair-liberale coterie. Amsterdam daarentegen was een moderne metropool, waar handel en industrie expandeerden en de maatschappij nieuwe sociale vormen zocht, waar antirevolutionairen en radicalen nadrukkelijk aanwezig waren en het socialisme aan kracht won.[48] Het verklaart om te beginnen het verschil in samenstelling tussen het HoofdComité en het Amsterdamse Comité voor Transvaal. Het HoofdComité was vrijwel homogeen doctrinair-liberaal; alleen Beelaerts van Blokland was orthodox – hij zou, door Kuyper tijdens de Transvaal-agitatie ‘ontdekt’, zich begin maart 1881 bij de ARP aansluiten –, maar, als enige van het HoofdComité woonachtig buiten Utrecht, was hij een voornamelijk corresponderend lid, met een overigens niet te onderschatten invloed.[49] Het Amsterdamse Comité voor Transvaal had daarentegen een brede samenstelling: naast liberalen van uiteenlopende snit telde het onder zijn leden conservatieven, radicalen en antirevolutionairen. Het meest op de voorgrond traden de flamboyante, altijd impulsieve A.G.C. van Duyl, een theoloog, nooit beroepen als predikant, sinds 1866 hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, die in 1885 door zijn directie tot terugtreden zou worden gedwongen nadat hij had besloten zijn verdere leven te delen met de schilderes Thérèse Schwartze, met wie hij pas in 1906, na de dood van zijn vrouw, in het huwelijk zou treden; de doopsgezinde, conservatieve koopman, assuradeur en reder jhr. mr. C. Hartsen, later onder Mackay minister van Buitenlandse Zaken in het eerste Coalitiekabinet; het radicale gemeenteraadslid mr. W. Heineken; Abraham Kuyper, op dat moment hoofdredacteur van De Standaard en De Heraut en hoogleraar in de godgeleerdheid aan de enkele maanden eerder geopende, zeer omstreden Vrije Universiteit; de Waalse predikant M.A. Perk, vader van de beroemde Tachtiger en onder veel meer voorzitter van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen; de kantiaan C.B. Spruyt, hoogleraar in de filosofie aan de Gemeentelijke Universiteit en leerling van Pieter Harting; de conservatieve F.C. Tromp, vader van Burgers’ gemankeerde particulier secretaris Theodore Tromp, wethouder van Publieke Werken en later, in het kabinet-Heemskerk Azn., nog ruim een jaar minister van Marine; en de advocaat mr. Jac. Wertheim, zelf behorend tot een van de toonaangevende joodse families in de stad en via zijn tweede huwelijk met de in de liefdadigheid zeer actieve jkvr. Arentina Bicker geparenteerd aan een van de oudste en meest gerespecteerde regentengeslachten.[50] Die prominente aanwezigheid van radicalen en antirevolutionairen in het Amsterdamse Comité voor Transvaal was ongetwijfeld de belangrijkste oorzaak van het mentaliteitsverschil tussen het Amsterdamse Comité en het HoofdComité. Het Amsterdamse Comité was, zo zou men kunnen zeggen, moderner, zijn nationalisme uitgesprokener en expansiever. Wilde men in Utrecht toch in de eerste plaats opkomen voor het ‘algemene’ belang van de kleine natie, in Amsterdam leefde een directere betrokkenheid met de stamverwante Boerennatie. Het gaf het Amsterdamse protest een scherper ondertoon, maakte de Amsterdammers minder geneigd Engelse gevoeligheden te ontzien en leidde ertoe dat men in Amsterdam eerder dan in Utrechtse kring oog kreeg voor de mogelijkheden die cultivering van de banden met de Zuid-Afrikaanse Boeren aan Nederland bood.
Aanvankelijk verliep de samenwerking tussen het Utrechtse HoofdComité en het Amsterdamse Comité voor Transvaal goed. De Amsterdammers ondersteunden het Utrechtse manifest aan Willem III en ze overlegden met de Utrechters over de besteding van de voor de Boeren ingezamelde gelden.[51] Het Amsterdamse Comité stelde zich in de eerste plaats ten doel humanitaire hulp aan de door het oorlogsgeweld getroffen Boeren te verlenen. In een oproep aan de Amsterdamse bevolking verklaarde het voornemens te zijn de daartoe ingezamelde gelden ter beschikking te stellen van het Nederlandse Rode Kruis.[52] Aanvankelijk evenwel weigerde het Rode Kruis ter zake op te treden; het hoofdbestuur was van oordeel dat de oorlog in Zuid-Afrika geen internationaal conflict was, maar een binnenlandse aangelegenheid van het Britse rijk.[53] Weliswaar kwam het hoofdbestuur op deze weigering terug, nadat de Engelse regering te kennen had gegeven de onzijdigheid van het Nederlandse Rode Kruis te erkennen en geen bezwaar te hebben tegen zijn optreden in Zuid-Afrika,[54] maar op de vraag van het Amsterdamse Comité voor Transvaal of het Rode Kruis bereid was gelden uitsluitend bestemd voor één der strijdende partijen, de Boeren, in ontvangst te nemen, antwoordde het ontkennend.[55] Hoe begrijpelijk dit standpunt ook was gezien de Engelse eis dat het Rode Kruis gelijkelijk hulp zou verlenen aan beide strijdende partijen,[56] in het door de gebeurtenissen in Zuid-Afrika geëmotioneerde Nederland wekte het veel wrevel. Terwijl het Oranje Kruis, eind januari 1881 in Den Haag opgericht om in plaats van het Rode Kruis hulp aan de oorlogsslachtoffers in Zuid-Afrika te geven, besloot zichzelf op te heffen toen het Rode Kruis tot optreden bereid bleek,[57] werd eind maart in het Zuid-Hollandse Linge-dorp Asperen een Groene Kruis in het leven geroepen onder leiding van de voormalige consul-generaal van de Zuid-Afrikaansche Republiek in Amsterdam, A. Roland Holst, ‘zich ten doel stellende gelden in te zamelen, die uitsluitend de Transvaalsche Boeren ten goede komen’.[58] In Rotterdam leidde de beslissing van het plaatselijke Transvaal Ambulance-Comité om zich te ontbinden en de ingezamelde gelden over te dragen aan het Rode Kruis tot ernstige meningsverschillen.[59] Kuyper veroordeelde in De Standaard de houding van het Rode Kruis als ‘tot onrecht leidende neutraliteit’; hij wees erop dat de Engelsen beschikten over hun eigen Rode-Kruiscomités, terwijl de Transvalers voor alle hulp van het buitenland afhankelijk waren.[60] Het Amsterdamse Comité voor Transvaal betreurde de houding van het hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis. Op 16 februari besloot het onder de gegeven omstandigheden zelfstandig te blijven opereren. Het op 11 februari gekozen voorlopige bestuur, bestaande uit Perk, Spruyt, Tromp en Heineken, werd nu uitgebreid met Hartsen en Kuyper en tot definitief bestuur verklaard. Het bestuur kreeg als opdracht zijn activiteiten te coördineren met het Utrechtse HoofdComité.[61] Dat besloot zelf op 17 februari voorlopig geen gelden over te maken aan het Rode Kruis; in een vertrouwelijk schrijven riep het de andere Transvaal-comités op dezelfde gedragslijn te volgen.[62]
Op diezelfde 17e februari besloot het HoofdComité in te gaan op de uitnodiging van het Amsterdamse Comité voor Transvaal, overgebracht door Hartings leerling Spruyt, aanwezig te zijn op een grote Transvaal-meeting in Amsterdam, waartoe het Amsterdamse Comité het initiatief had genomen. Op die meeting zou, zo werd besloten, namens het HoofdComité worden gesproken door J. Fruin.[63] Al spoedig echter rezen in Utrechtse kring alsnog bedenkingen tegen een dergelijke openbare manifestatie ten gunste van de Transvaalse Boeren ‘met het oog op den indruk wellicht in Engeland te weeg gebracht’.[64] Harting en De Louter brachten hun bezwaren aan de Amsterdammers over, maar wekten daarmee slechts irritaties. Van Duyl sprak van de Utrechters als van ‘vischbloedige wijzen, vreezende zich aan koud water te branden’. In zijn ogen was de manifestatie niets anders dan ‘een gansch onschuldig middel […], wat althans der verontwaardiging tijdelijk afleiding geven kon’.[65] Spruyt, welwillender toch en met meer begrip voor de Utrechtse bezwaren, liet het HoofdComité weten dat het Amsterdamse Comité in geval van een afgelasting van de manifestatie het initiatief dreigde te verliezen aan radicale groepen, ‘de “kleine burgers”, bepaaldelijk ook de antirevolutionairen’:

‘Hoe de Ruyter deed in 1672 en Tromp in ‘t jaar zooveel, daarover en over niet veel anders spreekt men in die kringen. […] Ons stil te houden ter wille van den dubbelhartigen Gladstone baat dus niet, want anderen zullen zich niet stil houden, en zouden zich zeer verheugen over een oorlog met Engeland.’[66]

Het was een argument dat indruk maakte in Utrecht; het HoofdComité toonde zich geschrokken en overtuigd. Alleen Fruin wilde volharden in een afwijzende houding. Hij bleef daarin echter alleen staan en gaf uiteindelijk toe, zij het dat hij niet langer bereid bleek om namens het HoofdComité in Amsterdam het woord te voeren. Daarop besloot het HoofdComité in zijn vergadering van 25 februari Beelaerts van Blokland, zelf niet ter vergadering aanwezig, te vragen als spreker op te treden, ‘en wel in calmerender zin’.[67]
De Transvaal-meeting vond plaats op zaterdag 5 maart 1881 om 20.00 uur in de Grote Zaal van Artis.[68]Ondanks het slechte weer – het had geijzeld – waren er 2000 aanwezigen. Ze werden toegesproken door Lion Cachet, door W.J. van Gorkom, schoolopziener in Leiden en onder Burgers superintendent van onderwijs in de Zuid-Afrikaansche Republiek, en namens het HoofdComité dus door Beelaerts van Blokland. Daargelaten enkele wat al te rabiaat anti-Engelse geluiden vanuit de zaal toen Beelaerts betoogde dat men bij de hulpverlening aan de Boeren binnen de grenzen der neutraliteit moest blijven,[69] was de manifestatie een groot succes. Beelaerts sprak van ‘een opwekkende en opgewekte meeting’.[70] Ter afsluiting van de bijeenkomst werd een drietal door Kuyper geformuleerde resoluties aanvaard, waarin de vergadering haar sympathie en bewondering uitsprak voor de Boeren, verklaarde ‘te hooge achting te koesteren voor den rechtschapen zin van het Engelsche volk, om te kunnen aannemen, dat het protest, nu reeds allerwegen in Groot-Brittannië tegen de onderdrukking der Boeren opgaande, niet weêrklank zou vinden bij heel de natie, zoodra zij slechts beter zal zijn ingelicht en de plicht om recht te doen weder hooger zal geacht worden dan eene onjuiste opvatting van prestige en eer’, en aandrong op een actieve Nederlandse diplomatie ter bevordering van de totstandkoming van vrede in Zuid-Afrika met als uitgangspunt herstel van de Transvaalse onafhankelijkheid.[71] Zelfs Fruin achtte deze resoluties ‘in gematigde zin […] gesteld’.[72]
De haast angstige voorzichtigheid van het HoofdComité, waarbij de vrees Engeland te mishagen streed om voorrang met de schrik voor antirevolutionairen, radicalen en socialisten als ondermijners van het gevestigde burgerlijk-liberale maatschappelijk bestel, leidde echter binnen enkele weken opnieuw tot tweespalt. Na de succesvolle, maar geïmproviseerde mobilisering van de publieke opinie in de eerste maanden van 1881 en in het zicht van het herstel van de onafhankelijkheid van de Zuid-Afrikaansche Republiek drong de noodzaak tot bezinning op de toekomst van de Transvaal-beweging zich nadrukkelijk op; men kreeg behoefte zijn doeleinden nader te formuleren. Tijdens de bijeenkomst in Artis had Beelaerts, als eerste, gepleit voor de vorming van een centrale landelijke organisatie. Ook nu toonde men zich in Utrecht echter voorzichtig. Men besloot zich voorlopig te blijven beperken tot inspanningen ter beïnvloeding van de Engelse regering en tot geldinzamelingen ten behoeve van de Transvaalse oorlogsslachtoffers. Over de mogelijkheid ‘om, in vereeniging met andere belangstellenden, maatregelen te beramen ten einde de beschaving in den Transvaal op de meest gepaste wijze te bevorderen’ wenste men zich pas uit te spreken wanneer de oorlog in Zuid-Afrika definitief geëindigd zou zijn en in de Zuid-Afrikaansche Republiek een geregeld bestuur zou zijn teruggekeerd.[73] In Amsterdam had men aanzienlijk minder geduld. Daar was na de manifestatie in Artis een commissie aan het werk gegaan, met onder meer Van Duyl en Kuyper als leden, die zich moest buigen over de toekomst van het Comité voor Transvaal. In haar door Kuyper geredigeerde rapport sprak die commissie uit dat het Comité terug zou moeten keren tot zijn oorspronkelijke doelstelling, te weten het inzamelen van gelden ten einde zieken en gewonden onder de Boeren in Zuid-Afrika te helpen, dan wel de nodige stappen zou moeten zetten om te komen tot de oprichting van een permanente, landelijke Transvaal-vereniging. Van dat laatste was binnen de commissie met name Van Duyl een warm pleitbezorger geweest; hij hoopte zo ‘van het HoofdComité verlost te raken’. Van Duyls voorstel om het losse verband van lokale Transvaal-comités te vervangen door een landelijke vereniging, Transvalia, met de lokale comités als plaatselijke afdelingen, kreeg op de vergadering van het Amsterdamse Comité voor Transvaal van 19 maart, toen het commissierapport werd besproken, een meerderheid. Ook Kuyper bleek toen Van Duyl te steunen, ongetwijfeld mede onder de indruk van de Utrechtse aankondiging, kort tevoren, dat men zich na de totstandkoming van de vrede in Zuid-Afrika wilde beraden op maatregelen om daar wat men argeloos ‘de beschaving’ noemde te bevorderen. Het was zoals Spruyt later aan Harting schreef: die term ‘beschaving’ verstond Kuyper als moderne, liberale beschaving; hij bespeurde er de geest van het ‘Burgerianisme’ in. Kuyper was waar het Zuid-Afrika betrof bereid tot samenwerking met de liberalen, al was het maar omdat de antirevolutionairen zelf niet over voldoende financiële en economische kracht en macht beschikten om aan de meer wereldse behoeften van de Boeren te voldoen. Als voorwaarde voor samenwerking stelde hij echter dat de liberalen het door hem gekoesterde oud-Hollandse, gereformeerde karakter van de Boeren zouden erkennen en ontzien. En op dat punt wantrouwde hij het HoofdComité met zijn plannen voor een ‘Afrikaander-beschaving maatschappij’. De Amsterdamse liberalen leken wat dit betreft heel wat minder pretentieus. Zo uiteenlopende personen als Van Duyl en Spruyt, nog onder de indruk van het échec van Burgers, verklaarden nadrukkelijk vooralsnog niet verder te willen gaan dan ‘het weder aanknopen en versterken van den ouden band, die Nederland aan Zuid-Afrika verbindt’, het ‘hollandsch element versterken […] en stoffelijke welvaart bevorderen’. ‘Het overige komt dan vanzelf’, aldus Van Duyl. Het voor Kuyper aantrekkelijke van Van Duyls voorstel was nu dat daarin het door hem zo gewantrouwde HoofdComité geheel buitenspel werd geplaatst: de op te richten vereniging zou haar zetel in Amsterdam moeten hebben, haar bestuur zou in meerderheid, haar dagelijks bestuur geheel uit Amsterdammers moeten bestaan. Wel wilde een meerderheid van de leden van het Amsterdamse Comité voor Transvaal graag uit Utrecht de zegen voor de plannen. In verband daarmee werd een commissie benoemd, bestaande uit Perk, Spruyt en Wertheim, die het HoofdComité in kennis moest stellen van het voorstel en het uit moest nodigen ‘in het belang der zaak’ met het Amsterdamse Comité samen te werken.[74]
Het overleg tussen deze Amsterdamse commissie en het HoofdComité vond plaats op donderdag 24 maart in Pieter Hartings woning aan de Utrechtse Oudegracht. Harting was verontwaardigd over het Amsterdamse voorstel; hij achtte het ‘onvoorzichtig’ en getuigend van een ‘heerschzuchtige houding’.[75] In een tirade tot de Amsterdamse commissieleden maakte hij duidelijk zich aangetast te voelen in zijn eer en waardigheid: ‘wij hebben’, zo betoogde hij,

‘hard gewerkt en wij hebben niet op zijn elf en dertigste gehandeld zooals het Handelsblad gelieft te beweren, nooit hebben 6 menschen zooveel gedaan als hier in den laatsten tijd is verricht. Nu ons de politieke leiding der zaak te willen ontnemen, is iets Amsterdamsch; er is iets Engelsch in het doen van de Amsterdamsche Heeren en hun brief is een soort proclamatie van Shepstone. […] Wij hebben hier gedaan wat wij konden; wij hebben 3 maanden lang, ik mag zeggen dag en nacht, voor de Transvaal geleefd. Is het nu loijaal […] een Amsterdamsche inrichting in het leven te willen roepen en ons op zij te zetten? is dat loijaal?’

Woedend verliet Harting hierna de bijeenkomst. Ook de andere leden van het HoofdComité waren weinig geneigd op het Amsterdamse voorstel in te gaan; ze vonden het prematuur. De Amsterdammers reageerden met opnieuw te wijzen op de dreigende ondermijning van het gevestigde liberale bestel: indien het HoofdComité samenwerking weigerde, zou de op te richten vereniging in verkeerde handen kunnen vallen, in die van radicale of antirevolutionaire ‘schreeuwers’.[76] Opnieuw bleek dit voor de Utrechters een afschrikwekkender spookbeeld dan mogelijke Engelse ergernis over steeds verdergaande Nederlandse bemoeienis met Zuid-Afrika. Na herhaald beraad in eigen kring, de volgende dag, liet men het Amsterdamse Comité voor Transvaal weten bereid te zijn mee te werken aan de oprichting van een permanente landelijke vereniging. Beelaerts van Blokland, Fruin en Jonkman werden aangewezen om aan Utrechtse kant de voorbereidende besprekingen te voeren. Harting zou aan de besprekingen geen deel nemen, maar verklaarde zich wel bereid ‘zijn onmisbaren steun’ te verlenen om, zo schreef hij Spruyt, ‘de gematigden, d.w.z. de verstandigen en onbaatzuchtigen in het Amsterdamsch Comité’ te steunen.[77]
In Amsterdam werd met name door Spruyt verheugd gereageerd op het Utrechtse besluit. Er werd een nieuwe commissie benoemd die in overleg met Beelaerts, Fruin en Jonkman de voorbereidingen voor de oprichting van de landelijke vereniging ter hand zou moeten nemen. In die commissie figureerden opnieuw Perk en Wertheim; Spruyt, die in de voorgaande commissie voornamelijk was opgenomen omdat hij geacht werd het vertrouwen van Harting te genieten, werd nu vervangen door Abraham Kuyper. Spruyt spande zich in Harting ervan te overtuigen dat Kuypers benoeming in de commissie niet mocht worden gezien als een overwinning van de ‘drijvers’ of ‘heethoofden’ binnen het Amsterdamse Comité voor Transvaal. Kuyper was, zo meende hij, ‘alles behalve een heethoofd [was], maar een man van veel gezond verstand, en van talent voor organisatie, dat hem bij het oprichten van onze vereeniging onbetaalbaar maakt’, bovendien vertegenwoordiger van ‘eene machtige partij, die veel geld over heeft voor de zaken, die haar ter harte gaan – iets, dat lang niet van alle partijen kan gezegd worden. Juist om de eensgezindheid van alle partijen te bewaren vind ik het zoo gelukkig dat ook Dr. Kuijper tot de zeven oprichters der Vereeniging zal behooren.’ Want het ging Spruyt erom ‘dat Nederlanders van elk geloof of ongeloof, van elken stand en politieke richting, eindelijk eens met geestdrift blijven samenwerken voor één doel’, ‘dat de ernstige mannen van verschillende richtingen elkander eindelijk weer eens leeren waardeeren’. Het was iets dat volgens Spruyt ‘voor de ontwikkeling van ons eigen volk hoogst wenschelijk is’.[78]
Harting was echter weinig onder de indruk van Spruyts hooggestemde bedoelingen. Hij kende Kuyper beter dan Spruyt vermoedde, en verafschuwde hem. Harting had geen moeite Kuypers ‘onmiskenbare talenten en energie’ te erkennen: ‘Hij heeft werkelijk groote eigenschappen, iets van eene Gambetta-natuur, welteverstaan van den Gambetta van 1870, die armeeën uit den grond stampte.’ Maar hij paarde die bewondering aan afkeer van Kuypers karakter en verachting voor Kuypers achterban. Voor hem was Kuyper ‘den calvinistischen drijver’, wiens ‘onbetoombare eer- en heerschzucht zoo vaak de geoorloofde grenspalen overschrijden’, voorman van ‘hen, die op eenen lageren trap van beschaving en verlichting staan’.[79] Hartings afkeer van Kuyper dateerde van de oprichtingsvergadering van het Schoolverbond, op 27 oktober 1869 in Utrecht. Het Schoolverbond was een creatie geweest van Pieter Harting en zijn broer Dirk, doopsgezind predikant in Enkhuizen, en beoogde het schoolverzuim te bestrijden. De beide broers stond een vereniging voor ogen die aanvaardbaar zou zijn voor alle gezindten: voor katholieken, orthodoxen, liberalen en conservatieven. In kringen van de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs werd echter gevreesd dat het Schoolverbond in zijn strijd tegen het schoolverzuim al spoedig in de verleiding zou komen om naar middelen te grijpen die onder de vigerende wetgeving zouden uitlopen op een begunstiging van het openbaar onderwijs. Daarom werd door Kuyper op de oprichtingsvergadering van het Schoolverbond een amendement op de statuten ingediend waarbij deze middelen, de invoering van leerplicht en kosteloos onderwijs, werden uitgesloten. Toen deze amendementen na heftige discussies werden verworpen, verliet Kuyper met de meeste voorstanders van bijzonder onderwijs de vergadering. Harting achtte Kuyper door deze ‘uittartende houding’ verantwoordelijk voor de afzijdigheid van de orthodoxen van het Schoolverbond, waardoor dat uiteindelijk geheel in handen van de voorstanders van openbaar onderwijs geraakte.[80] En nu zag Harting Kuyper optreden als splijtzwam in de kring van Boerenvrienden. Even overwoog hij zich alsnog aan de zaak te onttrekken: het was hem onmogelijk, zo liet hij de overige leden van het HoofdComité weten, ‘met den heer Kuijper medetegaan of zijn naam te leenen aan eene zaak, waarin aan dezen een overwegende invloed wordt toegekend’. Er was volgens de andere Utrechters echter geen weg meer terug.[81]
Dat leidde er ook toe dat het HoofdComité in de onderhandelingen die vooraf gingen aan de oprichting van wat uiteindelijk de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging (NZAV) zou gaan heten, op vrijwel alle punten het onderspit dolf. Weliswaar wisten de Utrechters met steun van andere plaatselijke Transvaal-comités te voorkomen dat Amsterdammers binnen het bestuur van de NZAV een statutaire meerderheid zouden krijgen, maar in de statuten werd wel vastgelegd dat de vereniging in Amsterdam gevestigd zou zijn en dat het dagelijks bestuur geheel uit Amsterdammers zou bestaan. Het Amsterdamse Comité voor Transvaal was zelfs niet bereid de politieke leiding van de Nederlandse Transvaalbeweging tot de definitieve vredessluiting in Zuid-Afrika aan het HoofdComité te laten, een uitdrukkelijk verlangen van vooral Harting en Fruin en, gegeven de ontwikkelingen in Zuid-Afrika, weinig meer dan een erekwestie. Een door de voorbereidingscommissie in de ontwerp-statuten opgenomen bepaling dat de NZAVhaar werkzaamheden pas zou beginnen nadat in Zuid-Afrika een definitieve vredesovereenkomst zou zijn gesloten, werd door het Amsterdamse Comité voor Transvaal verworpen. Het HoofdComité betreurde het Amsterdamse veto, maar berustte ook hierin, ‘om geen spaak in ‘t wiel te steken’.[82]
Kuyper was door een keelaandoening verhinderd de besprekingen met de delegatie uit het HoofdComité persoonlijk bij te wonen. Desondanks oefende hij op het voor hem belangrijkste punt een wezenlijke invloed uit. Toen op donderdag 7 april ten huize van Wertheim, aan de Vondelstraat no. 72 te Amsterdam, de circulaire waarbij de oprichting van de NZAV zou worden aangekondigd en de ontwerp-statuten werden vastgesteld, werden de door Kuyper schriftelijk ingediende amendementen op de door Wertheim geredigeerde concepten zonder uitzondering aangenomen. Op voorstel van Kuyper werd zo aan de in artikel 1 vermelde doelstelling van de vereniging toegevoegd: ‘Elk streven om bij wijze van propaganda op de zedelijke of godsdienstige gesteldheid van de bevolking dezerzijds invloed uit te oefenen blijft daarbij uitgesloten.’ Twee dagen later, toen de ontwerp-statuten ter goedkeuring aan het Amsterdamse Comité voor Transvaal werden voorgelegd, verwierf Kuyper bovendien de instemming van een meerderheid om in artikel 10 vast te leggen dat deze toegevoegde bepaling ‘voor geene verandering vatbaar’ was.[83] Kuyper wilde op deze manier iedere liberale poging om, zoals in het programma van het HoofdComité was geformuleerd, in Zuid-Afrika ‘de beschaving’ te bevorderen bij voorbaat de pas afsnijden.
Binnen het HoofdComité leidde de aanvaarding door de voorbereidingscommissie van de door Kuyper ingediende amendementen wel tot enige discussie. Die spitste zich toe op de interpretatie van de aan artikel 1 toegevoegde bepaling. Duidelijk moest zijn ‘dat met het dezerzijds uitsluiten van het uitoefenen van zedelijke of godsdienstige invloed niet wordt beoogd het ook onmogelijk te maken tegemoet te komen aan Transvaalse verzoeken om bijv. onderwijzers te zenden’.[84] Kuyper had met die interpretatie geen moeite. De toevoeging aan artikel 1, aldus zette hij uiteen in De Standaard, beoogde niet het de NZAV onmogelijk te maken actief te zijn op zedelijk en godsdienstig terrein, maar:

‘Het streven er naar mag niet dezerzijds uitgaan. Alleen dus op aanvrage uit Afrika.
En ten andere, in geen anderen geest dan men in Afrika zelf verklaart dit te willen.’
[85]

Enigszins aarzelend legde het HoofdComité zich uiteindelijk bij de amendementen neer. Want, anders dan Kuyper vreesde, was men er ook in Utrecht van doordrongen dat het er allereerst om ging het vertrouwen van de Boeren te winnen en dat daartoe ‘hunne godsdienstige denkbeelden’ zorgvuldig ontzien moesten worden. ‘Burgers en de zijnen’, zo waarschuwde ook Harting, ‘hebben veel kwaad gesticht door hun poging tot moderniseering der Transvaal.’ Met het oog op de eenheid van de Transvaalse natie was het beter wanneer de Boeren voorlopig niet werden weersproken in hun orthodoxie. Zekerheid wilde men slechts dat Kuyper cum suis niet zouden pogen om ‘de Transvaal tot een theokratischen staat te maken’, een exclusieve proeftuin voor de antirevolutionaire beginselen.[86]Kuypers waarschuwing in De Standaard ‘dat geen enkele richting hier te lande haar denkbeelden aan de Transvalers ga opdringen’ werkte hier echter geruststellend.[87] Dit te meer omdat men meende de zekerheid te hebben dat Kuyper wel een rol zou gaan spelen binnen de NZAV, hetgeen men verwelkomde – want: het was beter ‘hem in de Vereeniging te hebben, dan er buiten’ –, maar dat die rol geen overwegende zou zijn.[88] Op de bijeenkomst van de voorbereidingscommissie op 30 maart ten huize van Fruin aan de Utrechtse Nieuwegracht, hadden de Utrechters, in een doorzichtige poging de wegens ziekte verhinderde Kuyper buiten het bestuur van de op te richten vereniging te houden, voorgesteld dat de leden van de voorbereidingscommissie zich niet beschikbaar zouden stellen voor het NZAV-bestuur. Perk en Wertheim hadden daarmee ingestemd, waarna Kuyper, door Wertheim op de hoogte gesteld, weinig anders restte dan zich met tegenzin bij deze afspraak neer te leggen.[89]
Te vroeg echter dacht men in Utrecht van Kuyper af te zijn. Toen op 9 april de resultaten van de werkzaamheden van de voorbereidingscommissie aan het Amsterdamse Comité voor Transvaal werden voorgelegd, ontstond juist op dit punt groot tumult en toen uiteindelijk op 7 mei de Amsterdammers hun kandidatenlijst voor het NZAV-bestuur presenteerden, prijkten daarop naast D. Cordes, voorzitter van de Amsterdamse Kamer van Koophandel, H.J. de Marez Oyens, commissioniar in effecten, mr. W. Heineken en mr. N.G. Pierson, directeur van De Nederlandsche Bank en bijzonder hoogleraar in de staatshuishoudkunde aan de Gemeentelijke Universiteit, ook Kuyper, Perk en Wertheim, omdat, aldus liet Heineken aan Jonkman weten, het in Amsterdam niet gewenst werd geacht ‘dat zij, die zich voornamelijk met de Transvaalsche beweging hadden bezig gehouden, buiten het bestuur en de leiding der te vormen Vereeniging zouden staan’.[90] Op dat moment waren de verenigingsstatuten al goedgekeurd door een vergadering van de verschillende lokale Transvaal-comités, op vrijdag 22 april in het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen aan de Utrechtse Mariaplaats.[91] Het HoofdComité kon dus weinig anders dan de Amsterdamse coup accepteren als een voldongen feit.
Op 12 mei 1881 vond, ook in het Utrechtse Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, de oprichtingsvergadering van de NZAV plaats. Harting was bereid gevonden de vergadering toe te spreken. Hij sprak bezielend. Hij loofde de inspanningen die de Nederlandse bevolking zich had getroost voor de zaak der Boeren, vooral omdat daarbij bij niemand eigenbelang had voorgezeten:

‘De drijfveeren, waardoor het Nederlandsche volk werd aangespoord, om zijne stem te verheffen tot verdediging van het goed recht der Transvaalsche Boeren, waren van zuiver moreelen aard. Het was een streven naar het ideale.’

Datzelfde ‘streven naar de bereiking van een ideaal doel’ zat volgens Harting voor bij de oprichting van de NZAV:

‘wij verlangen niets anders dan de plichten, die de bloedverwantschap oplegt, getrouw te vervullen, ook thans, nu het door de Transvaalbeweging opgewekte streven van zijn zuiver idealistische standpunt overgaat op praktisch terrein.
Wij zullen niet de belangen van oud-Nederland, maar die van zijne in Afrika woonende zonen op den voorgrond plaatsen. Wij zullen toonen hun vertrouwen in onze eerlijkheid, rechtschapenheid en goeden wil waardig te zijn, en zoo te trachten mede te werken tot bevordering van het geluk, de eendracht en de vreedzame ontwikkeling en aaneensluiting der geheele blanke bevolking van Zuid-Afrika, waarvan de bestanddeelen bestemd zijn eenmaal tot een groot volk samen te smelten, dat de drager en voortplanter der Europeesche beschaving zal zijn.
Zoo blijve in de nieuwe phase, waarin de Transvaalbeweging thans treedt, nog de richting naar een ideaal doel, die haar van den beginne af gekenmerkt heeft, bewaard en bestendigd, en levere de Vereeniging die wij op het punt staan te vestigen, het bewijs, dat ook in onzen tijd, te midden van den niet te ontwijken strijd des levens, – wat pessimisten en materialisten ook beweren mogen, – “het goede macht heeft.”’[92]

Harting kreeg een ovationeel applaus. Op voorstel van Kuyper werd hem bij acclamatie het ere-voorzitterschap van de vereniging aangeboden, een functie die hij accepteerde en tot zijn dood in 1885 bleef bekleden. De vergadering koos vervolgens een bestuur, bestaande uit zes Amsterdammers: D. Cordes, mr. W. Heineken, A. Kuyper, M.A. Perk, mr. N.G. Pierson en mr. Jac. Wertheim, en zeven zogenaamde ‘buitenleden’: uit Leusden mr. W.H. de Beaufort, lid van de Tweede Kamer, uit Enschede A.J. Blijdenstein, textielfabrikant en lid van de Eerste Kamer, uit Leiden prof. mr. J.Th. Buys, liberaal publicist en hoogleraar in het staatsrecht, uit Utrecht de meteoroloog prof. dr. C.H.D. Buys Ballot, uit Rotterdam de koopman H.P.N. Muller, uit Zwolle mr. A. van Naamen van Eemnes, lid van de Eerste Kamer, en uit Leeuwarden mr. W.J. baron van Welderen Rengers, burgemeester van die stad. Pierson en Blijdenstein bedankten voor de benoeming. Als ‘Bureau’, dagelijks bestuur, gingen Cordes, Heineken en Wertheim optreden, bijgestaan eerst door mr. H.L. Drucker, later door mr. N.A. Calisch.[93]
Voorlopig bleven het HoofdComité en het Amsterdamse Comité voor Transvaal naast de NZAV voortbestaan. Niet lang echter. Het HoofdComité besloot op 4 januari 1882 zichzelf te ontbinden. Het Amsterdamse Comité voor Transvaal volgde, op voorstel van Kuyper, vrijwel onmiddellijk. De door het Amsterdamse Comité ingezamelde gelden, ¦ 16.906,845, werden overgedragen aan de NZAV om ze ‘in overleg met de Transvaalsche Regeering te besteden zooveel mogelijk overeenkomstig de bedoelingen der gevers’. De fondsen van het HoofdComité, op het moment van ontbinding ¦ 46.325,565, vloeiden niet in de kas van de NZAV; ze werden ter beschikking gesteld van de Transvaalse regering, die ze in 1884 uiteindelijk bestemde ter financiering van de studie van Transvaalse studenten aan Nederlandse universiteiten.[94]
Overigens was niet iedereen even gelukkig met de totstandkoming van de NZAV. In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 11 mei 1881 wees Robert Fruin de levensbeschouwelijke neutraliteit van de nieuwe vereniging af. ‘[M]en heeft’, zo schreef hij

‘de Vereeniging boven de geloofsverdeeldheid willen houden; men heeft de toetreding van allen, om het even van welke kerkelijke partij, mogelijk willen maken. Eendracht maakt macht, is de leus van de ontwerpers der statuten geweest. Maar men heeft vergeten, dat die spreuk niet onder alle omstandigheden juist is. Eendrachtig stil zitten en niets doen maakt machteloos. Boven zulke eendracht is verre verkieselijk, wij zeggen niet tweedracht, maar mededinging van twee, elk voor zich eendrachtig werkzame, vereenigingen. De beschaving van Zuid-Afrika zal er beter bij varen indien twee, van elkander onafhankelijke vereenigingen invloed op haar uitoefenen, dan indien eene in schijn eendrachtige vereeniging, om haar inwendige tweedracht te verbergen, zich van alle inwerking onthoudt.’[95]

In gelijke zin dacht, aan de andere kant van het politieke spectrum, Frans Lion Cachet. Een artikel evenwel waarin hij zich keerde tegen de liberaal-antirevolutionaire samenwerking en als zijn mening uitsprak dat ‘voor Transvaal [zoo iets dan] iets positief, Christelijks noodig [was], niet dat gewauwel van neutraliteit op godsdienstig en zedelijk gebied’, werd door Kuyper voor De Standaard geweigerd.[96] Kuyper riep zijn geestverwanten op zich niet afzijdig te houden van de NZAV[97] en hij won het pleit. Lion Cachet gaf al spoedig te kennen samenwerking te zoeken, niet ‘in oppositie te [willen] zijn’ en aan NZAV-secretaris Drucker liet hij weten ‘dat het mij hoogst aangenaam zijn zal, zooveel in mijn vermogen ligt, de Vereeniging van dienst te zijn. Gelieve in deze vrijelijk over mij te beschikken.’[98]Met prof. mr. D.P.D. Fabius, hoogleraar aan de Vrije Universiteit, bleek Lion Cachet een jaar later zelfs bereid om, zij het aarzelend, een verkiezing tot lid van het bestuur van de NZAV te accepteren.[99]

De Conventie van Pretoria

Het succes van de Boeren in hun strijd tegen de Engelsen was in Nederland als een verrassing gekomen. Niemand had verwacht dat de Zuid-Afrikaanse stamverwanten, klein in getal, opgewassen zouden blijken tegen het oppermachtige Engeland. Nog in maart 1881 voorspelde Kuyper dat ‘het einde zal zijn, dat Engeland met zijn geweldige overmacht de arme Boeren verplettert’.[100] Toen evenwel het nieuws van de Britse nederlaag bij Majuba tot Nederland doordrong, meende hij dat de Transvalers nu met niets minder meer genoegen mochten nemen dan met herstel van hun volledige onafhankelijkheid.[101] Het bericht van de voorlopige Brits-Transvaalse vredesovereenkomst van 23 maart 1881 ontving hij daarom met gemengde gevoelens:

‘De vrede zal er dan komen; en als loon voor hun heldhaftig bestaan herwinnen onze Transvalers een vrije administratie, een eigen binnenlandsch beheer. Lang dus niet alles. Eer veel, veel minder dan waarop ze billijkerwijs hadden gehoopt. […] Het “Afrika aan de Afrikaanders!” klonk anders.’[102]

Toch was Kuyper aanvankelijk ingenomen met de Conventie van Pretoria. Een lofpsalm begeleidde in De Standaard het bericht van haar totstandkoming, en opgelucht schreef de krant:

‘Einde goed al goed! De Z. Afrikaansche Republiek aan de Vaal-rivier heeft haar onafhankelijkheid, na ruim vier jaar lijdens en strijdens, HERWONNEN – zij ‘t voor altijd!’[103]

Al spoedig echter wees Lion Cachet op de implicaties van de suzereiniteitsclausule voor de Transvaalse onafhankelijkheid.[104] Kuyper aarzelde. Hij gaf Lion Cachet toe dat de conventie ‘veelszins bedenkelijk’ was, maar achtte anderzijds de bezwaren overtrokken: ‘Andere correspondenten, uit de Kaap zelf, zien de zaak minder somber in.’ Bovendien betwijfelde hij of meer haalbaar was: ‘stellig mag nooit vergeten, dat Kimberley en Gladstone, om te kunnen doen wat ze dan nog deden, een mate van zedelijke moed behoefden, die onder staatslieden zeker niet alledaagsch is.’[105] Toen evenwel steeds onzekerder werd of de Transvaalse Volksraad bereid zou zijn de conventie te ratificeren, kreeg Lion Cachet half oktober in De Standaard alle ruimte haar te hekelen als ‘onwaar, onwaardig, onhoudbaar’ en de Volksraad op te roepen een non possumus uit te spreken.[106]
Uit liberale hoek klonken soortgelijke geluiden. Het Utrechtse HoofdComité had in een nieuw adres ‘To the people of England’, gedateerd 20 augustus 1881, het Engelse volk nog bedankt voor het herstel van de Transvaalse onafhankelijkheid, ‘this work of justice and generosity’.[107] Pieter Harting oordeelde aanvankelijk de Conventie van Pretoria acceptabel, ‘ondanks eenige zwarte stippen die tot booze wolken zouden kunnen aangroeien’; hij verwachtte ‘dat alles wèl daaronder zal gaan’.[108] Maar, evenals Kuyper, veranderde hij al spoedig van mening. Toen op 9 oktober het HoofdComité op verzoek van Harting bijeenkwam, verklaarde de nestor van de Nederlandse Transvaal-beweging dat hij, nu hij kennis had genomen van de gehele conventie, het verzet van de Boeren ertegen slechts kon goedkeuren. Van het HoofdComité, als altijd erop bedacht de Engelsen niet voor het hoofd te stoten, viel uiteraard geen rechtstreekse oproep aan de Transvaalse Volksraad te verwachten om de conventie te verwerpen, zoals Lion Cachet die in De Standaard had gedaan. Een verzoek echter dat het HoofdComité vanuit Engeland bereikte om de Boeren, omgekeerd, tot inschikkelijkheid te bewegen, werd resoluut afgewezen. Geheel in lijn met zijn voorgaande activiteiten richtte het HoofdComité zich nog eens tot de Engelse eerste minister Gladstone om ‘uitdrukkelijk te […] verklaren, dat [de conventie] geenszins beantwoordt aan zijne verwachting van Engelands besef van recht en edelmoedigheid, maar veeleer een imperium in imperio schept, dat groot onheil in de toekomst doet vreezen’.[109] Persoonlijk richtte Harting zich bovendien in een open brief tot sir Wilfrid Lawson, een typische Gladstoniaan, lid van het Lagerhuis en van het inmiddels ontbonden Transvaal Independence Committee, waarin hij, op de hem vertrouwde wijze kritiek en waardering zorgvuldig doserend, uitdrukking gaf aan zijn teleurstelling over de conventie. De Boeren, ‘qui désirent ardemment d’être considérés comme une nation qui a adopté au moins les idées de notre civilisation moderne et s’empresse d’y entrer de plus en plus’, werden zijns inziens door de bepalingen van de conventie te zeer bevoogd en zo geraakt in hun gevoel van eigenwaarde.[110]
De pleidooien van Lion Cachet en Harting bleven evenwel zonder resultaat. Bevreesd voor een hervatting van de vijandelijkheden besloot de Transvaalse Volksraad op 25 oktober 1881 tot ratificatie, overigens niet zonder alle bezwaren tegen de conventie breed uit te meten. Het was zoals de Kaapse predikant S.J. du Toit in november aan Kuyper schreef: ‘De ongelukkige Conventie moest men ratificeren.’[111] Kuyper nam er slechts voor het ogenblik genoegen mee. ‘De toestand’, zo schreef hij in zijn jaaroverzicht in De Standaard over 1881, ‘geboren uit den vrede met Transvaal gesloten, is, zoo niet alle teekenen liegen, op geen duur berekend, en slechts inleiding tot een nieuw tijdperk.’[112]

S.J. du Toit

De Conventie van Pretoria was de laatste gelegenheid waarbij de invloed van Frans Lion Cachet op Kuypers oordeel over de gebeurtenissen in Zuid-Afrika manifest was. Niet eerder dan in 1899 zouden er weer bijdragen van Lion Cachet in De Standaard verschijnen. Van antirevolutionair opinion leader werd de man die meer dan wie ook had bijgedragen tot het nieuwe beeld van Zuid-Afrika in de Nederlandse publieke opinie, volgeling van een door Kuyper uitgezette lijn. De belangrijkste oorzaak hiervan lijkt Lion Cachets definitieve terugkeer uit Zuid-Afrika naar Nederland te zijn geweest in het voorjaar van 1880. Hij verloor daarmee zijn betekenis als primaire nieuwsbron. Het was in dit verband typerend dat Kuyper in de discussie over de Conventie van Pretoria Lion Cachets oordeel aanvankelijk meende te kunnen relativeren met een beroep op ‘[a]ndere correspondenten, uit de Kaap zelf’.[113]Op identieke wijze had hij in 1877 Lion Cachet zelf uitgespeeld tegen P. Huet.[114]
Lion Cachets rol werd gedeeltelijk overgenomen door dominee S.J. du Toit.[115] Stephanus Jacobus du Toit was in 1847 geboren in Dal Josafat, bij Paarl, in de Kaapkolonie. Hij stamde uit een hugenotengeslacht. Na een middelbare-schoolopleiding aan het gymnasium van Paarl studeerde hij theologie in Stellenbosch. Onder invloed van dominee G.W.A. van der Lingen, predikant te Paarl en oprichter van het gymnasium aldaar, en dr. N.J. Hofmeyr, hoogleraar te Stellenbosch, ontwikkelde hij zich in strikt orthodoxe richting. In 1873 bezocht hij voor het eerst de Zuid-Afrikaansche Republiek. Zijn reisverslag in het kerkelijke tijdschrift Elpis getuigt van zijn toen al grote bewondering voor de Transvaalse Boeren. Van 1875 tot 1881 was hij predikant van de Nederduitsch Gereformeerde gemeente in Noorder Paarl. Du Toit was een pleitbezorger voor christelijk nationaal onderwijs. In een brochure uit 1876, De christelijke school in hare verhouding tot kerk en staat, verdedigde hij, zoals Kuyper dat in Nederland deed, de vrije school, uitgaande van de opvatting dat de ouders en niet de staat verantwoordelijk waren voor de opvoeding van en het onderwijs aan hun kinderen. Zijn belangrijkste activiteiten ontplooide Du Toit echter als Afrikaner nationalist,[116] in zijn strijd voor erkenning van het Zuid-Afrikaans als spreek- en schrijftaal. In 1875 richtte hij het Genootskap van Regte Afrikaners op, een vooral culturele Afrikaner nationalistische organisatie. In 1876 begon hij, met zijn broer Daniël François (‘Oom Lokomotief’), de uitgave van Die Afrikaanse Patriot,aanvankelijk een maandblad, sinds januari 1877 verschijnend als weekblad. In 1877 publiceerde Du Toit zijn Geskiedenis van ons land in die taal van ons volk, het eerste voorbeeld van een nationalistische Afrikaner geschiedschrijving. In juni 1879 riep hij in de kolommen van Die Afrikaanse Patriot op tot de oprichting van

‘‘N AFRIKANER BOND, waarin al wat Afrikaner is sig thuis voel en samenwerk tot heil van ‘n Verenigde Suid-Afrika; ‘N AFRIKANER BOND, waarin gen nasionaliteit ons van makaar skei nie, mar waarin almal wat Afrika erken als hulle Vaderland, same woon en werk als broeders van één huis.’[117]

De Afrikaner Bond die in 1880 onder leiding van de gebroeders Du Toit tot stand kwam, was een politieke organisatie met een neocalvinistisch karakter, strevend naar een verenigd, onafhankelijk Zuid-Afrika. In 1882 schreef Du Toit een Program van beginselen van de Afrikaner Bond. Daarbij baseerde hij zich geheel op Kuypers Ons Program, slechts ‘gewijzigd naar onze omstandigheden, daar dat op zulk een bekwame wijze is opgesteld, en de grondtoon van ons volkskarakter veel overeenkomst heeft met dat van het Nederlandse volk’.[118] In zijn toelichting op dit Program, uit 1884, moest Du Toit echter vaststellen dat hij tot dan toe weinig reden had tot tevredenheid over de ontvangst van zijn denkbeelden. De meeste Afrikaners aan de Kaap begrepen niets van de door hem voorgestane beginselen.[119]
In 1877 behoorde Du Toit tot de Afrikaners aan de Kaap die zich verzetten tegen de annexatie van de Zuid-Afrikaansche Republiek: de door hem gewenste Afrikaner eenheid kon zijns inziens niet door Engels machtsgebruik worden afgedwongen. In Die Afrikaanse Patriot pleitte Du Toit aanvankelijk voor lijdelijk verzet. ‘Moet nie veg nie’, riep hij zijn Transvaalse broeders toe. ‘Sit stil. Lat ons liwe Heer ver julle strij. Blijf bij julle protes, en bepaal julle bij lijdelijk verset.’[120] Toen evenwel bleek dat het passieve verzet ook na de regeringswisseling in Londen vruchteloos zou blijven, concludeerde Du Toit dat de Transvalers hun toevlucht moesten nemen tot krachtiger middelen. ‘Lydelijk verset word nou ydelijk verset’, schreef hij in Die Afrikaanse Patriot van 8 oktober 1880.[121] Ewald Esselen, secretaris van de deputatie die in 1883-1884 Europa bezocht, sprak van dit commentaar als ‘het teken tot de oorlog. Een uur later had Joubert zijn paard gezadeld en was heel Transvaal opgestaan.’[122]
Du Toit, door een keelaandoening verhinderd zijn ambt van predikant te vervullen, maakte in 1880 zijn eerste Europese reis. In gezelschap van Frans Lion Cachet vertrok hij op 23 maart van dat jaar uit Kaapstad. Behalve Engeland, België, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Italië, Oostenrijk-Hongarije, Turkije, Palestina en Egypte bezocht hij Nederland. ‘Ook dat bezoek’, zo verklaarde hij, ‘is voor ons van belang juist nu in deze tijd terwijl nu aldaar een ontwaking van ‘t oude gereformeerde beginsel zich krachtig openbaart.’[123] Waarschijnlijk geïntroduceerd door Lion Cachet ontmoette hij toen voor het eerst Abraham Kuyper. Du Toit voelde zich ‘ingewijd […] tot deelgenoot in [diens] strijd’.[124] Het was het begin van een bondgenootschap dat vier jaar stand zou houden. Hun briefwisseling[125] getuigt van een zekere mate van intimiteit. Het ‘Waarde broeder’, waarmee hun eerste brieven begonnen,[126] moest sinds halverwege 1882 plaats maken voor ‘Geliefde’ of ‘Zeer geliefde broeder’.[127] Toen hun vriendschap in 1884 tijdens het bezoek van de Transvaalse deputatie aan Nederland onder zware druk kwam te staan,[128] beleed Kuyper:

‘Toen ik het genoegen had voor 3 jaar kennis met U te maken, opende zich mijn hart voor U geheel, omdat gij spraakt v. eenzelfde strijd als waaronder ik hier in Holland gebogen ging. Sinds heb ik […] nooit één oogenblik gehad, dat ik anders dan met een gevoel van onbeperkt vertrouwen en volkomen integriteit aan u gedagt heb. Mijn brieven getuigen daarvan. Gij waart in volle zin de vertrouweling van mijn hart. […] In alles had ik U lief.’[129]

Kuyper vond in Du Toit een religieuze en politieke geestverwant, in veel opzichten zijn Afrikaanse evenbeeld, rechtlijnig denker en intrigant tegelijk. Hun nauwe contact kreeg een extra dimensie toen Du Toit in 1882 een benoeming accepteerde als superintendent van Onderwijs in de Zuid-Afrikaansche Republiek.

De affaire-Jonkman

Kuyper gebruikte zijn bijzondere relatie met Du Toit om de Nederlands-Transvaalse relaties zoveel mogelijk onder zijn persoonlijke controle te brengen. Met Kuyper was Du Toit van mening dat de contacten tussen Nederlanders en Boeren in de eerste plaats contacten tussen geloofsbroeders moesten zijn.’[M]ijn hoofddoel’, zo schreef Du Toit in 1882 aan Kuyper, ‘is aansluiting tusschen het betere deel der Hollandsche en der Z.A. bevolking, hetwelk voor beiden ten zegen zijn kan.’[130] Toen het dagelijks bestuur van de NZAV er door het zoek raken van brieven niet in slaagde zelf in overleg te treden met de Transvaalse leiders,[131] werd Kuypers contact met Du Toit het enige kanaal waarlangs informatie en verzoeken uit de Zuid-Afrikaansche Republiek de NZAV bereikten. Zo werd, na een verzoek van Du Toit, op initiatief van Kuyper door de NZAV een boekenfonds voor Transvaal gevormd, dat beoogde vanuit Nederland boeken ‘geheel in de geest van Chr. Nationaal onderwijs’ voor de Transvaalse scholen ter beschikking te stellen.[132] Tevens trachtte hij in overleg met Du Toit een studiefonds tot stand te brengen, waaruit de kosten voor de opleiding van Transvaalse jongeren aan Nederlandse universiteiten – en Kuyper en Du Toit dachten daarbij eigenlijk uitsluitend aan de Vrije Universiteit – zouden kunnen worden betaald; vooralsnog waren daartoe de middelen van de NZAV echter ontoereikend.[133]
Kuyper was zich er terdege van bewust dat zijn sterke positie in de kring van Nederlandse Boerenvrienden in belangrijke mate berustte op het informatie-monopolie dat hij genoot. Hij spoorde Du Toit aan om geen rechtstreekse correspondentie met de NZAV te voeren en alle overleg via hem te laten lopen. Du Toit liet weten het verzoek te begrijpen en dienovereenkomstig te zullen handelen.[134] Welbewust wekte Kuyper in Zuid-Afrika de indruk voorzitter van de NZAV te zijn.[135] Toen Du Toit hem in augustus 1881 berichtte dat op korte termijn een Transvaalse deputatie naar Nederland zou komen,[136] ervoer Kuyper dat als een bedreiging. Hij reageerde navenant. ‘Een deputatie naar hier’, zo schreef hij Du Toit

‘is uiterst gevaarlijk, tenzij het mannen zijn die strikte orders hebben en sympathie erbij, om niets met de Z.A.V. te behandelen, zonder een prealabele bespreking met de broeders hier. In de Z.A.V. ben ik de eenige niet moderne. Alle overige zijn van het genre Burgers. Tot nu doen ze stipt wat ik verlang, daar ze onderstellen dat de Transvalers niets tegen mijn raad of buiten mijn advies om zullen doen. Handelt de deputatie nu dienovereenkomstig dan is er geen gevaar. Anders trek ik mij terstond terug en dan zijn ze weer aan Joden en Heidenen overgeleverd. Indien de H.H. komen, ben ik bereid hen met een Comité van broeders officieel te ontvangen, mits hun brieven zoodanig luiden, om zich eerst tot mij te wenden en alleen dingen in overleg met mij te doen.’[137]

Voorlopig echter kwam er geen deputatie en had Kuyper van die kant niets te vrezen.
Problemen voor Kuyper ontstonden er wel binnen de NZAV, toen men uitvoering trachtte te geven aan het voornemen iemand als ‘commissaris’ naar de Zuid-Afrikaansche Republiek te zenden om de situatie daar met eigen ogen op te nemen en te bezien wat er voor de NZAV te doen viel. Al in het voorjaar van 1881 had Kuyper met de gedachte gespeeld zelf naar Zuid-Afrika te gaan. Wellicht voelde hij zich aangespoord door E.J.P. Jorissen, de Transvaalse staatsprocureur, die, hoewel liberaal, zich tot Kuyper had gewend met een verzoek om ‘moreele, intellectueele hulp, gebracht door oprechte, eerlijke mannen’, hulp voor een ‘volk dat hollandsch spreekt […], dat in zijn beste vertegenwoordigers onze eigen nationale tradities kent en liefheeft en het geloof der vaderen bezit.’ Jorissen had gewezen op het belang dat de Vrije Universiteit kon krijgen als ‘kweekschool […] van Afrikaansche theologen en juristen’ en hij had er bij Kuyper op aangedrongen ‘een uitstekend man’ naar Zuid-Afrika te zenden, ‘die komt onderzoeken en opnemen’.[138] In Zuid-Afrika vernam men het nieuws van Kuypers mogelijke komst met vreugde,[139] in Nederland daarentegen reageerde Kuypers omgeving geschrokken. Het College van Curatoren van de Vrije Universiteit maakte ernstige bezwaren tegen de reisplannen met het oog op de ‘nog vele en gewichtige zaken onzer jeugdige stichting [die] afdoening en regeling vereischen’.[140] Ook Lion Cachet wees erop hoe node de Vrije Universiteit Kuyper zou missen.[141] In het najaar van 1881 liet Kuyper Du Toit ten slotte weten vooralsnog niet naar Zuid-Afrika te zullen komen. De gezondheidstoestand van zijn vrouw stond een dergelijke reis in de weg, zo deelde hij mee. ‘Misschien kan ik volgend jaar.’[142] Ook Du Toit hoopte dat uitstel niet tot afstel zou leiden. Hij verblijdde zich erin, zo schreef hij in november, ‘om al het mogelijke te doen om uw bezoek aan Zuid-Afrika en vooral aan Transvaal zoo aangenaam en vruchtbaar mogelijk te maken’.[143] Van Kuypers voornemen om naar Zuid-Afrika te gaan horen we na 1881 echter niets meer.
Toen evenwel begin 1882 binnen de NZAV de vraag aan de orde kwam wat te doen gegeven de omstandigheid dat brieven aan de Transvaalse regering onbeantwoord bleven, kwam Kuyper in de vergadering van 6 maart met het voorstel iemand uit te zenden naar de Zuid-Afrikaansche Republiek, die zich persoonlijk op de hoogte zou moeten stellen van de daar bestaande behoeften.[144] Misschien had Kuyper daarbij zichzelf op het oog; waarschijnlijker is echter dat hij dacht aan een geestverwant die eerder in Zuid-Afrika was geweest, aan Frans Lion Cachet of H.T. Bührmann, een Nederlandse kantoorbediende, die in 1848 naar Transvaal was vertrokken en daar tot grote rijkdom was gekomen, van 1850 tot 1880 met slechts korte onderbrekingen zitting had gehad in de Transvaalse Volksraad en sinds 1880 in Nederland verbleef. Juist bij deze oud-Transvaalgangers, ook bij een liberaal onder hen als H.A.L. Hamelberg, bestonden echter nogal wat bezwaren tegen het uitzenden van een commissaris: zij verwachtten er weinig heil van.[145] Dat was de reden dat het, ook nadat het NZAV-bestuur op 23 mei het principebesluit had genomen om iemand naar Zuid-Afrika te zenden,[146] niet tot uitvoering van Kuypers voorstel kwam. Maar nadat brieven van de Transvaalse regering waren ontvangen waarin duidelijk werd gemaakt dat de Zuid-Afrikaansche Republiek behoefte had aan grootscheepse buitenlandse hulp, besloot prof. mr. J. de Louter, inmiddels tot het NZAV-bestuur toegetreden, op de zaak terug te komen.[147] Hij voelde er echter niets voor bij het zoeken van een commissaris op het kompas van Kuyper te varen. Integendeel, hij wilde de uitzending van een commissaris juist gebruiken om de NZAV te bevrijden uit Kuypers ijzeren en volgens sommigen verlammende greep.
Op de vergadering van het NZAV-bestuur van maandag 4 september, waarop geen der antirevolutionaire bestuursleden aanwezig was, droeg De Louter de oud-secretaris van het Utrechtse HoofdComité, dr. H.F. Jonkman, voor als kandidaat voor uitzending naar Zuid-Afrika.[148] Het was een door De Louter en Harting zorgvuldig voorbereide coup. Al ruim van tevoren had Harting zich ervan vergewist dat Jonkman bereid was om voor zijn mogelijke uitzending naar Zuid-Afrika een ophanden zijnde benoeming tot directeur van de tuinbouwschool Frankendaal in Amsterdam te laten schieten.[149] Ter vergadering werden tegen Jonkmans kandidatuur geen bezwaren ingebracht. Toen Kuyper evenwel door Heineken op de hoogte werd gesteld van het besprokene, concludeerde hij voor zichzelf onmiddellijk dat uitzending van Jonkman onaanvaardbaar was. In het voornemen van het bestuur proefde Kuyper een herleving van de door hem zo verfoeide ‘oude […] Hartingiaansche invloed’, een triomf alsnog voor de liberalen van het Utrechtse HoofdComité en hij vreesde daarvan ‘een tweede opvoering van diezelfde Burgers-tragedie […] die reeds eenmaal zoo heilloos en noodlottig voor Transvaal bleek’. Zou het NZAV-bestuur volharden in zijn voornemen, dan zou hij, Kuyper, de vereniging de rug toekeren. Vooralsnog was hij echter bereid dat in stilte te doen. Toen het dagelijks bestuur van de NZAV in de loop van september volledige overeenstemming met Jonkman bereikte en bij rondschrijven aan de overige bestuursleden liet weten dat zij, gezien het verloop van de vergadering van 4 september, geacht werden in te stemmen met Jonkmans uitzending, tenzij zij alsnog anders te kennen gaven, tekende Kuyper wel protest aan, maar liet hij N.A. Calisch, adjunct-secretaris van het dagelijks bestuur, tevens weten: ‘Verder dan dit protest ga ik intusschen niet en meen beter te doen met zelf uit den weg te treden.’[150] In De Standaard zweeg hij over het gerezen conflict.
Voor het dagelijks bestuur waren Kuypers protest en de, overigens veel praktischer, zakelijker bezwaren die ook Lion Cachet tegen Jonkmans uitzending inbracht,[151] echter aanleiding om voor 16 oktober te 14.00 uur een nieuwe bestuursvergadering over de kwestie uit te schrijven. Kuyper kon op die vergadering niet aanwezig zijn – hij moest college geven[152] – en bracht zijn bezwaren schriftelijk ter kennis van zijn medebestuursleden. Tevoren had hij Jonkman zelf laten weten dat die bezwaren geheel los stonden van persoonlijke sym- of antipathieën. ‘De herinnering aan mijne ontmoeting met U ten vorige jare’, zo schreef hij,

‘is mij nog zoo onvermengd aangenaam, dat niets mij liever zou zijn, dan van heeler harte het opgeworpen plan te steunen. Zelf zult gij intusschen de eerste zijn, om te erkennen, dat bij zulk een missie niet af mag gegaan op een alleraangenaamste indruk van iemands persoon, maar dient gevraagd wat de requisita voor zulk een zending zijn en of deze requisita in den voor ons tredende aanwezig zijn.’[153]

In de memorie aan zijn medebestuursleden stelde Kuyper vast dat Jonkman niet voldeed aan die te stellen eisen. Niet alleen miste hij als jong bioloog de ‘industrieele en oeconomische kennis’ en de ‘groote mate van rijper ontwikkeling, van veelzijdige ervaring en omgang met menschen’ die Kuyper noodzakelijk achtte voor een adequate vervulling van de missie, evenmin, en hierop spitsten Kuypers bezwaren zich toe, was Jonkman orthodox en antirevolutionair. Bij gevolg concludeerde Kuyper dat het bestuursvoornemen Jonkman uit te zenden naar de Zuid-Afrikaansche Republiek strijdig was met de statutair vastgelegde levensbeschouwelijke neutraliteit van de NZAV. Onder het motto ‘Al wat andersoortig is oefent invloed. Alleen het gelijksoortige is invloedloos’, meende hij dat alleen zij die orthodox in kerkelijk en antirevolutionair in politiek opzicht waren voor uitzending in aanmerking konden komen. ‘[E]en commissaris’, zo schreef hij zijn medebestuursleden, ‘behoort te zijn van dezelfde godsdienstige belijdenis als Kruger c.s. […] ook op staatkundig terrein ervaren […] en […] gekozen uit de antirevolutionairen.’ Ter verdediging van zijn standpunt verwees Kuyper naar de discussie die eerder, in mei, binnen het NZAV-bestuur was gevoerd:

‘Hoe verward die debatten ook waren, op één punt was men steeds homogeen […] T.w. dat men, met Burgers noodlottig feil voor ogen, vast besloten was, om in alle punten die godsdienstige of kerkelijke verhoudingen raakten geheel den zin te volgen van de heeren Kruger c.s. en zich in allen deele naar de geest van de Transvaal te schikken. […] En steeds nu is, zonder iemands tegenspraak, klaar en duidelijk uitgesproken: dat men vertrouwen zou zoeken te winnen door zich in alles naar de gereformeerde en antirevolutionaire denkbeelden der Transvalers te voegen.’

Niet voor niets had Bührmann op een desbetreffende vraag van Cordes geantwoord: ‘De zending van een niet-orthodoxe zou allerverderfelijkst zijn.’ Kuyper verweet het NZAV-bestuur door de uitzending van Jonkman een aanslag te plegen op juist het krachtigste wapen van de Transvalers tegen de Engelsen: hun Godsvertrouwen. Om zijn bezwaren kracht bij te zetten stelde Kuyper het bestuursvoornemen ter discussie om ¦ 12.000 te reserveren voor Jonkmans missie. Dat geld was afkomstig uit de fondsen die door het Amsterdamse Comité voor Transvaal aan de NZAV waren overgedragen. Kuyper herinnerde eraan dat aan die overdracht de voorwaarde was verbonden dat het geld besteed moest worden in overleg met de Transvaalse regering. Omdat over Jonkmans missie de regering in Pretoria niet was geraadpleegd, achtte hij de besteding van die ¦ 12.000 onrechtmatig. Als voormalig bestuurslid van het Amsterdamse Comité behield Kuyper zich het recht voor ‘ten deze te doen wat doenlijk is, om deze gelden voor hun bestemming te bewaren’.[154]
Kuypers opvattingen werden op de bestuursvergadering van 16 oktober gedeeld door Lion Cachet en Fabius, maar door een meerderheid verworpen. Mr. H.A.L. Hamelberg, consul-generaal van Oranje Vrijstaat in Amsterdam, zag geen heil in het uitzenden van wie dan ook, maar had, indien men iemand wilde uitzenden, geen enkel bezwaar tegen Jonkman en tegen het ter beschikking stellen van ¦ 12.000.[155] Lion Cachet, waarschijnlijk al lang blij de samenwerking met de liberalen te kunnen verbreken, bedankte nog ter vergadering voor het lidmaatschap van de NZAV.[156] Kuyper zegde zijn lidmaatschap op 19 oktober op. ‘Nu, m.i., Uwe Vereeniging [de] belangen [der Transvalers] niet langer bevordert, maar in gevaar brengt is mijn plaats in uw midden onhoudbaar geworden’, zo liet hij NZAV-voorzitter Cordes weten.[157] Fabius volgde op 6 november.[158] De NZAV verwerd zo in Kuypers ogen tot ‘het bureau van de moderne côterie’.[159] Alleen Beelaerts van Blokland, Reveilman en slechts tot op zekere hoogte Kuypers geestverwant, bleef, hoewel orthodox en tegenstander van Jonkmans uitzending,[160] lid van de vereniging. Zijn positie daarbinnen was echter niet onomstreden. J.A. Fruin noemde zijn optreden in de Jonkman-affaire ‘[p]erfide in re, suaviter in modo’, ‘en juist daarom hoogst gevaarlijk’. Hij had hem daarover, zo schreef hij Harting, ‘eens duchtig de les gelezen’.[161]
Fruin begroette de breuk binnen de NZAV ook met nauw verholen vreugde. Er moest, zo liet hij Harting weten, een einde komen aan

‘het kuipen en draaien van de man, die daaraan misschien wel zijn naam ontleent […] Natuurlijk zullen de antirevolutionairen nu en masse de Vereeniging verlaten, maar laat hen hun gang gaan. Eerlijke samenwerking met hen is voor ons toch op den duur onmogelijk, omdat zij minder het belang der Transvaal dan hun eigen partijbelang bedoelen.’[162]

En in de Nieuwe Rotterdamsche Courant voorspelde hij de NZAV een betere toekomst nu ‘de Standaard-partij’ haar had verlaten:

‘de Vereeniging zal er door winnen in kracht. De plaatsen der uittredende leden zullen spoedig worden ingenomen door anderen, voor wie nu de reden vervallen zal, die hen tot nog toe weerhield zich aan te sluiten. Op gewijzigde statuten gevestigd zal de Vereeniging een nieuw en gezonder leven kunnen beginnen. Zoodra zij zal zijn samengesteld uit mannen, wien het, zonder nevenbedoeling, werkelijk te doen is om door haar “de banden met onze Zuid-Afrikaansche stamverwanten nauwer aan te halen”, en die, wars van alle proselietenmakerij, in welke richting ook, maar in hoofdzaak gelijkgezind en daarom elkander vertrouwend, geen geoorloofd middel ongebruikt willen laten om welvaart en beschaving, of, juister nog, welvaart door beschaving in Zuid-Afrika te verspreiden, zal zij kunnen beantwoorden aan het doel waartoe zij werd opgericht, of liever aan het doel dat […] door hare oprichting had moeten bereikt worden.’[163]

De vreugde over de binnen de NZAV ontstane breuk was echter niet unaniem en zeker niet onverdeeld. Zorg baarde het NZAV-bestuur met name de perscampagne die Kuyper ontketende tegen de uitzending van Jonkman. Op 20 oktober had Kuyper de Jonkman-affaire voor het eerst in de publiciteit gebracht. ‘Saâmwerken is alsnu onmogelijk, breken plicht geworden’, liet hij zijn lezers bij die gelegenheid weten.[164] In een reeks hoofdartikelen en driestarren mat hij daarna zijn kritiek op de houding van het dagelijks bestuur van de NZAV breed uit.[165] Onder meer publiceerde De Standaard Kuypers memorie van 14 oktober aan de bestuursleden van de NZAV.[166] Het NZAV-bestuur deed een poging Kuypers kritiek te pareren door een contra-memorie, van de hand van De Louter, uit te geven.[167] In het zicht van de bijzondere ledenvergadering die een definitief oordeel moest uitspreken over de uitzending van Jonkman, zag het zich uiteindelijk echter toch gedwongen terug te komen op het besluit Jonkman een krediet van ¦ 12.000 ter beschikking te stellen. Op 20 november steunde de bijzondere ledenvergadering vervolgens in meerderheid het bestuur. Van de opgekomen zesendertig leden – van de in totaal circa 310 – spraken slechts negen zich tegen de uitzending van Jonkman uit.[168] De kosten van Jonkmans missie werden toen in eerste instantie door de leden van het NZAV-bestuur en door Jonkman zelf gedragen.[169]
Een tweede tegenvaller voor het NZAV-bestuur was dat het ministerie van Buitenlandse Zaken niet langer bereid bleek een Nederlandse consul in Pretoria te benoemen. In de loop van 1882 had de Transvaalse regering de NZAVlaten weten dat zij een dergelijke benoeming zeer op prijs zou stellen.[170] Het NZAV-bestuur had de zaak vervolgens aanhangig gemaakt in Den Haag en in korte tijd passeerde een reeks van namen de revue, laatstelijk en het meest serieus die van J.J. Bijsterus Heemskerk, associé van P. Maclean Cy. in Shanghai en Nederlands consul aldaar.[171] Op Buitenlandse Zaken voelde men evenwel weinig voor de benoeming van een bezoldigd titularis, zoals de NZAV bepleitte; men achtte daarvoor de tijd nog niet rijp.[172] In plaats daarvan opperde men de mogelijkheid de door de NZAV uit te zenden commissaris tot onbezoldigd consul te benoemen. Vooral mr. S. Hannema, chef van de afdeling consulaire en handelszaken van het departement, was voor een dergelijke oplossing geporteerd. Toen evenwel de uitzending van Jonkman aanleiding gaf tot zoveel tumult en bovendien van antirevolutionaire zijde op minister van Buitenlandse Zaken mr. W.F. Rochussen druk werd uitgeoefend om een ander dan Jonkman tot consul in Pretoria te benoemen, werd ten departemente schielijk besloten ‘voorlopig niemand voor die betrekking aan de Koning voor te dragen’. Bij schrijven van 28 februari 1883 liet Rochussen dit aan het NZAV-bestuur weten.[173]
Onzekerheid heerste er binnen het NZAV-bestuur ook over het welslagen van Jonkmans missie na de in de vereniging ontstane breuk. Kuypers invloed op het Transvaalse leiderschap werd groot geschat en men vreesde dat Jonkman in de Zuid-Afrikaansche Republiek slechts op tegenwerking zou stuiten. Die vrees was ook niet zonder grond. In De Standaard van 20 oktober kondigde Kuyper al aan zijn ‘broeders in Transvaal’ te zullen waarschuwen tegen Jonkman, opdat zij ‘bij alle officieele beleefdheid voor den gezondene, wel zorg [zouden] dragen, dat zijn missie geen kwaad doe’.[174] En inderdaad berichtte hij Du Toit over het binnen de NZAV voorgevallene, terwijl Lion Cachet als Nederlands correspondent van De Zuid-Afrikaan, de krant van de gematigde Afrikaner nationalist J.H. (‘Onze Jan’) Hofmeyr, een perscampagne tegen Jonkmans komst ontketende.[175] Zonder veel aarzeling koos Du Toit Kuypers zijde. ‘Met Kruger’, zo antwoordde hij Kuyper begin december, ‘ben ik overeengekomen te breken met de Ned.Z.Afr.Ver. nu onze mannen eruit zijn; en dus die jongeling Jonkman beleefd te ontvangen, maar niet meer.’[176] In maart, nadat Kuyper zijn ‘miserie’ met de NZAV nog eens omstandig had geëtaleerd, herhaalde hij:

‘Overeenkomstig Uw schrijven zal ik Dr. J., wanneer hij hier komt, goed behandelen en zorg dragen dat anderen hetzelfde doen. […] Maar zoodra zijne bemoeiingen blijken in te druischen tegen de goede bedoelingen, welke U kent, zal hij de ondervinding opdoen, en dat reeds bij zijne eerste stappen, dat hij met waakzame personen te doen heeft, die streng op het kwade letten en dat zullen afwenden.’[177]

Tegelijkertijd schreef hij het bestuur van de NZAV een brief, waarin hij zich naar aanleiding van de ontstane breuk nadrukkelijk van de vereniging distantieerde. ‘Ik zou hier’, aldus Du Toit in die brief,

‘kunnen volstaan met in stilte het verlies te betreuren dat een Vereeniging lijdt, wanneer zij de voorlichting en raadgevingen van een man als Dr. Kuyper is, ontberen moet. Maar de ledig geraakte plaats kan in de schatting der goedgezinde Afrikaners niet weder even goed aangevuld worden. Zij die tevens mannen van vooruitgang zijn, hebben van uw hooggeacht voormalig medelid nooit anders horen gewagen dan als van iemand, die het grootste sierraad is van zijn vaderland, en bij herhaling zelven ondervonden, welke groote verplichtingen geheel Zuid-Afrika aan hem heeft.
In gemoede durf ik verzekeren, dat het blijken zal, dat er tusschen uwe vereeniging en de personen in dit land, welker gedrag de grootsten invloed heeft op de overige Afrikaners, door en na het uittreden van Dr. Kuyper, eene verkoeling ontstaan is, welke de onderhouding der wederzijdsche gemeenschap in den weg zal staan. Want de algeheele verwijdering van het rechtzinnige element in uwe vereeniging heeft de rechtzinnige bevolking van Zuid-Afrika deerlijk teleurgesteld.’[178]

Jonkmans missie liep uiteindelijk echter niet uit op de ramp die Kuyper en Du Toit haar hadden voorspeld. Terwijl Jonkman nog in Kaapstad verbleef, in afwachting van de uitkomst van de presidentsverkiezingen in de Zuid-Afrikaansche Republiek, liet Paul Kruger, de toekomstige president, in een brief aan Lion Cachet al weten dat, hoewel hij ‘geen modernen [wilde] hebben om [de Zuid-Afrikaansche Republiek] te regeeren’ en hij ‘ons land niet van modernen [wilde] laten overstroomen’, hij Jonkman ‘behoorlijk’ zou ontvangen:

‘Ik wil […] niet ondankbaar zijn jegens modernen in Holland want tijdens onze worstelstrijd hebben zij ons ook trouw bijgestaan en daar ik beschouw dat Hollanders ons stamverwanten zijn aan ons verbonden door taal en bloed, moet modernisme ons niet schijden in het politiek, hoe spijtlijk ook wij in hoofdzaak omtrent Godsdienst gescheiden zijn, en ik gevoel mij niet gerechtigd om over iemands geweten te gebieden. […] wij moeten elkander ondersteunen, zij uit Holland en wij van hier, zamen werkende als stamverwanten.’[179]

In Pretoria aangekomen slaagde de zachtmoedige en inschikkelijke Jonkman er al spoedig in de Transvaalse leiders van zijn goede bedoelingen te overtuigen. Zozeer zocht hij aansluiting bij de kring van Kuypers Zuid-Afrikaanse geestverwanten, dat Spruyt en De Louter hem later verweten de situatie in de Zuid-Afrikaansche Republiek te veel door Du Toits bril te hebben bezien en dat men in NZAV-kringen zijn missie als mislukt beschouwde. De Louter stelde vast dat Jonkman

‘blijkbaar uitnemend berekend [was] voor zijne taak om vertrouwen te winnen en te wekken, doch even duidelijk niet scherpzinnig en high-minded genoeg, om mensen en dingen objectief te beschouwen en te beoordeelen. Daardoor werd hij onbewust orgaan van een begaafd man, denkende, voelende en sprekende als du Toit, kortom editio altera, liever nog de copie van dien man.’[180]

Kuyper daarentegen berichtte in De Standaard met voldoening dat Jonkman ‘wel verre van de zijde der dissentiëerenden in Transvaal te kiezen, veeleer op voet van hartelijke sympathie verkeert met den heer Du Toit, het geestelijk hoofd der Afrikaansche Calvinisten’.[181]
Aanvankelijk echter was Kuyper, en met hem Lion Cachet, weinig ingenomen met de berichten over de hartelijke ontvangst van Jonkman in Pretoria. Verbitterd kondigde Lion Cachet aan zich te gaan ‘losmaken van Transvaal – met smart en andermaal teleurgesteld’. Zijns inziens was Du Toit ‘[b]lijkbaar […] door de “humaniteit” van Jonkman ingepalmd’.[182] Kuyper deed bij Du Toit zijn beklag, maar draaide bij toen deze hem op de hoogte stelde van Jonkmans positieve houding. De scherpe reacties van zijn Nederlandse geestverwanten op zijn hartelijke omgang met Jonkman en de tegen de door die geestverwanten gewekte verwachting in goede ervaringen met de commissaris van de NZAV waren voor Du Toit evenwel aanleiding enige afstand te nemen van Kuyper cum suis en te kiezen voor een neutraler standpunt in de Nederlandse partijstrijd. ‘[I]n alle geschilzaken, zoo ook in deze’, zo gaf hij Kuyper te verstaan, ‘ijver [ik niet] voor of tegen personen of partijschappen, maar wel met alle kracht door God mij verleend voor of tegen beginselen, naar overtuiging en geweten.’ Enigermate ook wenste hij zich te distantiëren van zijn brief van 21 maart aan het NZAV-bestuur. ‘[I]k [heb] mij’, zo verklaarde hij nu,

‘met het geschil tusschen de partijen in Nederland niet […] ingelaten, anders dan mijn leedwezen uit te drukken dat daardoor verdeeldheid is ontstaan; ook heb ik geen partij gekozen, dan in zoover dat ik op mij nam te waken tegen het propaganda maken voor het modernisme.
Dit was en is nog steeds mijn standpunt.’[183]

Du Toit leek tot het besef gekomen dat het voor de Zuid-Afrikaansche Republiek, al was het maar met het oog op haar immense kapitaalbehoeften, uiterst onwenselijk was om in haar contacten met Nederland al te exclusief op het kompas van Kuyper te varen.

De Emigratiecommissie

Wellicht heeft Du Toits wens in het vervolg enige afstand te bewaren ten opzichte van zijn Nederlandse geestverwanten ook bijgedragen tot zijn terughoudendheid ten aanzien van Kuypers voorstellen om de Emigratiecommissie, na de NZAV de belangrijkste pro-Boer organisatie in deze jaren, te doen overnemen door de antirevolutionairen. De Emigratiecommissie, voluit aanvankelijk Commissie voor de Emigratie naar Zuid-Afrika, later Commissie tot het Verzamelen van Gegevens betreffende eene Emigratie naar Zuid-Afrika geheten, was opgericht op 24 februari 1882, tegelijk met de Commissie voor de Stoomvaart naar Zuid-Afrika onder Hollandsche Vlag. Beide commissies waren het resultaat van samenwerking tussen enerzijds ‘maatschappelijk werkers, […] bestuurders van liefdadige vereenigingen en reclasseeringsinstituten, […] drankbestrijders en mannen van inwendige zending’, en anderzijds ‘een luidruchtige groep van “Transvaal-vrienden” uit den burgerstand, kleine zakenlieden, handelsreizigers en lagere ambtenaren, meerendeels geboren ijveraars, die tot de minst critische supporters behoorden van de zaak der Transvalers en die bij alle eerlijke bedoelingen in hun ijdelheid gewicht trachtten te ontleenen aan hun relaties met de in Europeesche verhoudingen immers zoo weinig geverseerde voormannen der Boeren’.[184] In het streven de boeren en handwerkslieden die in deze jaren van agrarische crisis in steeds grotere getale naar de Verenigde Staten trokken, voor de Nederlandse natie te behouden, stelde de commissie zich ten doel ‘het versterken van het Hollandsch-Afrikaansch element in Zuid-Afrika, bepaaldelijk in Transvaal, door het bevorderen van de emigratie derwaarts van geschikte personen.’[185]
Voorzitter van de Emigratiecommissie was prof. dr. J.W. Gunning. Gunning was scheikundige, sinds 1865 hoogleraar te Amsterdam aan het Athenaeum respectievelijk de Gemeentelijke Universiteit. Hij had een Reveil-achtergrond en was, in navolging van zijn broer, de theoloog J.H. Gunning jr., de ethische richting toegedaan. Ofschoon hij dus in geloof dicht bij de rechtzinnigen stond, distantieerde hij zich van wat hij zag als Kuypers intellectualistisch en demagogisch drijven. Gelijk voor zijn broer was voor hem de eenheid van de gemeente belangrijker dan de strijd om de waarheid. Hij was een verklaard tegenstander van de Vrije Universiteit en later van de Doleantie. Naast Gunning trad de hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad Van Duyl op als ondervoorzitter, de koopman J.H. Janson jr. als secretaris en mr. H.N. Teding van Berkhout, substituut-officier van justitie bij de Amsterdamse arrondissementsrechtbank, tevens lid van het Genootschap tot Zedelijke Verbetering van Gevangenen, als penningmeester. Verdere bestuursleden waren H.Th. Bührmann, voormalig lid van de Transvaalse Volksraad, D.H. Schmüll, handelaar in verfwaren en eerder vicepresident van het Purmerender Transvaalcomité, H.H. Timmer, handelsreiziger en lid van de Dageraad en de Eerste Internationale, mr. C.M.J. Willeumier, liberaal en oud-hoogleraar in het strafrecht aan het Amsterdamse Athenaeum, tevens lid van het Nederlandsch Bijbelgenootschap, en H.F.J. de Waal, verzekeringsagent en ondervoorzitter van de vereniging Liefdadigheid naar Vermogen.[186] Haar orgaan vond de Emigratiecommissie in De Hollandsche Afrikaan, een weekblad dat voor het eerst op 3 mei 1882, voor het laatst op 13 februari 1884 verscheen.[187]
Kuyper wilde aanvankelijk met deze, in zijn ogen grotendeels uit ‘roode radicalen’[188] bestaande Emigratiecommissie niets van doen hebben. Toen de commissie de NZAV om een subsidie van ¦ 500 vroeg,[189]meende hij dat daarop afwijzend beschikt moest worden

‘én om de informaliteit dat de ééne Vereeniging koers gaat op de andere; én omdat aldus het terrein voor activiteit van de Z. Afr. Vereeniging wordt geoccupeerd […] én omdat ik het plan van immigratie op de voorgestelde voet niet onvoorwaardelijk beaam.
Ik acht dat men er de Transvaal mee ruïneeren kan.’[190]

Het hem aangeboden lidmaatschap van de commissie weigerde hij. Het nam niet weg dat Kuyper de activiteiten van de Emigratiecommissie met aandacht volgde.[191] Kuyper was aanvankelijk geen voorstander van emigratie. ‘Er is geen volk over ten onzent, en in het volk dat er over is, zit pit noch geest’, zo schreef hij in 1879 in Ons Program.[192] Het was een opvatting waarvan hij aan het begin van de jaren tachtig terugkwam onder invloed van de op gang komende emigratiestroom en de mogelijkheden die Zuid-Afrika leek te bieden. Hij ging zich verzetten tegen de aanvankelijk ook door hem gedeelde opvatting dat door emigratie ‘aan het vaderland krachten onttrokken [worden] die men moet trachten te behouden, en zulks juist met het oog op de beduchtheid […] dat onze nationaliteit te eeniger tijd zal verdwijnen in die van een naburig, aanverwant volk’.[193] Neen, voor Kuyper werd emigratie juist het bewijs voor de vitaliteit van de natie:

‘In de emigratie ligt de toekomst van het “geleerd proletariaat”.
In de emigratie de oplossing van het probleem der werkeloosheid.

In de emigratie moet het heilmiddel gezocht tegen de demoralisatie, die elke al te machtige opeenhoping van volk op eenzelfde plaats steeds onverbiddelijk na zich sleept.

Zelfs mag gezegd, dat een volksstam, die niet aan de emigratie deelneemt, allengs zijn beteekenis verliezen moet in de
wereldbeweging der toekomst.’[194]

Het nam niet weg, het impliceerde dat ook Kuyper meende dat de emigrant voor de Nederlandse natie behouden moest blijven. Met zorg zag hij hoe Nederlandse emigranten in overgrote meerderheid de Verenigde Staten als hun nieuwe vaderland kozen. Daar immers domineerde het Engelse element en zou de Nederlandse immigrant zijn nationaal karakter niet kunnen handhaven.[195] De Nederlander in Noord-Amerika maakte op Kuyper de indruk ‘een wezen uit eenig Darwinistisch overgangstijdperk’ te zijn, een halfvorm tussen de Nederlander en de Engelsman.[196] Emigratie betekende zo een verzwakking voor de Nederlandse natie. Zuid-Afrika leek echter de mogelijkheid te bieden om voor Nederland te worden wat de Verenigde Staten voor Engeland waren: een gebied ter kolonisering voor en ter versterking van de Nederlandse natie, ‘een jongere maatschappij, die ons Hollandsch leven in geheel eigenaardigen vorm op Afrika’s bodem zou voortzetten’.[197] Maar volgens Kuyper zouden de emigranten naar de Zuid-Afrikaansche Republiek zorgvuldig geselecteerd moeten worden. Zij zouden aan moeten sluiten op de ‘eigen kloeken levenstoon’, het zijns inziens in de eerste plaats gereformeerde volkskarakter van de Boeren, omdat anders de eenheid van de Boerennatie zou worden ondermijnd, ‘de manlijke kracht van de jonge republiek gebroken’, waardoor die alsnog ten prooi zou vallen aan de Engelsen.[198] De samenstelling van de Emigratiecommissie gaf Kuyper echter niet het vertrouwen dat een dergelijke selectie van emigranten bij haar in goede handen was.[199]
In de zomer van 1882 ontving Kuyper evenwel een brief van Du Toit waarin deze hem meedeelde dat in de Zuid-Afrikaansche Republiek een officiële emigratiecommissie onder Du Toits voorzitterschap zou worden gevormd ter regeling van de immigratie. De bedoeling was dan ‘dat het Komite uit Holland slechts zoovele en zodanige emigranten uitzende als vanhier gevraagd wordt’. Du Toit drong er in dat verband bij Kuyper op aan zitting te nemen in de Nederlandse Emigratiecommissie,

‘onder deze verstandhouding dat ik dan (gelijk met de Z.A. Vereeniging) zooveel mogelijk door uwe bemiddeling alles gedaan krijg. Ik zie ‘t met U, Emigratie kan evenveel kwaad als goed werken; daarom moeten we den stroom zien te leiden.’[200]

Lion Cachet, die een soortgelijk schrijven van Du Toit ontving, drong er nu bij Kuyper op aan een eigen emigratiecommissie van geestverwanten op te richten. ‘Met de commissie Gunning-Schmüll kan ik niet samengaan’, zo liet hij weten.[201] Kuyper echter achtte met de oprichting van een Transvaalse emigratiecommissie de beletselen voor hem om toe te treden tot de Emigratiecommissie van Gunning cum suis weggenomen en deed wat Du Toit van hem vroeg: hij werd bestuurslid van de Nederlandse commissie.[202]
Zijn lidmaatschap van de Emigratiecommissie deed niets af aan de bezwaren die Kuyper tegen haar samenstelling had. Zij was, zo schreef hij aan Du Toit, ‘een Comité van goed geïntentioneerde mannen […], maar niet in Uw geest. […] Er is geen beleid noch beginsel.’[203] Kuyper slaagde er evenwel in door de Emigratiecommissie een voorstel te doen aannemen om de Transvaalse regering te vragen de commissie aan te stellen als ‘Europeesch Centraal-Bureau voor Emigratie’, optredend als agente van de emigratiecommissie van Du Toit. Wat Kuyper daarmee meende te winnen was dat dan de regering van de Zuid-Afrikaansche Republiek invloed kon uitoefenen op de samenstelling van de commissie, dat zij het optreden van andere commissies op hetzelfde terrein kon verhinderen en dat de emigratie in het vervolg aan instructies, met name ten aanzien van het zedelijk gedrag en de godsdienstige richting van de emigranten, zou worden gebonden. In die zin schreef hij ook, achter de rug van zijn mede-commissieleden om, aan Du Toit. Kuyper adviseerde Du Toit de door de Emigratiecommissie opgestelde instructie ten behoeve van het op te richten ‘Algemeen Kantoor voor Landverhuizing’ te Amsterdam op een aantal punten te wijzigen en de voordracht die de Emigratiecommissie zou doen voor de benoeming van nieuwe commissieleden naast zich neer te leggen. Kuypers voorstellen kwamen er op neer dat door aanvulling van het bestuur en door de creatie van een uit tien personen bestaande raad van advies de antirevolutionairen een doorslaggevende stem zouden krijgen in de Emigratiecommissie; ter verzekering van dit antirevolutionaire overwicht zou de Transvaalse regering de benoeming van bestuursleden en adviserende leden geheel aan zich moeten trekken. Voor zichzelf zag Kuyper in de nieuw opgezette Emigratiecommissie het assessorschap en het lidmaatschap van de commissie die de godsdienstige en zedelijke geaardheid van de aspirant-emigranten moest onderzoeken weggelegd.[204] Kuyper leek zijn zin te krijgen. In een brief van 4 december 1882 liet Du Toit hem weten dat ‘[i]nzake Emigratie […] gehandeld [zal] worden in uwen geest’.[205] Kuypers plannen werden echter doorkruist door de Jonkman-affaire en de nieuwe kijk die zij Du Toit gaf op de partijverhoudingen in Nederland. Het leidde ertoe dat, ondanks Du Toits toezeggingen, de teugels vanuit Pretoria nooit zo strak werden aangehaald als Kuyper had gewenst en verwacht. De Jonkman-affaire had voor de Emigratiecommissie echter nog verderstrekkende gevolgen.
Kuyper zelf stelde het binnen de NZAV uitgebroken bestuursconflict op 6 november in de Emigratiecommissie aan de orde. Zonder veel discussie kozen de leden van de commissie in dit conflict voor het door Kuyper verdedigde standpunt.[206] ‘Onze Commissie,’ zo liet Gunning het NZAV-bestuur weten in een in overleg met Kuyper en Bührmann opgestelde brief,

‘al deelen wellicht niet al hare leden hoofd voor hoofd de overtuiging der Transvalers, erkent eenstemmig dat deze onze broeders nog altoos voor gezin en maatschappij, voor Staat en school, bij vrede en oorlog, hun hope bouwen op de Vaderen God, gelijk de vaderen Hem beleden, en dat een vertegenwoordiger van eene daarmede niet overeenkomstige denkwijze volkomen ongeschikt moet heten om te onderzoeken wat Transvaal uit Nederland gebruiken kan, wat Nederland voor Transvaal vermag te doen.’[207]

En de redactie van De Hollandsche Afrikaan berichtte zijn lezers dat

‘[h]oewel wij om der onpartijdigheid wille ons blad beschikbaar stellen voor beide partijen […] alles wat ons van de toestanden hier te lande en van de toestanden en eischen van Zuid-Afrika, in ‘t bijzonder Transvaal, bekend is, ons dringt tot het kiezen van de zijde van die bestuursleden der Nederl. Zuid-Afrikaansche Vereeniging, welke, hoewel in dit bestuur de minderheid uitmakende, ongetwijfeld in de zaak in kwestie de meening vertegenwoordigen van de overgroote meerderheid der leden.’[208]

Twee overwegingen waren het die de Emigratiecommissie ertoe brachten positie te kiezen tegen de uitzending van Jonkman. In de eerste plaats zag de Emigratiecommissie in de uitzending een aantasting van haar eigen rol. Jonkman zou zijn onderzoekingen in Zuid-Afrika immers ongetwijfeld ook uitstrekken tot de emigratie, waarmee de NZAV zich zou begeven op een terrein dat zij tot dan exclusief aan de Emigratiecommissie had gelaten. De opzet van de Emigratiecommissie om zich ter zake door haar Transvaalse zustercommissie ‘tot […] eenige lasthebber’ te doen aanstellen, zou daardoor kunnen worden doorkruist.[209]
Belangrijker echter was het financiële argument. De Emigratiecommissie had zich tot dan toe beperkt tot het verzamelen van inlichtingen. Ze had daartoe een renteloos voorschot ontvangen van de NZAV.[210] Op niet al te lange termijn wilde zij nu echter overgaan tot het daadwerkelijk uitzenden van emigranten naar de Zuid-Afrikaansche Republiek. Zich ervan bewust dat van Transvaalse zijde geen gelden waren te verwachten om de overtocht van Nederlandse emigranten te financieren, keek de Emigratiecommissie opnieuw naar de NZAV in de hoop dat die bereid zou zijn als voorschotkas te functioneren. Al direct echter nadat het bestuur van de NZAVbesloten had tot de uitzending van Jonkman liet de adjunct-secretaris van de NZAV, N.A. Calisch, aan Van Duyl weten dat de kosten gemoeid met die uitzending het de NZAV onmogelijk maakten de Emigratiecommissie in de nabije toekomst financieel te ondersteunen.[211] Als gevolg van de uitzending van Jonkman zag de Emigratiecommissie zich dus de mogelijkheid ontnomen de emigratie naar de Zuid-Afrikaansche Republiek daadwerkelijk te stimuleren. Even nog flakkerde de hoop op, toen het NZAV-bestuur terugkwam op zijn aanvankelijke voornemen om de door het voormalige Amsterdamse Comité voor Transvaal aan de vereniging geschonken geld voor Jonkmans missie ter beschikking te stellen. Maar aan die hoop werd vrijwel onmiddellijk de bodem ingeslagen. In een schrijven van 1 december 1882 liet het bestuur van de NZAV, uiterst geïrriteerd door de openlijke kritiek van de Emigratiecommissie, weten dat het zich genoodzaakt zag de voorwaarden waaronder het Amsterdamse Comité voor Transvaal zijn gelden had overgedragen aan de NZAV – namelijk om die gelden ‘in overleg met de Transvaalsche Regeering te besteden zoveel mogelijk overeenkomstig de bedoelingen der gevers’, en dat wilde volgens NZAV én Emigratiecommissie zeggen ‘zooveel mogelijk in het belang der Transvalers zelven’ – in het vervolg zeer strikt te interpreteren. De financiering van de overtocht van emigranten zou met behulp van die gelden daarom niet mogelijk zijn. ‘[V]oorstellen in dien geest van het Transvaalsche Emigratie Comité [kunnen] niet in aanmerking komen.’[212]
De Jonkman-affaire doemde de Emigratiecommissie zo tot inactiviteit. Ze bleef slechts een commissie tot het verzamelen van inlichtingen. Niet meer dan één wapenfeit kon zij uiteindelijk op haar naam schrijven: de vestiging van een Nederlandse landbouwkolonie in Groot Suikerbosch en Elandslaagte in mei 1884. Formeel was dit kolonisatieproject een aangelegenheid van particulieren, van H.N. Teding van Berkhout, H.Th. Bührmann, J.W. Gunning, G.J.Th. Beelaerts van Blokland en W. Dull, directeur van de Maatschappij tot Bevordering der Handelsbetrekkingen tusschen Nederland en Zuid-Afrika, als financiers, van J.H. Janson jr. als leider van de kolonisten, maar het droeg althans het nadrukkelijk stempel van de Emigratiecommissie. Zij vormde het kader waarbinnen het project tot stand kwam en zij selecteerde de emigranten, daarbij niet eisend dat zij de orthodoxe beginselen waren toegedaan, maar hun wel vragend zich te verplichten ‘om de denkwijze en den geest der instellingen daar te lande oprechtelijk te eeren en te ontzien’.[213]
De passiviteit van de Emigratiecommissie was uiteindelijk aanleiding tot een breuk ook binnen de commissie zelf. De Transvaal-vrienden Schmüll en Timmer, die emigratie verdedigden als een Nederlands nationaal belang en, onder verwijzing naar de gunstige winstvooruitzichten, pleitten voor een grootschalige aanpak van de kolonisatie van Zuid-Afrika door Nederlandse emigranten, ergerden zich aan het onvermogen van de Emigratiecommissie. Ten lange leste verlieten zij de commissie om hun eigen Permanente Commissie van de Zuid-Afrikaansche Republiek te vormen, waarvan Schmüll voorzitter werd.[214] Het was deze commissie die in 1883 de Transvaalse inzending verzorgde op de Koloniale of Wereldtentoonstelling in Amsterdam en aansluitend in Keulen.[215] Uit haar midden ook kwam de Maatschappij tot Bevordering der Handelsbetrekkingen tusschen Nederland en Zuid-Afrika voort, een combinatie van industriëlen uit verschillende branches, onder wie de directie van de Maatschappij de uit de Zuid-Afrikaansche Republiek binnenkomende bestellingen verdeelde.[216] Het bestaan van de Permanente Commissie was echter marginaal. Pogingen van Schmüll om het christelijke Algemeen Werkliedenverbond Patrimonium te bewegen zich bij zijn commissie aan te sluiten, waardoor de positie van die commissie in de kring van Nederlandse Boerenvrienden belangrijk zou zijn versterkt, liepen op niets uit; Klaas Kater, voorzitter van Patrimonium, meende dat er in Schmülls commissie ‘elementen gevonden worden die elke saamwerking ons verbieden’.[217] Eind 1883 kon Gunning Kuyper dan ook melden dat de Permanente Commissie ‘al voor drie kwart verloopen’ was.[218]

De affaire-Jorissen

In de kring van Nederlandse Boerenvrienden heerste aan de vooravond van de komst van de derde Transvaalse deputatie naar Europa zodoende alom verdeeldheid. Du Toit had, door Kuyper op de hoogte gebracht van de troebelen binnen de NZAV en van het overwicht van ‘roode radicalen’ binnen de Emigratiecommissie, aanvankelijk op zo’n scheiding der geesten aangedrongen. ‘Waarom’, zo vroeg hij Kuyper eind 1882,

‘altoos onze krachten laten verteeren door vermenging met vreemden? Kan er niet in Holland een Vereeniging gevormd worden enkel van onze mannen? Dan zorg ik dat zij erkend wordt, met uitsluiting van anderen.’[219]

Zijn kennismaking met Jonkman deed hem echter ook in dit opzicht van positie veranderen: hij ging bij zijn Nederlandse geestverwanten aandringen op nationale samenwerking in de acties ten gunste van de Boeren.[220] Op eigen wijze poogde hij tot die samenwerking bij te dragen door behalve Kuyper en Beelaerts van Blokland ook De Louter uit te nodigen naar Londen te komen om de Transvaalse deputatie daar bij te staan in haar onderhandelingen met de Engelse regering. Du Toit zelf was er echter de oorzaak van niet alleen dat De Louter weigerde, maar zelfs dat met hem alle Nederlandse liberalen zich dreigden te distantiëren van de deputatie.
Als superintendent van onderwijs was Du Toit in de Zuid-Afrikaansche Republiek gestuit op de persoon van Eduard Johan Pieter Jorissen, doctor in de theologie. Jorissen was afkomstig uit Nederland. Hij had theologie gestudeerd in Utrecht en was predikant geweest in Kampereiland, Broek in Waterland en Groningen. In 1868 had hij zijn ambt neergelegd om hoofdredacteur te worden van de Provinciale Groninger Courant. In 1875 trok hij in het gevolg van Burgers naar de Zuid-Afrikaansche Republiek, waar hij, hoewel geen jurist, in 1876 staatsprocureur werd. Jorissen speelde een vooraanstaande rol in het Transvaalse verzet tegen de annexatie van 1877. Met Kruger maakte hij deel uit van de eerste deputatie naar Londen en in 1881 leidde hij aan Transvaalse zijde de onderhandelingen die resulteerden in de Conventie van Pretoria. In 1878 door de Engelsen ontslagen werd hij na het herstel van de Transvaalse onafhankelijkheid opnieuw tot staatsprocureur benoemd.
Onder de hoge ambtenaren van de Zuid-Afrikaansche republiek had Jorissen twee belangrijke tegenstanders: opperrechter J.G. Kotzé, die hem onvoldoende gekwalificeerd achtte voor het staatsprocureurschap,[221] en Du Toit. Du Toits bezwaren richtten zich vooral op de vrijzinnigheid en het liberalisme van Jorissen, die zich beschouwde als een leerling van John Stuart Mill en de vrijzinnige Amerikaanse theoloog Theodore Parker; in 1875, nog in Groningen, was Jorissen zelfs toegetreden tot de vrijmetselarij. Bovendien was Jorissen als vertrouweling van Kruger een hinderpaal in Du Toits streven naar politieke macht. IJdel en begerig zich als vertegenwoordiger van de jonge Transvaalse republiek aan de wereld te presenteren, wenste Du Toit deel uit te maken van de deputatie die naar Europa zou worden gezonden ten einde financiële steun voor de Zuid-Afrikaansche Republiek te verwerven en met de Engelse regering te onderhandelen over herziening van de Conventie van Pretoria. Zolang Jorissen evenwel zijn vooraanstaande positie in Krugers omgeving behield, bestond nauwelijks enig uitzicht op de benoeming van Du Toit tot lid van de deputatie. Vanaf zijn aankomst in Pretoria streefde Du Toit naar het ontslag van Jorissen. Al eind 1882 vroeg hij Kuyper uit te zien naar ‘een degelijken rechtsgeleerde, van Geref. beginselen’, ter vervanging van ‘onzen modernen predikant, die nu hier rechtsgeleerde speelt’.[222] Het zoeken was slechts naar een aanleiding om de staatsprocureur ten val te brengen. Die werd gevonden toen Jorissen in 1883 om gezondheidsredenen naar Europa ging. Gedurende zijn afwezigheid bracht een commissie, met Kotzé als voorzitter en Du Toit als secretaris, rapport uit over de besprekingen die sinds 1881 eerst met de Nederlandsche Handel-Maatschappij, later met de NZAV en met diverse particulieren waren gevoerd over de oprichting van een Transvaalse nationale bank. Jorissen werd in dat rapport verantwoordelijk gesteld voor het mislukken van die besprekingen.[223] De Volksraad nam de conclusies van de commissie over zonder Jorissen ook maar een mogelijkheid tot verweer te geven. Ze wees Du Toit aan tot lid van de uit te zenden deputatie en gebruikte Jorissens onvoldoende juridische scholing als argument om hem als staatsprocureur te ontslaan. Ter vervanging van Jorissen zou, zo besloot men, de deputatie Nederlandse deskundigen aantrekken om haar in Londen van advies te dienen.[224]
Jorissens ontslag maakte buiten de Zuid-Afrikaansche Republiek een slechte indruk. In Londen, waar Jorissen met uitdrukkelijke toestemming van de Transvaalse regering juist informele besprekingen voerde ter voorbereiding van de herziening van de Conventie van Pretoria, reageerde men ontstemd.[225] Ook in Nederland was niemand ingenomen met het gebeurde. Gunning stelde vast dat het ‘de positie der hier weldra te verwachten [deputatie] almeer moeilijker’ zou maken.[226] Zelfs Kuyper aarzelde om het geïntrigeer van Du Toit te verdedigen, niet in de laatste plaats waarschijnlijk omdat hij in Jorissen een liberaal vermoedde die zich bewust was van het rechtzinnige, antirevolutionaire karakter van de Zuid-Afrikaansche Republiek en niettegenstaande zijn eigen vrijzinnigheid in Nederland in de eerste plaats aansluiting zocht bij de orthodoxen binnen de Nederlandse Hervormde Kerk.[227]Vaststellend dat Jorissens ontslag ‘onhandig’ was uitgevoerd, verklaarde Kuyper in De Standaard zijn oordeel op te schorten tot meer bekend was over de ‘ernstiger motieven’ die de Transvaalse regering wellicht had gehad.[228]Toen hij uiteindelijk toch tegen Jorissen partij koos, gebeurde dat in de onjuiste veronderstelling dat deze zijn besprekingen met de Engelse regering had gevoerd ‘zonder daartoe expresselijk gemachtigd te zijn’.[229]
Veel uitgesprokener was de reactie van de Nederlandse liberalen. Voor hen was het ontslag van Jorissen de laatste druppel in een emmer die toch al vol was van teleurstellingen. Als gevolg van de eerste reacties uit Pretoria op de uitzending van Jonkman was de Zuid-Afrikaansche Republiek al in de geur komen te staan van een wel zeer exclusieve, onverdraagzaam orthodoxe godsdienstigheid. De slordige en trage reactie van de Transvaalse leiders op aanbiedingen vanuit Nederland om te helpen bij de oprichting van een Transvaalse nationale bank en de mate waarin de Transvaalse regering de behartiging van haar belangen in Nederland leek te willen toevertrouwen aan de kleinburgerlijke Transvaal-vrienden waren weinig vertrouwenwekkend geweest. En dan had de strop die Nederlandse leveranciers leden toen de Transvaalse Nationale Boeren Handelsvereeniging in financiële moeilijkheden kwam en haar aandeelhouders hun verplichtingen niet nakwamen, de Zuid-Afrikaansche Republiek belast met het odium een land te zijn waar geen rechtszekerheid bestond.[230] Het ontslag van Jorissen werd ervaren als een bevestiging van die gegroeide negatieve indruk; het leek het negatieve beeld dat in Nederland van oudsher van de Boeren bestond en in liberale kring nog maar zo kort tevoren had moeten wijken voor een nationalistische verheerlijking van diezelfde Boeren, opnieuw de overhand te geven. Binnen het bestuur van de NZAV, dat enkele maanden eerder, in mei 1883, persoonlijk met Jorissen kennis had gemaakt, bestond overigens weinig sympathie voor de ontslagen staatsprocureur. Men vond dat hij een onaangenaam karakter had en onderkende dat zijn hooghartigheid in de Zuid-Afrikaansche Republiek weerzin kon hebben gewekt. Tegelijkertijd echter achtte men Jorissen ‘een man van onmiskenbaren talenten, grooten ijver en warme liefde voor zijn aangenomen vaderland, die in bange dagen onschatbare diensten aan de nationale zaak had bewezen’. Zijn ontslag zag men daarom als een daad van ‘groote ondankbaarheid en ergerlijk onrecht’.[231]
De teleurstelling van de liberalen leek vergaande consequenties te krijgen. De Louter weigerde de uitnodiging om de deputatie van juridisch advies te dienen te aanvaarden. Hij kon, zo verklaarde hij, ‘de plaats niet innemen, die op eene in mijn oog onverantwoordelijke wijze aan een ander is ontnomen, zonder in eigen oog medeplichtig te worden aan het gepleegde kwaad’.[232] Harting, inmiddels met emeritaat en van Utrecht naar Amersfoort verhuisd, verklaarde geen prijs te stellen op een bezoek van de deputatie tijdens haar verblijf in Nederland.[233] In Rotterdam liet een drietal personen weten niet langer beschikbaar te zijn voor een te vormen ontvangstcomité.[234]De senaat van het studentencorps van de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam gaf te kennen dat het corps niet langer bereid was bij de aankomst van de deputatie in de hoofdstad een erewacht te vormen.[235] Tekenend voor de sfeer die zo was ontstaan rond het bezoek van de Transvaalse deputatie was het advies dat Jac. Wertheim eind november 1883 vanuit Londen aan het NZAV-bestuur gaf: ‘Wij moeten met die deputatie zeer zorgvuldig vermijden hun hulp en steun te beloven.’[236]
Wertheims oordeel ging het NZAV-bestuur echter te ver. Direct al toen het werd geconfronteerd met het ontslag van Jorissen had het gemeend zich ervoor te moeten ‘wachten – altijd qua Vereeniging – zelfs maar in schijn partij te trekken voor Jorissen’.[237] Harting en De Louter hadden ook duidelijk gemaakt dat hun persoonlijke afzijdigheid anderen er niet van mocht weerhouden de deputatie een hartelijk, nationaal welkom te bereiden.[238] Bovendien hoopten zij vurig op een verzoening tussen Jorissen en de Transvaalse leiders, die het hun mogelijk zou maken zich opnieuw persoonlijk met enthousiasme voor de zaak der Boeren in te zetten. Met name Harting spande zich daarvoor in.[239] De hoop dat een verzoening mogelijk zou zijn stemde hem ook steeds milder jegens de deputatie. Was hij uit ongenoegen over Jorissens ontslag aanvankelijk niet bereid om de deputatie tijdens haar bezoek aan Nederland persoonlijk te ontvangen, later liet hij Kruger weten hem graag de hand te zullen drukken; alleen Du Toit en Smit vroeg hij, onder verwijzing naar zijn gezondheidstoestand, af te zien van een bezoek aan Amersfoort.[240]Heel even overwoog hij zelfs toe te geven aan de door de Amersfoortse burgemeester T.A.J. van Asch van Wijck op hem uitgeoefende aandrang om het ere-voorzitterschap op zich te nemen van het plaatselijke comité tot ontvangst van de Transvaalse deputatie; hij schreef de brief waarin hij het ere-voorzitterschap accepteerde wel, maar verzond hem uiteindelijk niet.[241] Tegelijkertijd groeide de aarzeling over de houding die men aan zou moeten nemen jegens de deputatie indien de pogingen om Jorissen met Kruger te verzoenen zouden mislukken. De berichten die de NZAV vanuit Londen bereikten over de deputatie klonken steeds positiever en in combinatie met de toch al bestaande twijfels over Jorissens karakter leidde het ertoe dat steeds openlijker de vraag werd gesteld in hoeverre Jorissen zijn ontslag toch aan zichzelf te wijten had. Mr. W.C. Mees en mr. N.G. Pierson, president respectievelijk directeur van De Nederlandsche Bank, kregen een bijzonder gunstige indruk van de deputatie toen zij met haar in Londen besprekingen voerden over financiële steun aan de Transvaalse republiek.[242] Jonkman, met de deputatie meegereisd naar Europa en begin december vanuit Londen in Nederland gearriveerd, gaf hoog op juist van de door zijn Nederlandse geestverwanten zo gewantrouwde Du Toit.[243] Zijn radicaal andere kijk op het ontslag van Jorissen liet niet na Harting te beïnvloeden. Ook Wertheim, eerder zo afwijzend, bleek na in Londen kennis te hebben gemaakt met Du Toit geheel voor de ambitieuze Zuid-Afrikaanse politicus gewonnen. Aan Harting liet hij weten dat Kuyper het wegens zijn heerszucht bij Du Toit verbruid had. Maar:

‘Du Toit is te goed politicus om niet alles te vermijden hetgeen tot een breuk met K. zou kunnen aanleiding geven, hij helt reeds bijna geheel, dank de tact van Jonkman, tot ons over – en daarom moet ieder onzer zorgen die toenadering te bevorderen en te voorkomen, dat hij zich terug […] in de armen van K. werpt […]. Had de Louter aangenomen – onze invloed ware dan zeker reeds nu wortelvast geworden.’[244]

Met deze opmerking raakte Wertheim een gevoelig punt. Niet zonder schrik had De Louter gezien hoe Kuyper begin november op verzoek van Du Toit naar Londen was vertrokken om de deputatie daar ter zijde te staan. De Louter vermoedde een nieuwe poging van de antirevolutionaire leider om, nu gebruik makend van de liberale afzijdigheid jegens de deputatie, de relaties met de Transvalers voor zich en de zijnen te monopoliseren; Kuyper wilde Kruger ‘inpalmen en hem het liefst alleen op sleeptouw nemen’.[245] Het wantrouwen jegens Kuyper laaide in liberale kring weer hoog op. De Louter waarschuwde Kruger ‘tegen elke aansluiting bij eenige speciale partij als noodlottig voor zijne zending’.[246] En in het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad hield hij Kuyper, die in De Standaard voortdurend pleitte voor een nationale ontvangst van de deputatie waarbij niet het geloof maar ‘de banden des bloeds’ de boventoon moesten voeren,[247] voor dat de ‘schijn, die geheel in strijd met hare wenschen en belangen op de deputatie begint te rusten, alsof zij zich in de armen der Standaard-partij geworpen had’, het succes van het bezoek van de deputatie aan Nederland bedreigde:

‘Niets kan haar meer benadeelen, dan die schijn alleen, want wel verre van invloed te bezitten in die kringen, van waar de hulp moet komen, bestaat er gegronde vrees, dat deze zich zullen terugtrekken, zoodra zij – zij het ook ten onrechte – vermoeden, dat hunne hulp eene partij hier te lande ten goede zou kunnen komen. De Standaard beseft dit volkomen en verlangt alleen, dat anderen haar de natuurlijke sympathie der geestverwantschap niet zullen misgunnen. Welnu, die zij haar volkomen gegund, mits zij zich bepale tot kerkelijk gebied. Doch aan wien de schuld, indien het op den voorgrond treden van de Standaard of haren redacteur het sein tot waakzaamheid is voor allen, die niet in de gelederen zijner soldaten staan? Moge hij alsnog genoeg doorzicht hebben, om dit te beseffen en genoeg zelfverloochening, om door bescheidenheid en terughouding het succes der deputatie niet roekeloos in de waagschaal te stellen!’[248]

Deze combinatie van overwegingen – de hoop op een verzoening tussen Jorissen en Du Toit, de groeiende waardering voor Du Toit en de vrees dat de deputatie bij afzijdigheid van de liberalen geheel in antirevolutionair vaarwater zou geraken – deden de NZAV besluiten om, met voorbijgaan aan alle persoonlijke weerstanden die men voelde, een actieve rol te spelen bij het bezoek van de deputatie aan Nederland. De angst voor Kuyper maakte de NZAV echter afkerig van samenwerking met de Emigratiecommissie. Gunning sprak in dat verband van de ‘Kuyperophobie’ van de NZAV, die zijns inziens geheel misplaatst was, omdat, zo verzekerde hij Harting, ‘zijn invloed op de loop der zaken bij ons = 0’.[249] Het nam niet weg dat toen de deputatie NZAV en Emigratiecommissie verzocht om samen een ‘gemengde commissie’ te vormen ten einde de deputatie bij haar bezoek aan Nederland ter zijde te staan,[250] het NZAV-bestuur zeer terughoudend reageerde. Onder verwijzing naar het beperkte arbeidsterrein van de Emigratiecommissie verklaarde de NZAV zich alleen bereid over het vraagstuk van de emigratie te zamen met de Emigratiecommissie in overleg met de deputatie te treden; op andere terreinen wenste zij zelfstandig te opereren.[251] Een gemengde commissie kwam er uiteindelijk wel, half december,[252] maar toen met een beperkte taakstelling, namelijk de regeling van de ontvangst van de deputatie in Nederland en van NZAV-zijde bovendien in de veronderstelling dat Kuyper geen deel zou uitmaken van de afvaardiging van de Emigratiecommissie; wat dat betreft vertrouwde men op de verzekeringen die Gunning had gegeven.[253] Gunning controleerde de besluitvorming binnen de Emigratiecommissie echter in aanzienlijk mindere mate dan hij had voorgegeven. Toen de commissie zich half december, nadat het NZAV-bestuur zich uiteindelijk met een minieme meerderheid had verenigd met het voorstel van De Louter tot vorming van een gemengde commissie, beraadde over de samenstelling van haar delegatie, bleek Gunning niet in staat te voorkomen dat daarin naast hijzelf, Teding van Berkhout, De Waal en Willeumier, ook Kuyper, zelf wegens ziekte nota bene verhinderd de vergadering bij te wonen, gekozen werd. Namens de NZAV namen de heren Calisch, Cordes, Heineken, Perk en Wertheim zitting in de gemengde commissie.[254]
Veel daadkracht toonde de Gemengde Commissie echter niet, wat nauwelijks verbazingwekkend kan worden genoemd wanneer men zich realiseert dat maar liefst drie van de vijf NZAV-afgevaardigden naar de commissie, te weten Calisch, Cordes en Heineken, zich in december onomwonden hadden uitgesproken tegen De Louters voorstel tot samenwerking, hoe bescheiden ook, met de Emigratiecommissie.[255] Desondanks hoopte Gunning de NZAVertoe te kunnen bewegen de Gemengde Commissie een ruimer mandaat te geven dan enkel de regeling van de ontvangst van de deputatie in Nederland, ‘nml. om de gemengde commissie zooals die thans bestaat tevens diligent te verklaren als commissie van advies ten einde de Transvaalsche Deputatie bij haar verblijf hier te lande bij te staan’.[256] Vooral daarom gaf Gunning zich veel moeite om Schmüll cum suis, die zich al in een vroegtijdig stadium hadden opgeworpen als organisatoren van de ontvangst van de deputatie in Amsterdam en die de Emigratiecommissie en de Gemengde Commissie bij voortduring bestookten met voorstellen tot samenwerking, buiten de Gemengde Commissie te houden. De ontvangst moest volgens Gunning ‘plaats hebben met deelneming van representanten der verschillende richtingen behoorende tot de dusgenaamde hoogere klassen’. Tot die klassen behoorden de leden van Schmülls Permanente Commissie zijns inziens niet.[257] Steeds duidelijker werd echter dat Gunning zich overgaf aan illusies. Nadat Calisch op 26 januari onomwonden had laten weten dat wat de NZAV betrof de samenwerking nooit verder zou gaan dan ‘het verwelkomen van de Zuid-Afr. deputatie bij hare komst hier te lande’[258] kon hij degenen binnen de Emigratiecommissie die toenadering tot Schmüll bepleitten,[259] niet langer weerstaan. Zo kwam op 30 januari 1884 een Regelingscommissie tot Ontvangst van de Transvaalsche Deputatie tot stand, waarvan Gunning voorzitter werd, Van Duyl vicevoorzitter en Schmüll secretaris; Fabius, Kuyper, mr. Th. Heemskerk, lid van de Amsterdamse gemeenteraad voor de Antirevolutionaire Partij, en jhr. M.W. van Rensselaer Bowier, vice-admiraal en adjudant des Konings, namen zitting in het bestuur. Regelingscommissie en Gemengde Commissie zouden, zo werd verklaard, ‘ieder in het zijne, gezamenlijk’ werken.[260]

Onderhandelingen in Londen

Terwijl in Nederland de Boerenvrienden elkaar de loef trachtten af te steken, voerde de Transvaalse deputatie, bestaande uit president Kruger, generaal N.J. Smit en Du Toit,[261] in Londen besprekingen met de Engelse regering over de Conventie van Pretoria. Op uitnodiging van Du Toit kwam ook Kuyper naar Londen, onmiddellijk nadat de deputatie daar was gearriveerd.[262] Kuyper bleef echter maar kort. Hij kwam op 1 november aan[263] en keerde reeds twee weken later, op 14 of 15 november, weer naar Nederland terug.[264] Tijdens zijn verblijf in de Engelse hoofdstad logeerde hij bij de deputatie in het Albemarle Hotel, op de hoek van Albemarle Street en Piccadilly, in Mayfair.[265] Met Du Toit werkte hij daar aan een reactie op beschuldigingen, geuit door onder meer de Londense Lord Mayor sir Robert Fowler en de tot de London Missionary Society behorende zendeling John MacKenzie, ‘als zou door Transvaalsche Christenen met minder warmte dan door de [Engelse] Christenen […] de plicht worden beseft, die van Godswege tegenover de Indianen, Negers, Kaffers, of welk ander gekleurd ras of volk ook, op elk belijder van den Christus en elk minnaar van menschelijkheid rust’.[266] Het resultaat was een pamflet van een zestiental pagina’s, het Address to the members of the Anti-Slavery and Aborigines Protection Societies upon the native question by the Transvaal deputation, waarvan Kuyper de voornaamste auteur was.[267] In dit pamflet betoogde Kuyper dat het aantal ‘inboorlingen’ in het Transvaalse, sinds dat onder het gezag van de Boeren stond, was toegenomen, dat de maatschappelijke positie van die ‘inboorlingen’ sindsdien aanmerkelijk was verbeterd en dat slavernij in de Zuid-Afrikaansche Republiek was verboden. Hij gaf toe dat in het verleden fouten waren gemaakt en dat misstanden ook nu niet geheel waren uitgesloten, maar het ging naar zijn oordeel niet aan daarvoor een goedwillende regering verantwoordelijk te stellen. De leden van de Anti-Slavery Society en de Aborigines Protection Society riep hij op eventuele misstanden ter kennis van de Transvaalse overheid te brengen, opdat die maatregelen zou kunnen nemen. Terwijl NZAV-bestuurder Jac. Wertheim, die op het moment dat het pamflet van Kuyper en Du Toit werd gepubliceerd in Londen was, het Adress beschouwde als een ‘onhandigheid’, ‘een groote diplomatieke fout’, omdat zo een kwestie werd heropend die, niettegenstaande de provocaties van Fowler cum suis, in feite ‘dood’ was,[268] was Du Toit van oordeel dat het pamflet een positief effect had op de Britse publieke opinie. ‘Wij hebben heel het courantengeschrijf over de Naturellenkwestie tegengehouden’, liet hij Kuyper begin 1884 weten.[269] Bij herhaling drong Du Toit aan op een nieuw bezoek van Kuyper aan de deputatie in Londen. Hij wilde Kuypers hulp bij een tweede pamflet tegen de ‘negrophilisten’, ‘een flink beroep op het Christelijk Publiek, ingericht als een pleidooi voor de arme Kaffers tegenover hun dwalende advokaten’.[270] Dit tweede pamflet kwam er echter niet. Kuyper was met het oog op zijn drukke werkzaamheden, met name het hoofdredacteurschap van De Standaard, slechts in geval van uiterste urgentie genegen opnieuw naar Londen te komen.[271] Vanaf half december kon van een overkomst in het geheel geen sprake meer zijn als gevolg van een langdurige ongesteldheid, die Kuyper tot eind januari aan huis zou binden.[272]
Overigens werd Kuyper door Du Toit en door Ewald Esselen, de secretaris van de deputatie, nauwgezet op de hoogte gehouden van het verloop van de besprekingen tussen de deputatie en de Engelse minister van Koloniën, lord Derby.[273] De berichtgeving in De Standaard over die besprekingen was grotendeels gebaseerd op de aldus verkregen informatie. Doel van de onderhandelingen moest volgens De Standaard ‘volkomen onafhankelijkheid’ zijn.[274] In die zin ook adviseerde Kuyper de deputatie. De westgrens, na de suzereiniteitskwestie het heetste hangijzer, zag hij als een ‘ondergeschikte questie’, geëigend wellicht om de Engelse regering tot toegeeflijkheid op het stuk van de Transvaalse onafhankelijkheid te bewegen, maar zeker niet voldoende gewichtig om er de onderhandelingen op stuk te laten lopen. De afwijzende reactie van de deputatie op Derbys ultimatieve eis van 18 december dat de Transvalers de door de Engelse regering voorgestelde westgrens zouden moeten accepteren wilde er van herziening van de Conventie van Pretoria sprake kunnen zijn, noemde Kuyper in De Standaard ‘ongelukkig’.[275] Hij vroeg de deputatie begrip te hebben voor de beperkte speelruimte die de Engelse regering juist op dit punt had.[276] Eind januari waarschuwde hij Du Toit nog eens nadrukkelijk voor de consequenties van een mislukking van de besprekingen met Derby:

‘Een komst naar Nederland na afbreking der onderhandelingen met het Engelsch Kabinet zou u m.i. niet baten. Dit zou aan den Regeering een slot op den mond leggen; de geldmannen de hand op de beurs laten houden, en ons dwingen het enthousiasme te temperen.’[277]

Het is moeilijk vast te stellen in hoeverre Kuypers adviezen bij de deputatie gewicht in de schaal legden. In geen geval was Kuyper de belangrijkste adviseur van de Transvaalse deputatie. Die rol werd vervuld door jhr. mr. G.J.Th. Beelaerts van Blokland, inmiddels lid van de Tweede Kamer voor het district Tiel, die, in weerwil van pogingen van De Louter ook hem tot afzijdigheid te bewegen,[278] veelvuldig en langdurig in Londen verbleef om de deputatie ter zijde te staan.[279] Meer dan Kuyper lijkt Beelaerts de deputatie gesterkt te hebben in haar aanvankelijke vasthoudendheid met betrekking tot de Transvaalse westgrens; hij vreesde dat de Zuid-Afrikaansche Republiek bij toegeeflijkheid op dit punt ‘het lot van den artischok’ zou ondergaan.[280] Het uiteindelijke resultaat van de besprekingen in Londen kwam echter in grote lijnen overeen met wat Kuyper als haalbaar voor ogen had gestaan: in ruil voor Transvaalse terugtrekking uit het gebied dat de Kaapkolonie met Beetsjuanaland verbond, gaven de Engelsen het grootste deel van hun suzereiniteitsaanspraken op; alleen verdragen die de Zuid-Afrikaansche Republiek met andere vreemde mogendheden dan Oranje Vrijstaat zou willen sluiten, bleven onderworpen aan een Brits vetorecht. Kuyper was daarom tevreden met de Conventie van Pretoria. Het was het ‘maximaal haalbare’, verklaarde hij in het jaaroverzicht over 1884. Veel vertrouwen in de duurzaamheid van de Brits-Transvaalse overeenkomst had hij echter ook nu niet:

‘Daartoe zijn er te veel gistingwekkende bestanddeelen in de bonte mengeling van rassen en volken daarginds. Te groot is het onderscheid tusschen de eigenlijke bevolking van dit oud-Hollandsch gebied en de Britten, die het indertijd namen. Te groot het verschil van zeden, volksaard, beschaving en streven tusschen de Hollandsche meerderheid der bevolking en de kleine minderheid der heerschende Engelschen. Voeg daarbij het lijnrecht verschil van zienswijze omtrent de maatregelen tot ‘s lands welzijn, nu eens tusschen de partijen, dan weer tusschen Londen en Kaapstad, straks tusschen den Engelschen gouverneur en ‘t ministerie. Let verder op de van evengroot vooroordeel als blinde verbittering getuigende wijs, waarop de “Kaffervrienden” in Engeland en de Jingo’s in Zuid-Afrika de Boeren zwart maken, en als dwingelanden over de inlanders voorstellen; op de metterdaad bewezen vaardigheid der Hollanders, ver boven de Engelschen, om de moeielijkheden met die inboorlingen te regelen. Reken eindelijk daarbij het ontwakend nationaliteitsgevoel, zich uitend in het welslagend streven naar herstel der oude Hollandsche taal, evenzeer als in de stichting van den reeds zoo krachtigen en wakkeren Afrikanerbond, wiens armen over heel Zuid-Afrika reiken, die reeds van Engelsche zij een “Rijksbond” heeft doen ontstaan om de koloniën voor ‘t moederland te bewaren. Herinner u eindelijk de leus: “Een verenigd Z.-Afrika onder eigen vlag”, den vrijheidsoorlog der Boeren en – wie durft beweren dat Zuid-Afrika vooreerst tot rust komen zal, of misschien ooit, vóór die andere leus: “Afrika voor de Afrikaners” verwezenlijkt is.’[281]

De Transvaalse deputatie in Nederland

Na de afronding van de onderhandelingen met de Engelse regering vertrokken Kruger, Smit en Du Toit op 28 februari 1884 uit Londen naar Nederland aan boord van de ‘Batavier’, ter beschikking gesteld door de Nederlandsche Stoombootmaatschappij. De volgende dag, op 29 februari om 12 uur, meerde het schip af in de Rotterdamse haven, aan de Boompjes. Vandaar ging de deputatie, begeleid door de schutterij en omstuwd door een ‘onafzienbare menschenmassa’, per koets op weg naar het station Delftsche Poort, waar zij werd toegesproken door Rotterdams burgemeester S.A. Vening Meinesz. Per speciale trein reisde het gezelschap vervolgens naar Den Haag, waar, evenals in Rotterdam, de burgemeester, mr. J.G. Patijn, optrad als voorzitter van het ontvangstcomité. De Transvalers namen hun intrek in het ‘Hotel des Indes’. Onmiddellijk na hun aankomst moesten Kruger, Smit en Du Toit op het balkon verschijnen om de ovaties van de op de Lange Voorhout verzamelde menigte in ontvangst te nemen. Op 1 maart maakten de besturen van NZAV en Emigratiecommissie hun opwachting bij de deputatie. De Transvalers drongen bij die gelegenheid aan op samenwerking tussen vereniging en commissie en verklaarden ervan uit te gaan ‘dat [de] heeren zich [tot medewerking aan de deputatie] niet ongenegen zouden betoonen, i.e. persoonlijk, ook niet indien wij anderen mede uitnodigden’. Diezelfde dag ontving de deputatie delegaties van het Algemeene Nederlandsche Vredebond en van het Algemeen Werkliedenverbond Patrimonium, alsmede mr. J. Heemskerk Azn., minister van Binnenlandse Zaken en voorzitter van de ministerraad. Bezoeken werden afgelegd aan Beelaerts van Blokland en aan minister van Staat C.Th. baron van Lynden van Sandenburg. Overleg werd gevoerd met verschillende militaire autoriteiten, onder meer met minister van Oorlog A.W.P. Weitzel. ‘s Avonds was de deputatie te gast bij een diner in hotel ‘De Oude Doelen’, een manifestatie van waarlijke nationale eensgezindheid; tot de aanwezigen behoorden, naast burgemeester Patijn en de Leidse hoogleraren M. de Vries en R. Fruin, Kamerleden van vrijwel alle politieke richtingen, de katholieken W. Wintgens en H.J.A.M. Schaepman, de antirevolutionairen A. baron van Dedem, L.W.C. Keuchenius en G.J.Th. Beelaerts van Blokland en de liberalen J.L. de Bruyn Kops en W.K. van Dedem. Op de avond van 3 maart waren de Transvalers te gast op een hun door de voorzitter van de Tweede Kamer, mr. E.J.J.B. Cremers aangeboden ‘luisterrijk soirée’, dat werd bezocht door de minister van Buitenlandse Zaken, jhr. mr. P.J.A.M. van der Does de Willebois, tal van Kamerleden, de leden van de Raad van State, de secretarissen-generaal van de onderscheiden departementen en vrijwel het volledige corps diplomatique in de residentie. Opvallend was echter de afwezigheid van de Britse gezant. Van der Does zag er aanleiding in om tot grotere voorzichtigheid te manen, ‘ten einde te vermijden wat den schijn zoude kunnen hebben van ovatiën, welke den Britsche regeering minder aangenaam zouden kunnen zijn’. De volgende dag bracht de deputatie een bezoek aan Delft; in de Nieuwe Kerk legde Paul Kruger een krans bij het grafmonument voor Willem de Zwijger. Op 6 maart, voor haar vertrek naar Amsterdam, zat de deputatie aan een maaltijd aan, aangeboden door prins Alexander in zijn paleis aan de Kneuterdijk. Op 7 maart had president Kruger ten slotte een onderhoud met koning Willem III en koningin Emma, een onderhoud dat door de pers ‘hartelijk’, door Du Toit ‘koel’ werd genoemd.[282]
Inmiddels was de deputatie op 6 maart uit Den Haag naar Amsterdam vertrokken, waar zij logeerde in hotel ‘Brack’s Doelen’. De twee salons en vier kamers die de deputatie daar betrok waren gereserveerd door Kuyper. De ontvangst in Amsterdam was verzorgd door de Regelingscommissie. Haar voorzitter, J.W. Gunning, had de deputatie op het station toegesproken:

‘Met blijdschap zien wij u hier gekomen om de gelegde banden te versterken en dienstbaar te maken aan de toekomst der beide volken. Uw land dat gezegend is met vruchtbaarheid en mineralen rijkdom, die op ontginning wachten, uw nog zoo jeugdige staat, die de ontwikkeling uwer sociale en intellectueele krachten vraagt, zij vereischen stoffelijke en geestelijke hulpmiddelen, die gij gedeeltelijk hier hoopt te vinden. Moge de hoofdstad u hare rijke hulpbronnen vrijgevig openen en aan de wijsheid en voorzichtigheid, waarmede zij het haar toevertrouwde beheerd, ook de warmte en de belangstelling paren, zonder welk geen werk van eenige beteekenis tot stand komt. Een moeilijke maar schoone arbeid wacht u, om de wederzijdsche belangen in overeenstemming te brengen. Mogen de talenten, de ervaring en de ijver, die elk uwer persoonlijk in de hem bizonder toevertrouwde taak ten dienste staan, u op het ruime arbeidsveld dat hier voor u ligt, een overvloedigen oogst doen winnen.’

De deputatie werd door de menigte toegezongen en de dochtertjes van Gunning, Van Duyl, Kuyper en Schmüll strooiden voor het driemanschap uit bloemen in de Transvaalse kleuren. In open rijtuigen ging het van het Centraal Station naar ‘Bracks’s Doelen’ in de Nieuwe Doelenstraat. Eén van Kuypers zonen, waarschijnlijk Herman, werd gedurende het verblijf van de deputatie in de hoofdstad haar als factotum toegevoegd. Vanuit Amsterdam bezochten de Transvalers Arnhem, Amersfoort, Leiden, Utrecht, Rotterdam, Kampen, Groningen en op 1 april Den Briel. Overal was de ontvangst groots en enthousiast, overal verdrongen de plaatselijke hoogwaardigheidsbekleders elkaar om de deputatie hulde te brengen.[283]
Ook in besloten kring, door het Amsterdams gemeentebestuur en de diverse lokale Transvaal-comités en -commissies werd de deputatie ontvangen. Op 7 maart zat de deputatie met het bestuur van de NZAV aan een diner aan. Op 8 maart werd ze ten stadhuize ontvangen door het college van Burgemeester en Wethouders, dat al een dag eerder zijn opwachting had gemaakt in ‘Brack’s Doelen’. Op 11 maart dineerde de deputatie ‘s middags ten huize van burgemeester G. van Tienhoven, die haar op 15 maart nog eens een receptie aanbood die bezocht werd door leden van de Provinciale Staten van Noord-Holland, vrijwel de gehele Amsterdamse gemeenteraad, het bestuur van de Amsterdamse Kamer van Koophandel, tal van hoge militaire autoriteiten, vertegenwoordigers van de rechterlijke macht, prominente figuren uit het bedrijfsleven, de besturen van NZAV, Emigratiecommissie en Regelingscommissie en de consuls van Frankrijk, Engeland, de Verenigde Staten en Portugal. Ook op 11 maart werd de deputatie feestelijk ontvangen door het Algemeen Werkliedenverbond Patrimonium in het gebouw Plancius, tegenover Artis aan de Plantagekerklaan, en aansluitend door de NZAV bij ‘Maison Couturier’ aan de Keizersgracht, gerenommeerd adres voor ‘dejeuners, diners, soupers et bals’.[284] Op vrijdag 14 maart dineerde de deputatie ten huize van Kuyper, in ‘een kring van Christelijke vrienden’; aansluitend was er soiree, die tot middernacht duurde. Tot de aanwezigen behoorden de directie, het curatorium en een groot aantal hoogleraren van de Vrije Universiteit, de rector van het studentencorps van de Vrije Universiteit, alsmede het Tweede Kamerlid L.W.C. Keuchenius en de jonge jurist W.H. de Savornin Lohman. Wat de antirevolutionairen betrof bleef het bij deze avond. Mr. A.F. de Savornin Lohman, leider van de antirevolutionaire Tweede-Kamerclub en zelf afwezig op de ontvangst bij Kuyper, liet weten dat de club er weinig voor voelde ook van haar kant nog een diner aan te bieden, ‘[v]ooral op grond dat dit aan haar [de deputatie] belangen zou schaden. Ook zien enkele leden tegen de onkosten op.’[285]
Intensief was daarentegen het overleg van de Transvalers met liberale bankiers en financiers, want, zoals Du Toit met nadruk in een rede voor de kiesvereniging Burgerpligt verklaarde: ‘Bank en spoorweg, dat zijn de middelen waardoor Transvaal geholpen kan worden.’ Het overleg was niet zonder resultaat. Toen de deputatie op 17 april vanuit Nederland naar Portugal vertrok, werd ze vergezeld niet alleen door Beelaerts van Blokland, maar ook door ir. David Maarschalk. Maarschalk had, met zijn collega Johannes Groll, in maart Beelaerts van Blokland benaderd met het voorstel tot aanleg van een spoorlijn tussen Pretoria en de Delagoabaai. De financiële adviseurs van de deputatie, Mees, Pierson, de bankier A.C. Wertheim, A.L. Wurfbain, voorzitter van de Vereeniging voor den Effectenhandel, en A.D. de Marez Oyens, vennoot van het effectenkantoor Labouchère, Oyens & Co., waren positief geweest over dit voorstel, en na moeizame besprekingen was op 16 april ‘s avonds laat een voorlopige overeenkomst tussen de deputatie en de heren Maarschalk en Groll gesloten.[286] In Lissabon moest nu worden bezien of ook met de Portugese regering overeenstemming kon worden bereikt.
Ook Kuyper overwoog een ogenblik met de deputatie mee te reizen naar Lissabon. Hij vroeg Du Toit hem tijdig mede te delen wanneer de deputatie daarheen zou vertrekken, zodat hij afdoende voorzieningen voor de periode van zijn afwezigheid kon treffen. Toen Du Toit dienaangaande echter geen duidelijkheid kon verschaffen en bovendien kwam vast te staan dat Beelaerts van Blokland als jurist in ieder geval mee zou gaan, zag Kuyper van zijn oorspronkelijk voornemen af. ‘Twee hulpen’ achtte hij ‘overtollig’. Hij had in Nederland meer dan genoeg te doen en zou hoe dan ook niet langer dan tot 6 mei beschikbaar zijn geweest. Wel reisde hij voor de deputatie uit naar België ten einde het bezoek voor te bereiden dat de Transvalers, alvorens via Parijs en Madrid naar Lissabon toe te gaan, van 17 tot 22 april aan Antwerpen en Brussel zouden brengen.[287]
De deputatie arriveerde op 29 april in Lissabon. Nadat zij daar op 17 mei de besprekingen met de Portugese regering had afgerond, keerde zij terug naar Nederland. Daar werd toen eind mei de definitieve overeenkomst met Groll en Maarschalk getekend tot aanleg van een spoorwegverbinding tussen Pretoria en de Delagoabaai, waarmee de grondslag was gelegd voor de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Spoorweg-Maatschappij (NZASM). Nadat Kruger ten slotte Beelaerts van Blokland, hangende de goedkeuring van de Transvaalse Volksraad, had benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister van de Zuid-Afrikaansche Republiek in alle Europese hoofdsteden behalve Londen, en met de jonge liberale jurist W.J. Leyds, nog vrijzinniger dan Jorissen, overeenstemming had bereikt over een aanstelling als staatsprocureur, werd van 7 tot 10 juni nog een kort bezoek gebracht aan Berlijn, waar de deputatie werd ontvangen door Bismarck en keizer Wilhelm I. Op 1 juni waren de Transvalers weer terug in Amsterdam. Op 13 juni namen zij in de raadzaal van het stadhuis afscheid van de verschillende groepen Boerenvrienden. De volgende dag vertrok de deputatie, uitgeleide gedaan door de Regelingscommissie, aan boord van het stoomschip ‘Holland’ vanuit Rotterdam naar Londen, vanwaar een week later de thuisreis naar Zuid-Afrika werd aanvaard.[288]

In het algemeen was het bezoek van de deputatie een succes geweest. Rimpelloos was het echter niet verlopen. Al bij de aankomst van de Transvalers, op 29 februari in Rotterdam, had zich een incident voorgedaan. Ter hoogte van Maassluis was Frans Lion Cachet, sedert een jaar predikant in Rotterdam, aan boord van de ‘Batavier’ gekomen. Generaal Smit toonde zich hierover ontstemd en in Rotterdam aangekomen werd Lion Cachet een plaats in een van de koetsen geweigerd. Toen hij op Delftsche Poort poogde een plaats in de speciale trein naar Den Haag te veroveren, werd hij op last van de burgemeester ‘als een Kafferhond’ van het perron verwijderd. Lion Cachet zag er het werk in van ‘Joden, liberalen en ethischen [die] hebben […] saamgespannen om mij “onmogelijk” te maken’.[289] Het ligt echter niet voor de hand het gebeurde in de eerste plaats te zien als een uitvloeisel van de spanningen die de kring van Nederlandse Boerenvrienden verdeeld hielden. Meer lijkt het een gevolg van Lion Cachets omstredenheid in Zuid-Afrika zelf, waar sommigen, onder hen generaal Smit, hem zagen als een verrader die nu mooi weer speelde met de Transvaalse successen.[290] Overigens vond later een verzoening tussen Lion Cachet en de deputatie plaats. Lion Cachet was als genodigde aanwezig bij de ontvangst van de Transvalers in de hoofdstad op 6 maart en toen de deputatie van 17 tot 19 maart te gast was in Rotterdam, bracht zij ook een bezoek aan Lion Cachets woning aan de Kruiskade.[291]
Onder het oppervlak van nationale eensgezindheid duurden echter ook de spanningen tussen de verschillende groepen Boerenvrienden onverminderd voort. Niettegenstaande haar pogingen NZAV en Emigratiecommissie tot samenwerking te bewegen[292] trof de deputatie bij haar aankomst in Nederland een verdeelde pro-Boerbeweging. De in december 1883 moeizaam tot stand gekomen Gemengde Commissie was onmachtig gebleken tot enig initiatief en had iedere betekenis verloren. In Amsterdam trad nu, overigens met nationale pretenties, naast de NZAV de Regelingscommissie op, waarin de Emigratiecommissie en de radicale Transvaal-vrienden van Schmüll cum suiselkaar hadden gevonden. NZAV en Regelingscommissie trokken gescheiden op. Het leidde ertoe dat de organisatie van de ontvangst van de deputatie in de hoofdstad uiteindelijk geheel bij de Regelingscommissie kwam te liggen en de NZAV zich daarvan afzijdig hield. De gang van zaken was voor de Amsterdamse burgemeester G. van Tienhoven, huiverig zich met een van de partijen in het kamp der Boerenvrienden te identificeren, reden niet in te gaan op Kuypers verzoek die ontvangst te leiden, iets wat door Gunning, voorzitter van de Regelingscommissie, uitdrukkelijk werd betreurd. Hij had de leiding van de ontvangst van de deputatie graag opgedragen ‘aan een ander, meer geroepen en geschikt om Amsterdam te vertegenwoordigen’.[293] De ontvangst van de Transvalers in de hoofdstad had een veel plichtmatiger karakter dan die eerder in Rotterdam en Den Haag; weliswaar was een grote menigte op de been, maar die toonde zich meer nieuwsgierig dan enthousiast.[294]
Hoe geprikkeld de stemming was bleek uit de rel die ontstond naar aanleiding van de feestelijke ontvangst van de deputatie door het Algemeen Werkliedenverbond Patrimonium op 11 maart in gebouw Plancius. Binnen de Regelingscommissie wekte de aankondiging alleen al van die ontvangst en van de rede die Kuyper er zou houden irritatie: men zag er een poging in de Regelingscommissie, die de deputatie een officieel banket wilde aanbieden, de loef af te steken. In overleg met de deputatie, die de waarschuwing kreeg niet de indruk te wekken een voorkeur te hebben voor een bepaalde partij in Nederland, werd besloten het banket uit te stellen, opdat het, als afscheidsbanket, minder in de schaduw zou staan van de ongetwijfeld grootse ontvangst in Plancius.[295] Het bleek een uitstel ad Calendas Graecas.
De bijeenkomst in Plancius, opgeluisterd door het koor van de Vrije Schotse Gemeente, had een massaal en indrukwekkend karakter. Kuyper sprak er op geëmotioneerde toon. Bij herhaling werd hij onderbroken door toejuichingen en op het moment dat hij, namens het werkliedenverbond, aan generaal Smit de Transvaalse vierkleur overhandigde met daarin de door zijn vrouw geborduurde spreuk ‘In God zullen wij kloeke daden doen’, ‘brak de daverende toejuiching een oogenblik alle spreken af’. Luid werd het Transvaalse volkslied gezongen, het ‘Kent gij dat volk vol heldenmoed’. Toen de zaal weer tot rust was gekomen, liet Kuyper generaal Smit plechtig beloven ‘dat nooit, wat ook de toekomst brenge, deze vlag vallen moge in de handen van den Brit.’[296] Het was de geëxalteerde toon die kenmerkend was geweest voor Kuypers hele toespraak. Hij had opnieuw betoogd dat in de ontvangst van de deputatie ‘niet het geloof, maar het nationaal besef […] het machtigst op den voorgrond treedt.’ Dat nam echter niet weg, aldus oordeelde hij, dat de nationale banden die Nederland met de Zuid-Afrikaansche Republiek verbonden, waar het het christelijk volksdeel betrof, werden versterkt door de banden des geloofs.[297] Kuyper herinnerde aan het ongekende enthousiasme dat de Transvaalse successen in Nederland hadden losgemaakt,[298] een enthousiasme dat zijns inziens zijn oorzaak vond niet alleen in ‘naijver op Engeland, onze oude concurrent op de groote wateren’, maar ook en vooral in het besef dat het succes van de Transvalers, loten van Neerlands stam, de Nederlandse stam, sinds de zeventiende eeuw tot onbeduidendheid gezonken, opnieuw zou doen stijgen in de achting der volken.[299] Voor ‘ons Christelijk volksdeel’ leken de Transvalers daarenboven ook nog anderszins ‘hope’ te bieden. ‘Ook binnen onze grenzen toch’, zo betoogde Kuyper,

‘moeten wij, belijders van de Heere Jezus Christus, soms harde bedreigingen verduren. De bovendrijvende côterie gunt ons ons recht niet, zoekt op alle manieren onzen invloed tegen te gaan, en nu we dan eindelijk, na bange inspanning en door moedige worsteling, toch het hoofd weêr wisten op te heffen, nu dreigt men ons reeds, van desnoods met gewelddien invloed te zullen breken. […] Wie weet hoe hoog die spanning der gemoederen nog klimmen, tot welke toestanden het in ons midden nog komen kan? Het zou voor ons vrijgeboren Christenhart en voor de toekomst onzer kinderen hier ten leste wel eens onhoudbaar kunnen worden. Maar ook dan geen nood! Immers waar men ons hier dan niet meer als vrije mannen duldde, kondt gij ons een toevluchtsoord en een plaats der ruste bieden. Maakt men het hier ons Christenvolk ondraaglijk, dan gaat de kern van dat Christenvolk de zee over naar Transvaal.’[300]

De echo van het door Kuyper in Plancius gesprokene klonk lang na. Onder Kuypers toehoorders was de Brusselse correspondent van The Times geweest. Deze had aan zijn krant laten weten dat Kuyper zich beledigend over de Engelse natie had uitgelaten, hetgeen in Engeland aanleiding gaf tot enige verontwaardiging.[301] Verontwaardigd was men ook in Nederlandse liberale kring. Bladen als De Amsterdammer en Het Nieuws van den Dag verweten Kuyper de Nederlandse natie te hebben voorgesteld als een ‘nation éteinte’.[302] Pieter Harting, toch al bezorgd over de ontwikkeling van de Nederlandse betrekkingen met Engeland onder invloed van de Nisero-kwestie, toonde zich door Kuypers ‘hoogst onvoorzichtig gedrag’ geschokt en voelde zich genoodzaakt ‘handelend op te treden en het engelsche publiek zoo mogelijk tevreden te stellen, opdat de partij der Jingo’s niet versterkt worden en het tegenwoordig engelsch ministerie […] omvergeworpen wordt.’[303] Aan een Engelse kennis, een zekere Willing, liet hij weten dat Kuypers rede in Nederland ‘algemeene verbazing en afkeuring’ had gewekt. Deze Willing berichtte zulks aan de Engelse pers.[304] Aan Kuyper zelf schreef Harting dat hij

‘onze natie een waarlijk dwaze en belachelijke figuur [had] laten maken in de oogen onzer Transvaalsche vrienden en aanwezig zijnde vreemdelingen, door u en de uwen als vervolgden, als aanstaande martelaars, die genoodzaakt zullen worden hun vaderland vaarwel te zeggen, voor te stellen.’[305]

Kuyper verweerde zich met verve. Hij ontkende over de Nederlandse natie als een ‘nation éteinte’ te hebben gesproken.[306] Zijn dreigen met een gereformeerde exodus verdedigde hij door de liberale voorman mr. J.A. Levy te citeren, die in het dagblad De Amsterdammer van 28 februari 1884 had geschreven:

‘waar de o! zoo lieflijke en verdraagzame verkondigers van onverschillig welke orthodoxie zich vermeten de hand naar den Staatsteugel uit te strekken, daar voegt een onbewimpeld en krachtig grondwettelijk verzet. Verzet, met het woord, zoo ‘t kan, en zoolang het kan, met de daad zoo ‘t moet.’[307]

Op de vraag of een dergelijk uitwijken geen ‘lafheid die onteert’ was, antwoordde hij met een verwijzing naar de geschiedenis van het volk Israëls, zoals verhaald in Exodus en van de Boeren zelf, om te concluderen dat ‘de historie […] met ontwijfelbare beslistheid [toont], dat de beteren van ons geslacht in zulk een ure van zedelijk ondergaan of uitwijken, steeds voor uitwijken hebben gekozen.’[308] Zijn critici verweet hij af te gaan op onvolledige en slechts ten dele juiste persverslagen van het door hem gesprokene. Hij herinnerde eraan dat zijn ‘gehoor bij geen enkel punt zijn afkeuring te kennen [had] gegeven, maar wel herhaalde malen mijn woorden toegejuicht’.[309] Om evenwel ook degenen die op 11 maart niet in Plancius waren geweest een juiste oordeelsvorming mogelijk te maken, besloot Kuyper ‘het toen gesprokene zoo getrouw mogelijk uit mijn geheugen weer te geven’.[310] Eind maart verscheen de Plancius-rede in brochurevorm. Kuyper gaf toe dat de rede zoals die nu gedrukt was ‘volstrekt geen stenographische copie’ van het gesprokene was. Hij hield echter staande dat de brochure de strekking van wat gezegd was zorgvuldig weergaf en met name ‘in al zijn passages over Engeland […] stipt correct’ was.[311]Verwijzend naar die passages, waarin hij betoogde dat de ‘[b]anden des geloofs […] ons aan onze Engelsche broeders even sterk [verbinden] als aan onze broeders in Transvaal’ en dat hij aan de Engelse ver boven de Franse beschaving de voorkeur gaf,[312] drong hij er bij Harting op aan de onjuiste indruk die hij in zijn brief aan Willing had bevestigd als zou Kuyper zich ongunstig over Engeland hebben uitgelaten, recht te zetten.[313] Harting reageerde bereidwillig. Weliswaar was hij ervan overtuigd dat in de brochure ‘eenige ook in mijn oog minder gepaste uitdrukkingen die u in het vuur der improvisatie ontvallen schijnen te zijn, en zoo in de dagbladen vermeld werden’ waren weggelaten, maar hij zag niet in hoe ‘[z]ooals die redevoering nu geredigeerd is […] eenig liberaal denkend Engelschman er bepaaldelijk aanstoot aan nemen kan’. Bovendien moest hij Kuyper toegeven ‘dat ik, indien ik onder uw gehoor ware geweest, mij meer dan eens aangesloten zoude hebben bij hen, die eenige der meest treffende en zeker ook voor onze Transvaalsche vrienden meest aangename passages toejuichten.’[314] In ieder geval was de Times-correspondentie in zijn ogen toch ‘te sterk gekleurd geweest en hij verklaarde zulks ook aan Willing te hebben meegedeeld.[315] Willing liet vervolgens aan de Manchester Guardian weten dat hij ‘after a careful and minute perusal of the speech as published by Dr. Kuyper in pamphlet form’ van oordeel was

‘that whatever was spoken by Dr. Kuyper contained nothing of a hostile or offensive nature to the English nation, but, on the contrary, gave evidence of much sympathy for the English people […]. It is evident that the Times correspondent at Brussels has either not understood the sense of the words spoken, or their meaning in being translated has been erroneously represented and greatly exaggerated.’[316]

Voor Kuyper het meest pijnlijke van de affaire was het bericht in het Nieuws van den Dag, begin april, dat Du Toit, toen een paar dagen in Londen, tegenover de journalist en Transvaal-vriend K. Spijkman de Plancius-rede ‘een wanklank’ had genoemd. Weliswaar schreef Du Toit, bij terugkeer in Nederland op de hoogte gesteld van dit bericht, Kuyper onmiddellijk dat het onjuist was, maar vooralsnog was hij niet bereid het publiekelijk te ontkennen. Hij gaf slechts een dementi af dat gepubliceerd mocht worden wanneer van liberale zijde verder op de kwestie zou worden ingegaan.[317] Kuyper was daarover ontstemd. ‘Hier meê’, zo schreef hij vanuit Brussel,

‘ben ik […] geen stap verder. […]
De vraag is hier eenvoudig:
wat is waarheid, […] en aan die waarheid moet ge getuigenis geven.’[318]

Du Toit gaf er echter de voorkeur aan om voorlopig bij het liberale deel der Boerenvrienden de indruk te laten bestaan dat hij enige afstand had genomen van de antirevolutionairen en niet het risico te lopen de liberalen opnieuw van zich te vervreemden. Het duurde tot eind mei eer Kuyper in De Standaard kon verklaren dat Du Toit tegenover Spijkman niet de Plancius-rede maar de rel daaromheen ‘een wanklank’ had genoemd.[319] Het incident was typerend voor de verwijdering tussen Kuyper en Du Toit sinds de aankomst van de deputatie in Nederland.
Weliswaar had Kuyper bij voortduring gepleit voor een nationale ontvangst van de deputatie en was hij bereid geweest toe te treden tot ‘brede’ nationale ontvangstcomités als de Gemengde Commissie en de Regelingscommissie, maar dat alles nam niet weg dat hij leefde in de stellige overtuiging dat de deputatie niets buiten hem om zou doen, dat zij de verzorging van de Nederlands-Zuid-Afrikaanse contacten in de allereerste plaats aan de antirevolutionairen zou toevertrouwen. Met name voor zijn Vrije Universiteit zag Kuyper een grote rol weggelegd. In zijn diesrede van 1882 was hij ingegaan op de onzekere beroepsmogelijkheden voor de toekomstige afgestudeerden van zijn nog jonge universiteit. Onder meer had hij toen gewezen op de Zuid-Afrikaansche Republiek, ‘waar onze dappere Boeren niets vuriger wenschen dan door Nederlandsche litteratoren en Nederlandsche juristen en Nederlandsche theologen uit den toovercirkel van Engelsch materialisme en Engelsch ritualisme te worden bevrijd’.[320] Omgekeerd verwachtte Kuyper dat de Vrije Universiteit het opleidingscentrum zou worden voor de Transvaalse intelligentsia. Hij voelde zich in die verwachting gesteund door Du Toit. Uitgebreid had deze in het verleden al met hem gecorrespondeerd over de mogelijkheden die de Vrije Universiteit bood voor de Transvalers,[321] en in een van zijn eerste brieven aan Kuyper had hij hem laten weten erop te ‘vertrouwen dat ook nog velen van Zuid-Afrika’s zonen hunne studiën aan de “Vrije Universiteit” zullen voortzetten of voltooien en aldus ook tot ons overbrengen zullen van de vruchten dezer gezegende Stichting.’[322] Een door Du Toit naar Nederland gezonden Transvaalse student, Jeremia Trichard, werd door Kuyper in zijn gezin opgenomen.[323] Toen Du Toit tijdens de bezoeken van de deputatie aan de universiteiten van Leiden en Utrecht liet blijken ook geïnteresseerd te zijn in de opleidingsmogelijkheden daar, achtte Kuyper dat aanvaardbaar, echter slechts voor zover het om studies ging die, zoals medicijnen en filosofie, nog niet aan de Vrije Universiteit gevolgd konden worden.[324] Du Toit was evenwel geenszins van plan de Vrije Universiteit in een voorkeurspositie te plaatsen, laat staan haar het exclusieve recht op de opleiding van Transvaalse studenten te geven. Integendeel, hij zocht wegen om aan alle Nederlandse universiteiten opleidingsfaciliteiten te creëren voor studenten uit de Zuid-Afrikaansche Republiek.
Bijzonder gretig reageerde Du Toit op een voorstel van de Leidse historicus Robert Fruin tot oprichting van een Zuid-Afrikaansche Akademie in Nederland. Volgens het door Fruin aan de deputatie aangeboden ontwerp zou een dergelijke Akademie moeten worden belast met het toezicht op en de begeleiding van de Transvaalse studenten aan de Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs. Zij diende voor iedere studie een studieplan, aansluitend bij de studie-opzet aan de Nederlandse onderwijsinstellingen, en exameneisen te formuleren en zou academische graden verlenen aan de studenten die aan de gestelde eisen hadden voldaan. De leiding van de Akademie zou moeten worden toevertrouwd aan een rector, te benoemen door de Transvaalse regering, en vier assessoren, door de rector te kiezen uit het hooglerarencorps van de Nederlandse universiteiten en op diens voordracht te benoemen door de Transvaalse regering.[325] Op 18 maart besprak Fruin zijn voorstel met Du Toit en met Beelaerts van Blokland, door Du Toit voorbestemd de eerste rector van de Akademie te worden.[326]
Min of meer toevallig vernam Kuyper van deze besprekingen en hij was onmiddellijk gealarmeerd. Nog eer hij de precieze inhoud van Fruins voorstel kende, liet hij in De Standaard weten ‘volstrekt niet gerust [te] zijn’.[327] Zijn ongerustheid sloeg om in teleurstelling en woede nadat hij het voorstel, hem op zijn verzoek in afschrift toegestuurd door Du Toit,[328] onder ogen had gekregen. Kuyper moest nu, ten langen leste, vaststellen dat de deputatie in de Nederlandse partijstrijd ‘stipte neutraliteit’ in acht wenste te nemen. In een bezwaarschrift was hij zo vrij zich af te vragen of toch ‘eenige voorkeur voor het Vrije-Christelijk Onderwijs niet meer op den weg der Deputatie lag’. Bovendien zou, zo vreesde hij, het plan-Fruin uiteindelijk niet leiden tot neutraliteit, maar tot ‘het verleenen van een zeer groot privilegie aan het on-Christelijk-Overheidsonderwijs en tot de algeheele achterstelling v. het Vrije Christelijk Hoger Onderwijs.’ Immers, de Zuid-Afrikaanse Akademie

‘zelve zal zijn een inrichting van Overheidswege, die als zoodanig reeds meer de sympathie wekt v. hen die hier te landen het Overheidsonderwijs voorstaan, dan v. hen die voor het Christelijk-Vrij Onderwijs ijveren.
2° [Zij] zal beginselloos zijn, en dus op dezelfde leest geschoeid als de beginsellooze Rijksuniversiteiten.

3° Schier alle invloed zal berusten in handen van de Rector, en voor deze betrekking van Rector zal gekozen worden een man, die beslist tegenstander v. het Vrije Christelijke Onderwijs is en met name voor het Rijks Hooger Onderwijs ijvert.

4° Ook al onderstelle men dat één der Assessoren uit de Senaat der Vrije Universiteit werd gekozen, zoo zal deze ééne persoon toch altoos als een zoekende in de woestijn zijn tegenover de meerderheid die het niet-Christelijk en Overheidsonderwijs voorstaat.’

In studieplan en exameneisen zou, naar Kuypers stellige verwachting, de Akademie zich aansluiten bij de Rijksuniversiteiten en niet bij de Vrije Universiteit, met, gegeven de ter zake bestaande verschillen, als gevolg ‘dat aan het Christelijk Vrije Hooger Onderwijs elke pas wordt afgesneden’. Als het plan-Fruin zou worden uitgevoerd, zou de Vrije Universiteit nog slechts ‘goed genoeg [zijn] om als Theologie schooltje dienst te doen’.[329]
Het plan-Fruin was voor Kuyper aanleiding zijn eerder toegezegde steun te onthouden aan een initiatief van de NZAV om een studiefonds voor Zuid-Afrikaanse studenten te vormen. Dit Studiefonds, waarmee uiteindelijk een bestemming werd gevonden voor de gelden van het voormalige Utrechtse HoofdComité, beoogde Zuidafrikanen die in Nederland wilden studeren daartoe de financiële middelen te verschaffen. Daarbij werd geen onderscheid gemaakt tussen bijzondere en rijksinstellingen voor hoger onderwijs. Sterker nog, Harting, een van de pleitbezorgers van het Studiefonds, noemde de Vrije Universiteit, die ‘ik […] voor ons land een volkomen hors d’oeuvre houd’, uitdrukkelijk ‘een geschikte kweekschool voor Z.Afr. studenten’, althans waar het de opleiding in de letteren en de rechten betrof. Kuyper echter meende dat waar de uitvoering van het plan-Fruin tot gevolg zou hebben dat de stroom van Transvaalse studenten die naar hij verwachtte naar Nederland zou komen, zich niet in de eerste plaats op de Vrije Universiteit zou richten, wellicht zelfs geheel aan de Vrije Universiteit voorbij zou gaan, dit ‘op zichzelf onpartijdige Beurzenplan alle waarde’ verloor.[330]
Woedend was Kuyper vooral op Beelaerts van Blokland, die hij, ten onrechte, hield voor de medeauteur van het plan-Fruin. Het was een verdenking die werd gevoed door Beelaerts’ bekende afkeer van exclusief christelijk onderwijs, door zijn aanwezigheid bij het gesprek tussen Du Toit en Fruin en door een opmerking van Du Toit in een brief aan Kuyper dat Beelaerts de eerste rector van de op te richten Zuid-Afrikaansche Akademie zou worden. In een in scherpe bewoordingen gestelde brief verweet Kuyper Beelaerts dat de voorstellen waarvoor hij hem medeverantwoordelijk hield, ‘strekken moesten om de staatsrechtelijke ontwikkeling van de Transvalers geheel aan de antirevolutionairen te ontnemen en in handen der Revolutionairen te brengen.’ Hij sprak van een ‘voor ons compromiteerende regeling’. En sarcastisch vroeg hij Beelaerts of ‘er ook een brief te loor [is] gegaan waarin Gij uwe politieke vrienden ten deze geraadpleegd hebt […]?’[331] Eerst nadat Beelaerts categorisch had verklaard geen enkele bemoeienis te hebben gehad met de opstelling van het plan-Fruin, waar hij overigens wel achter meende te kunnen staan,[332] bond Kuyper ietwat in.[333]
Dramatisch was intussen het effect van het plan-Fruin op de relatie tussen Kuyper en Du Toit. Al sinds de Jonkman-affaire was er sprake van een verwijdering tussen beide vrienden. Kuyper zag de relatie met de Zuid-Afrikaansche Republiek nog steeds als in de eerste plaats het domein der antirevolutionairen. Du Toit daarentegen was geleidelijk tot de conclusie gekomen dat de Transvalers zich in hun contacten met Nederland niet moesten beperken tot één partij. Zijn aanvankelijke exclusieve oriëntatie op Kuyper en de antirevolutionairen was gebaseerd geweest op gevoelens van religieuze en ideologische verwantschap. Kuypers Pannederlands getinte verwachtingen ten aanzien van de Zuid-Afrikaansche Republiek moeten door de Afrikaner nationalist die Du Toit toch in de eerste plaats was, als benauwend zijn ervaren. De Boeren die zich zojuist bevrijd hadden van het Engelse juk zaten niet te wachten op nieuwe, nu Hollandse voogden. Zijn positieve ervaringen met Nederlandse liberalen, met Jonkman, Pierson, Mees en anderen, hadden Du Toit geleerd dat met hen zeer wel zaken vielen te doen en dat hun pretenties, getemperd door de herinnering aan de periode-Burgers, heel wat minder ver gingen dan die van Kuyper. Daarnaast speelden pragmatische overwegingen een rol: het potentieel van de antirevolutionairen was, met name financieel, beperkt en voor hun ambitieuze plannen waren de Transvalers dus in hoge mate aangewezen op de liberalen. Kuyper werd zich pas door Du Toits reactie op het plan-Fruin ten volle bewust van diens gewijzigde houding. Hij reageerde geschokt, trachtte, tevergeefs, tot tweemaal toe, Du Toit alléén te spreken te krijgen en schreef hem een emotionele brief. Daarin verweet hij hem de kwestie van het Transvaalse hoger onderwijs te hebben geregeld ‘met de Joodjes, en uw oude vriend Kuyper er buiten [te hebben] gehouden’, vroeg hij zich af of Du Toit hem niet ontliep. Hij eindigde:

‘was er wel een oogenblik, dat ge pogende tusschen twee klippen door te zeilen, mij ontzeild waart, o, mijn lieve Broeder, kom dan even bij me, geef me de hand en alles is vergeven. […] heel de wonde in mijn hart. Twee nachten sliep ik niet van het hartzeer, dat Ge mij aandeedt.’[334]

Du Toit reageerde met uitgestoken hand op Kuypers ‘beroep op zijn hart’. ‘[G]ij hebt mij misverstaan; mijn hart is recht met u’, zo liet hij weten. ‘“De liefde denkt geen kwaad.” Zoo zij het tusschen ons. En daartoe “Zij de liefde ongeveinsd” – zonder masker.’ Evenwel, hoezeer Du Toit ook wenste ‘[d]at de broederlijke liefde blijve’, inzake het plan-Fruin was hij onwrikbaar. Kuypers bezwaren noemde hij ‘gezocht en gedwongen’.[335] Pogingen om de kloof te overbruggen mislukten. Het meningsverschil bleef levensgroot bestaan. Bij zijn afscheid van ‘de broederen’, op donderdagavond 12 juni, liet Du Toit hen ontstemd achter, ‘met een wonde in de ziel’. Het speet hem, maar hij hield aan zijn standpunt vast. ‘Ik kan’, zo schreef hij Kuyper vanuit Londen kort voor zijn terugkeer naar Zuid-Afrika,

‘slechts herhalen wat ik u zei: “Ik blijf dezelfde in persoon, doel en streven.” En dat zal de tijd bevestigen. […]
Ik blijf nog volhouden, dat praktisch de
ouders toch zullen beslissen voor elken jongeling die uit Transvaal overkomt; dat ik in de meeste gevallen persoonlijk zal geraadpleegd worden; en dat ik dus de bezwaren tegen het plan Fruyn niet deel.
Doch drijven of dringen wil ik niet. Mogelijk zal nu wel onzen Goede God in zijn erbarming ons wel den weg wijzen door de moeilijkheden, die onze menschelijke onvolkomenheden ons veroorzaken. Dat blijf ik Hem bidden in het belang van ons en uw land.’
[336]

Dit voor Kuyper persoonlijk teleurstellende einde van het bezoek van de deputatie aan Nederland belette hem vooralsnog niet de Transvaalse zaak in het algemeen met sympathie en met grote verwachtingen te blijven bejegenen. Weliswaar trad hij niet toe tot het comité dat half juni 1884 de ten behoeve van de op te richten NZASMuitgeschreven spoorweglening aanbeval in de aandacht van de Nederlandse geldschieters,[337] in De Standaard wees hij wel op het belang van de lening:

‘Hier […] geldt wezenlijk niet alleen een soort van eereschuld voor ons land, maar een belang zóó gewichtig, dat het alleen door onvoldoende wetenschap kan worden miskend.
Wij meenen gerustelijk te kunnen zeggen, dat indien ooit een onderneming deugdelijk op het getouw werd gezet het wel deze zal wezen. […]

Het zou werkelijk voor ons vaderland een gevoelige nederlaag wezen, indien tegenover het buitenland, met name tegenover Engeland moest worden bekend, dat al wat de laatste maanden ten onzent was gezegd, eenvoudig
woorden, woorden waren, en daden voor het afgeleefde Nederland te machtig waren geworden.’[338]

Al in zijn Plancius-rede had Kuyper de Transvalers echter laten weten dat de antirevolutionairen slechts zeer bescheiden zouden kunnen bijdragen in de financiële behoeften van de Zuid-Afrikaansche Republiek: ‘Verwacht […] van “luyden van kleine middelen” geen groote dingen. Voor uw leening de millioenen aandragen kunnen zijniet.’[339] Neen, voor het grote kapitaal waren de Transvalers aangewezen op de liberalen. Kuyper meende zich in deze daarom enigszins op de achtergrond te moeten houden.[340] Dat nam niet weg dat hij ernstig teleurgesteld was toen de spoorweglening mislukte en de oprichting van de NZASM daarmee voorlopig van de baan was.[341]Kuyper onderkende dat het klimaat voor de lening slecht was, dat in handel en nijverheid ‘een zeer gedrukte stemming’ heerste, maar meende dat in dit geval andere dan strikt financiële overwegingen de doorslag hadden moeten geven:

‘Bij geldbelegging komt opgewondenheid minder te pas. Maar toch behoorde door de geldmannen, veel meer dan thans geschiedt, het doel waarvoor men geld geeft in acht te worden genomen. Het handelen in effecten heeft het kapitaal bezittend deel van ons volk tot platte egoïsten verlaagd.’

Kuyper verweet de liberalen dat zij geen consequenties wilden verbinden aan hun eerdere enthousiasme voor de Transvaalse zaak. Naar zijn oordeel hadden de liberalen, blijkbaar ‘bezwaar hebbende tegen het leenen van geld aan de Transvaal’, zich bij het bezoek van de deputatie ‘kieschheidshalve op eenige afstand […] behooren te houden’. Ongetwijfeld had hij het frustrerende gevoel dat de liberalen Du Toit met wat nu luchtkastelen bleken te zijn geweest hadden verleid tot ontrouw aan zijn antirevolutionaire broeders. En hij concludeerde:

‘Treurig, diep treurig […] dat de komst der deputatie hier te lande de aanleiding geweest is, om voor geheel de wereld in het licht te stellen, welk een feestvierende, lichtzinnige, winderige, onverschillige natie wij geworden zijn.
Niet de Transvaalsche leening heeft fiasco gemaakt.
Maar de Nederlandsche natie.’[342]

[1] R. Fruin, ‘Een Hollandsch woord over de Transvaal-quaestie’ in: Robert Fruin’s verspreide geschriften. Eds. P.J. Blok, P.L. Muller, S.Muller Fz. (10 dln. ‘s-Gravenhage 1900-1905) X, 410-411.

[2] Algemeen Handelsblad 7.1.1881.

[3] H.A.L. Hamelberg, ‘Engeland en de Transvaal’. Algemeen Handelsblad 7.4.1881; J.A. Roorda Smit, Het goed recht der Transvaalsche Boeren. Utrecht 1881; P.J. Veth, ‘Onze Transvaalsche broeders’. De Gids XLV (1881) i, 336-351, 545-566. Veths artikel verscheen in brochurevorm met een naschrift en een sterk uitgebreide weerlegging van de klacht over de Transvalers als slavenhouders: P.J. Veth, Onze Transvaalsche broeders. Vermeerderd met een naschrift. Amsterdam 1881.

[4] R. Macalester Loup, ‘Politiek overzicht’. De Gids XLV (1881) i, 386.

[5] Nieuwe Rotterdamsche Courant 14.2.1881, 1.3.1881.

[6] Id. 15.2.1881.

[7] De Standaard 15.2.1881, cf. 2.7.1877.

[8] Id. 14.2.1881, 9.3.1881.

[9] Schutte 1986, 6, 30; Kuitenbrouwer 1985, 120; Goris, 526-527.

[10] H.B.E. Frere, ‘The Transvaal’. The Nineteenth Century IX (1881) 222, cf. 218, 234. Het liberale Tweede Kamerlid W.H. de Beaufort nam nadrukkelijk stelling tegen deze associatie van de Nederlandse pro-Boer beweging met pro-Duitse kringen; W.H. de Beaufort, ‘Holland and the Transvaal’. The Nineteenth Century IX (1881) 573-577. Binnen het toonaangevende HoofdComité tot Behartiging van de Belangen der Transvaalsche Boeren bestond ook weinig sympathie voor Duitsland. Men was er afkerig van contacten met de Duitse pro-Boerbeweging; cf. Notulen HoofdComité 16.3.1881. Collectie HoofdComité I. Een dienovereenkomstige passage evenwel in de door Pieter Harting bij de oprichting van de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging uitgesproken rede, stuitte op zoveel weerstand dat hij werd geschrapt uit de definitieve gedrukte versie van die rede; Rede uitgesproken in de vergadering [ter oprichting] der Nederlandsch Zuid-Afrikaansche vereeniging door prof. P. Harting. Collectie HoofdComité VI/2/7; Notulen HoofdComité 2.6.1881. Collectie HoofdComité I.

[11] Bescheiden 1871-1898 III, no. 44.

[12] Id. III, no. 7.

[13] Id. III, no. 11.

[14] Id. III, no.’s 13, 16, 17.

[15] Handelingen Eerste Kamer 1880-1881, 277-280 (1 maart 1881); Handelingen Tweede Kamer 1880-1881, 944-955 (7 maart 1881).

[16] Handelingen Eerste Kamer 1880-1881, 277 (1 maart 1881).

[17] Id. 1880-1881, 279 (1 maart 1881).

[18] Handelingen Tweede Kamer 1880-1881, 950-951 (7 maart 1881).

[19] Id. 1880-1881, 954 (7 maart 1881).

[20] Id. 1880-1881, 944 (7 maart 1881).

[21] Bescheiden 1871-1898 III, no. 20. In de Tweede Kamer was de interpellatie-aanvraag van de liberaal L.E. Lenting al op verzet gestuit, met name bij Lentings katholieke collegae, maar ook bij liberale clubgenoten. Zij meenden dat de interpellatie overbodig was geworden na het antwoord dat de minister in de Eerste Kamer had gegeven op de vragen van Schimmelpenninck van der Oye. L. Oldenhuis Gratama voegde daar aan toe: ‘Het interpelleeren moedigt een zekere animositeit bij het publiek aan; het moedigt aan om de neutraliteit die wij tegenover Engeland moeten bewaren te schenden.’ Uiteindelijk stemden zestien Kamerleden tegen de interpellatie-aanvraag. Handelingen Tweede Kamer 1880-1881, 941-942 (4 maart 1881).

[22] Algemeen Handelsblad 1.3.1881. Cf. De Amsterdammer (weekblad) 13.2.1881.

[23] Algemeen Handelsblad 3.3.1881.

[24] Id. 9.3.1881.

[25] De Standaard 21.1.1881, cf. 19.1.1881, 2.2.1881.

[26] Id. 4.3.1881. W.A.A.J. Schimmelpenninck van der Oye liet Kuyper naar aanleiding van diens commentaar weten dat de minister zijns inziens onmogelijk meer licht op de zaak had kunnen werpen; inderdaad moest de minister ‘liever U en Uwe volgelingen in het harnas […] jagen, dan vertrouwelijke dossiers […] openen’. W.A.A.J. Schimmelpenninck van der Oye aan A. Kuyper, Den Haag 11.3.1881. Archief Kuyper. Aan Schimmelpennincks broer, het antirevolutionaire Tweede Kamerlid A. Schimmelpenninck van der Oye schreef Kuyper vervolgens begin maart niet gelukkig te zijn geweest met de interpellatie in de Eerste Kamer: zij was hem niet fors genoeg, naar zijn oordeel een gevolg van het feit dat de interpellant een oud-diplomaat was. A. Kuyper aan A. Schimmelpenninck van der Oye [, Amsterdam, begin maart 1881]. ARA, Collectie Schimmelpenninck.

[27] De Standaard 11.3.1881. In zijn brief aan A. Schimmelpenninck van der Oye oordeelde Kuyper de opstelling van de minister wel cynisch. Lenting noemde hij een ‘prul van een staatsman’. A. Kuyper aan A. Schimmelpenninck van der Oye [,Amsterdam, begin maart 1881]. ARA, Collectie Schimmelpenninck.

[28] A.G.C. van Duyl aan A.S. van Reesema, Amsterdam 30.3.1881. Collectie P. Harting 4. In dezelfde lijn ligt het pleidooi enkele weken eerder in het Algemeen Handelsblad voor een Nederlandse interventie bij de regering in Londen, waarbij Engeland Borneo en westelijk Nieuw Guinea aangeboden zou moeten krijgen in ruil voor afstand aan Nederland van Zuid-Afrika. Algemeen Handelsblad 1.3.1881, 3.3.1881.

[29] R. Fruin, A word from Holland on the Transvaal question. Utrecht 1881; J. de Louter, ‘L’annexion du Transvaal’. Revue de droit international et de législation comparée XIII (1881) 194-212; De Beaufort 1881.

[30] De Standaard 24.1.1881; De Werkmansvriend 9.2.1881; R. Hagoort, Patrimonium (Vaderlijk Erfdeel). Gedenkboek bij het gouden jubileum (Kampen 1927) 235-241.

[31] De Standaard 19.1.1881; P.H. Kamphuis, Het Algemeene Nederlandsche Vredebond 1871-1901. Een verkennend onderzoek over dertig jaar ijveren voor een vreedzame internationale samenwerking (‘s-Gravenhage 1982) 123-124; A. Davey, The British pro-Boers 1877-1902(Kaapstad 1978) 27-28.

[32] De Standaard 8.2.1881, 7.3.1881.

[33] P. Harting, Mijne herinneringen. Autobiografie. Ed. J.G. van Cittert-Eymers en P.J. Kipp. Amsterdam 1961; H.F. Jonkman, ‘Pieter Harting’. Mannen van beteekenis in onze dagen 1886, 319-366; C.H.D. Buys Ballot, ‘Levensbericht van Pieter Harting’. Levensberichten der afgestorven medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde 1887, 149-187; A.A.W. Hubrecht, ‘Pieter Harting’. De Gids L(1886) i, 157-168; H.F. Jonkman, ‘Pieter Harting geschetst in zijn werkzaamheid voor de Transvaal’. Jaarverslag van de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging 1885-1886.

[34] Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad 23.12.1880.

[35] Id. 19.1.1881.

[36] Bescheiden 1871-1898 III, no. 17.

[37] Veth 1881a, 566; cf. Veth 1881b, 77-78.

[38] Veth 1881a, 340; cf. Veth 1881b, 12.

[39] De Louter 1881, 210-211.

[40] De Standaard 12.2.1884.

[41] ‘To the people of Engeland’ in: Nederland-Zuid-Afrika. Gedenkboek uitgegeven door de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging bij gelegenheid van haar vijftig-jarig bestaan 1881-1931 (Amsterdam 1931) 2-3; P. Harting aan W.E. Gladstone, Amersfoort 13.6.1884. Private and confidential, in: W.Ph. Coolhaas, ‘De Nisero-kwestie, professor Harting en Gladstone’. Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap LXXXVIII (1964) bijlage iii (blz. 310-315); P. Harting aan lord Reay (M.D.J. baron Mackay), Amersfoort 25.6.1884, in: Coolhaas, bijlage viii (blz. 319-320).

[42] De Standaard 9.3.1881, 9.1.1885.

[43] Veth 1881b, 85.

[44] Cf. De Standaard 5.3.1881 en de briefwisseling van Pieter Harting met sir John Lubbock, Collectie HoofdComité IV/1/4.

[45] Veth 1881b, 85; Harting 1961, 141; P. Harting aan A.S. van Reesema, Utrecht 18.9.1881. Collectie A.S. van Reesema (3).

[46] Harting 1961, 134-139. Voor Beelaerts’ relatie met het Transvaal Independence Committee cf. Davey, 24.

[47] Notulen HoofdComité 20.1.1881, 3.2.1881. Collectie HoofdComité I.

[48] H.P.G. Quack, Herinneringen (Amsterdam 19152) 145, 239-240; R. Fagel, ‘Historische tijdschriften in Nederland (1835-1848). Arnhem, Utrecht, Leiden’. Tijdschrift voor Geschiedenis IC (1986) 365; P.J.A. van Meegeren, ‘Katholiek Utrecht in de tweede helft van de 19e eeuw’. Utrechtse Historische Cahiers VIII (1987) nr. 3/4, hfdst. 4, m.n. 51-53.

[49] Beelaerts van Blokland woonde hoogst zelden een vergadering van het HoofdComité bij; cf. Notulen. Collectie HoofdComité I. Een voorstel van Harting bij de oprichting gedaan om het HoofdComité ‘eene grootere uitbreiding’ te geven was door de andere leden verworpen. Cf. P. Harting aan A.S. van Reesema, Utrecht 21.1.1881. Collectie Harting 1.

[50] Tot de leden van het Comité behoorden verder; dr. P.J. Barnouw, gynaecoloog; dr. Jac. P. van den Berg; F.C. de Brieder, hoofdredacteur van de Amsterdamsche Courant; mr. J. Domela Nieuwenhuis, leraar staatswetenschappen en schoolopziener; P. van Eeghen, koopman, lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland en van de Amsterdamse gemeenteraad; dr. G. van Gorkom, remonstrants predikant; prof. dr. W.M. Gunning, directeur van de Inrichting voor Ooglijders en buitengewoon hoogleraar in de oogheelkunde aan de Gemeentelijke Universiteit; mr. A.F.K. Hartogh, radicaal, advocaat; B.H. Heldt, voorzitter van het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond; C.A. Höweler; dr. H.F.R. Hubrecht, directeur van de Nederlandsche Bell-Telephoon Maatschappij; ds. P.H. Hugenholtz, modern Nederlands Hervormd predikant; prof. dr. Th. Jorissen, hoogleraar algemene geschiedenis aan de Gemeentelijke Universiteit; J. de Koo, hoofdredacteur van De Amsterdammer; J.R. de Kruyff, beeldhouwer en directeur van de Kunstnijverheidsschool; H.J. de Marez Oyens, commissionair in effecten; dr. N.J. van Rijnberk, arts, verbonden aan de Inrichting voor Ooglijders; Th. Sanders; D.H. Schmüll, handelaar in verfwaren; H. de Veer, hoofdredacteur van het Nieuws van den Dag; P.H. Vorstman, heel- en verloskundige; mr. A.D. de Vries, onderdirecteur van ‘s Rijks Prentenkabinet. Cf. De Standaard 4.2.1881, 2.3.1881.

[51] Id. 14.2.1881, 17.2.1881.

[52] Id. 4.2.1881.

[53] Id. 20.1.1881.

[54] Bescheiden 1871-1898 III, no.’s 11n, 19A; De Standaard 4.2.1881, 7.2.1881, 8.2.1881.

[55] De Standaard 17.2.1881.

[56] Bescheiden 1871-1898 III, no. 11n.

[57] De Standaard 29.1.1881, 16.2.1881.

[58] Id. 21.3.1881.

[59] Id. 3.3.1881.

[60] Id. 18.2.1881; cf. 14.2.1881, 21.2.1881, 18.3.1881.

[61] Id. 17.2.1881.

[62] Notulen HoofdComité 17.2.1881. Collectie HoofdComité I. In hoeverre aan deze oproep gehoor werd gegeven is onduidelijk. Tussen 8 februari en 14 april 1881 ontving het Rode Kruis ten behoeve van de Boeren ¦ 68.244,46; De Standaard 16.2.1881, 23.2.1881, 26.2.1881, 2.3.1881, 8.3.1881, 16.3.1881, 24.3.1881, 30.3.1881, 6.4.1881, 14.4.1881. Het Rode Kruis zond vijf artsen naar Zuid-Afrika; id. 1.3.1881, 5.3.1881, 6.4.1881.[62].

[63] Notulen HoofdComité 17.2.1881. Collectie HoofdComité I.

[64] Harting 1961, 139.

[65] A.G.C. van Duyl, Tien dagen in Portugal (2 dln. ‘s-Gravenhage 1881-1883) II, 197-198.

[66] C.B. Spruyt aan P. Harting, Amsterdam 24.2.1881. Collectie HoofdComité VI/2/6.

[67] Notulen HoofdComité 25.2.1881. Collectie HoofdComité I.

[68] De Standaard 8.3.1881. Aanvankelijk zou de manifestatie plaats vinden in Frascati; id. 1.3.1881, 2.3.1881. Toen de belangstelling overweldigend bleek, besloot men toegangskaarten uit te geven; id. 4.3.1881. Op de dag van de manifestatie zelf werd bekend gemaakt dat de meeting was verplaatst naar Artis, waar men over een ruimere accommodatie beschikte; id. 5.3.1881.

[69] Id. 8.3.1881, 9.3.1881. In zijn Planciusrede beschreef Kuyper wat er gebeurde: ‘Ja, een oogenblik bereikte de geestdrift zelfs zulk een hittepunt, dat reeds onvoorzichtige dingen tegen Engeland werden uitgesproken, en het tot nog droever woorden zou gekomen zijn, indien beradener mannen den overmatigen ijver niet hadden getemperd! Bijna luidkeels werd reeds oorlog met Engeland geëischt.’ Kuyper 1884, 10.

[70] G.J.Th. Beelaerts van Blokland aan A. Kuyper, ‘s-Gravenhage 10.3.1881. Archief Kuyper no. 2237.

[71] De Standaard 8.3.1881. Waarschijnlijk ten behoeve van de verspreiding in Engeland waren deze resoluties door Van Duyl, Spruyt en Pierson in het Engels vertaald. Cf. C.B. Spruyt aan A. Kuyper, Amsterdam 5.3.1881. Archief Kuyper no. 2229; A.G.C. van Duyl aan A. Kuyper, Amsterdam 5.3.1881. Archief Kuyper no. 2231. Van Winter brengt deze vertaalarbeid in verband met een door Van Duyl opgesteld adres aan de Portugese Cortes over het Lourenço Marquez-tractaat. Cf. Van Winter 1937-1938 I, 16-18; voor het Lourenço Marquez-tractaat cf. Van Duyl II, 206-241. In de in het Archief Kuyper bewaard gebleven brieven van Spruyt en Van Duyl gaat het echter om de vertaling van resoluties, niet om die van een adres. De in die brieven gesignaleerde vertaalproblemen kunnen bovendien moeiteloos in de tekst van de op 5 maart 1881 in Artis aangenomen resoluties worden getraceerd. Al even duidelijk blijkt uit de correspondentie dat het handelt om een door Kuyper geschreven tekst die, in eerste instantie, door Van Duyl werd vertaald. Het auteurschap van Van Duyl van het, overigens in het Frans, niet in het Engels gestelde adres aan de Portugese Cortes is onomstreden.

[72] Notulen HoofdComité 3.3.1881. Collectie HoofdComité I.

[73] Id. 16.3.1881; Concept-doelstellingen HoofdComité. Collectie HoofdComité II/1.35-36.

[74] C.B. Spruyt aan P. Harting, Amsterdam 19.3.1881. Collectie HoofdComité VI/2/6; W. Heineken aan P. Harting, Amsterdam 20.3.1881. Collectie HoofdComité VI/2/6; Amsterdams Comité voor Transvaal aan P. Harting, Amsterdam 20.3.1881. Afschrift. Archief Kuyper no. 2247; A.G.C. van Duyl aan A. Kuyper, Amsterdam 22.3.1881. Archief Kuyper no. 2252; A.G.C. van Duyl aan P. Harting, Amsterdam 23.3.1881. Collectie HoofdComité V/2; A.G.C. van Duyl aan A.S. van Reesema, Amsterdam 23.3.1881. Collectie P. Harting 4; C.B. Spruyt aan P. Harting, Amsterdam 28.3.1881. Collectie HoofdComité VI/2/6.

[75] Harting 1961, 142; Notulen HoofdComité 24.3.1881. Collectie HoofdComité I.

[76] Notulen HoofdComité 24.3.1881. Collectie HoofdComité I.

[77] Notulen HoofdComité 25.3.1881. Collectie HoofdComité I; Utrechts HoofdComité aan Amsterdams Comité voor Transvaal, Utrecht 25.3.1881. Concept met aantekeningen. Collectie HoofdComité II/1-83; C.B. Spruyt aan P. Harting, Amsterdam 28.3.1881. Collectie HoofdComité VI/2/6.

[78] C.B. Spruyt aan P. Harting, Amsterdam 28.3.1881. Collectie HoofdComité VI/2/6.

[79] Harting 1961, 123; P. Harting aan J.W. Gunning, Amersfoort 18.11.1882. Collectie Gunning; P. Harting aan E.J.P. Jorissen, Amersfoort 12.11.1883. Collectie HoofdComité III/1; De Standaard 5.4.1884.

[80] Harting 1961, 96-101, 123-124, 142; Briefwisseling Groen-Kuyper no. 55.

[81] P. Harting aan de leden van het HoofdComité, Utrecht 30.3.1881. Collectie HoofdComité II/1-79; Notulen HoofdComité 30.3.1881. Collectie HoofdComité I.

[82] Notulen HoofdComité 25.3.1881, 4.4.1881, 6.5.1881. Collectie HoofdComité I; Statuten der NZAV. Collectie HoofdComité VI/2/7.

[83] J. Wertheim aan A. Kuyper, [Amsterdam] 31.3.1881. Archief Kuyper no. 2267; J. Wertheim aan A. Kuyper, [Amsterdam] 4.4.1881. Archief Kuyper no. 2270; J. Wertheim aan A. Kuyper, [Amsterdam] 6.4.1881. Archief Kuyper no. 2276; M.A. Perk aan A. Kuyper, [Amsterdam 7.4.1881]. Archief Kuyper no. 2178; M.A. Perk aan P. Harting, Amsterdam 9.4.1881. Collectie HoofdComité VI/2/6.

[84] Notulen HoofdComité 21.4.1881. Collectie HoofdComité I.

[85] De Standaard 20.5.1881.

[86] P. Harting aan de leden van het HoofdComité, Utrecht 30.3.1881. Collectie HoofdComité II/1-79; P. Harting aan N.A. Calisch, Amersfoort 27.3.1884. Collectie Studiefonds (56).

[87] De Standaard 28.3.1881; Notulen HoofdComité 4.4.1881. Collectie HoofdComité I.

[88] Notulen HoofdComité 4.4.1881. Collectie HoofdComité I.

[89] J. Wertheim aan A. Kuyper, [Amsterdam ?.4.1881]. Archief Kuyper no. 2181; Notulen HoofdComité 4.4.1881, 21.4.1881. Collectie HoofdComité I.

[90] M.A. Perk aan P. Harting, Amsterdam 9.4.1881. Collectie HoofdComité VI/2/6; W. Heineken aan H.F. Jonkman, Amsterdam 7.5.1881. Collectie HoofdComité I.

[91] Concept-rondschrijven aan Transvaalcomités, 17.4.1881. Collectie HoofdComité II/1-84.

[92] Rede uitgesproken in de Vergadering [ter oprichting] der Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging, door prof. P. Harting (Collectie HoofdComité VI/2/7) 9, 14.

[93] De Standaard 14.5.1881; Uitslag van de stemming voor het bestuur der NZAV, Utrecht 12.5.1881. Collectie NZAV I/1; Nederland [-] Zuid-Afrika, 10-101, 249-252.

[94] Notulen HoofdComité 4.1.1882. Collectie HoofdComité I; A. Kuyper aan W. Heineken, Amsterdam 6.1.1882. Collectie NZAV VI/3; F.C. Tromp aan het bestuur van de NZAV, Amsterdam 28.1.1882. Collectie NZAV VI/5; De Standaard 20.1.1882; J.W. Pont, Het Studiefonds voor Zuid-Afrikaansche Studenten 1885-1935. Amsterdam 1935.

[95] Nieuwe Rotterdamsche Courant 11.5.1881.

[96] F. Lion Cachet aan A. Kuyper, Valkenburg 6.5.1881. Archief Kuyper no. 2300.

[97] De Standaard 9.5.1881.

[98] F. Lion Cachet aan A. Kuyper, [Valkenburg, mei of juni 1881]. Archief Kuyper no. 2177; F. Lion Cachet aan H.L. Drucker, Valkenburg 24.6.1881. Collectie NZAV V/1B.

[99] F. Lion Cachet aan A. Kuyper, [Valkenburg] 24.5.1882. Archief Kuyper no. 2655; F. Lion Cachet aan H.L. Drucker, Valkenburg 30.5.1882. Collectie NZAV V/2.

[100] De Standaard 5.3.1881; cf. R. Macalester Loup, ‘Politiek overzicht’. De Gids XLV (1881) i, 187.

[101] De Standaard 25.3.1881.

[102] Ib.

[103] Id. 6.8.1881. Kuyper, op vakantie in Schotland, schreef op 3 augustus 1881, een dag nadat de Conventie van Pretoria was ondertekend, een brief aan de Engelse eerste minister Gladstone. Gladstone gaf de brief door aan zijn collega van Koloniën, lord Kimberley. Aangenomen mag worden dat de brief betrekking had op de ondertekening van de conventie. Naspeuringen naar de brief op het Public Record Office in Kew (Londen) bleven evenwel zonder resultaat. Cf. A. Godley aan A. Kuyper, Londen 10.8.1881. Op briefpapier: 10 Downing Street, Whitehall. Archief Kuyper Le P14 no. 6.

[104] De Standaard 16.9.1881.

[105] Ib.

[106] Id. 16.9.1881, 15.10.1881, 17.10.1881, 19.10.1881, 20.10.1881.

[107] ‘To the people of England’, Utrecht 20.8.1881. Collectie HoofdComité VII.

[108] P. Harting aan A.S. van Reesema, Utrecht 18.9.1881. Collectie A.S. van Reesema 3.

[109] Notulen HoofdComité 9.10.1881, 24.10.1881. Collectie HoofdComité I; HoofdComité aan W.E. Gladstone, Utrecht 9.10.1881. Telegram. Collectie HoofdComité II/1.

[110] P. Harting, Lettre à un ancien membre du Transvaal-Independence-Committee à Londres (Utrecht 1881) 4-5; Jonkman 1885-1886.

[111] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 28.11.1881. Archief Kuyper no. 2460.

[112] De Standaard 3.1.1882.

[113] De Standaard 16.9.1881.

[114] Id. 2.7.1877; cf. hierboven blz. ***.

[115] Voor S.J. du Toit cf. J.D. du Toit, ‘S.J. du Toit in weg en werk’ in Versamelde werke van J.D. du Toit (Totius) (8 dln. Johannesburg 1960-1962) I.

[116] Voor Du Toit en het Afrikaner nationalisme: T.R.H. Davenport, The Afrikaner Bond (1880-1911) (Kaapstad, Londen, New York 1966) 28-53.

[117] Die Afrikaanse Patriot 20.6.1879, geciteerd bij Du Toit, 168.

[118] Die Afrikaanse Patriot 3.3.1882, geciteerd bij Du Toit, 215.

[119] Schutte 1986, 188.

[120] Die Afrikaanse Patriot 14.2.1879, geciteerd bij Du Toit, 255.

[121] Die Afrikaanse Patriot 8.10.1880, geciteerd bij Du Toit, 265.

[122] Geciteerd bij Du Toit, 269.

[123] Die Afrikaanse Patriot 26.3.1880, geciteerd bij Du Toit, 36.

[124] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 3.1.1881. Archief Kuyper no. 2185.

[125] De eerste brief van Du Toit aan Kuyper die in het Archief Kuyper bewaard is gebleven is S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 3.1.1881. Archief Kuyper no. 2185, de laatste S.J. du Toit aan A. Kuyper, Londen 18.6.1884. Op briefpapier: Albemarle Hotel. Archief Kuyper no. 3339. Kuypers eerste in het Archief Kuyper bewaard gebleven brief aan Du Toit is A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 4.9.1881. Archief Kuyper no. 2392a, de laatste A. Kuyper aan S.J. du Toit, Brussel 11.4.1884. Archief Kuyper no. 3297a.

[126] Cf. bijvoorbeeld S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 3.1.1881. Archief Kuyper no. 2185; A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 4.9.1881. Archief Kuyper no. 2392a.

[127] Cf. bijvoorbeeld S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 6.6.1882. Archief Kuyper no. 2667; A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 8.9.1882. Archief Kuyper no. 2706.

[128] Cf. hierboven blz. ***.

[129] A. Kuyper aan S.J. du Toit, [Amsterdam] 29.[3].1884. Kuyper no. 3310a.

[130] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 6.6.1882. Archief Kuyper no. 2667. Cf. S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 4.12.1883. Confidentieel. Archief Kuyper no. 2799; F. Lion Cachet aan A. Kuyper, Valkenburg 25.1.1883. Archief Kuyper no. 2867.

[131] Cf. W.E. Bok aan D. Cordes en H.L. Drucker, Pretoria 24.6.1882. Archief Kuyper no. 2676.

[132] A. Kuyper aan H.L. Drucker, Amsterdam 6.1.1882. Collectie NZAV VI/3; H.L. Drucker aan A. Kuyper, Amsterdam 16.1.1882. Archief Kuyper no. 2514; H.L. Drucker aan D. Cordes en W. Heineken, Amsterdam 29.1.1882. Collectie NZAV VI/3; Overzicht van boeken toegezonden aan S.J. du Toit, voorjaar 1882. Collectie NZAV VI/3. Een soortgelijk initiatief werd ontplooid door de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Op instigatie van Pieter Harting werd door het bestuur van de Maatschappij een commissie benoemd, bestaande uit R. Fruin, historicus, J.H.C. Kern, oriëntalist, en M. de Vries, neerlandicus, die de leden van de Maatschappij uitnodigde om boeken en geld ter beschikking te stellen van een aan de Zuid-Afrikaansche Republiek aan te bieden bibliotheek. De Vries tekende daarbij echter aan ‘dat bij de keuze der te zenden boeken ten strengste de eigenaardige godsdienstige begrippen onzer Afrikaansche stamgenooten dienen geëerbiedigd te worden. Het bestuur behoudt zich derhalve voor, de ingekomen boeken te ziften, en die, welke minder geschikt mochten blijken, achter te houden, om ze later ten bate der Transvaal te verkoopen.’ Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, over het jaar 1882 (Leiden 1882) 71-72. Erg indrukwekkend was het resultaat van de actie van de Maatschappij overigens niet; in 1884 werden ca. 2000 boeken naar de Zuid-Afrikaansche Republiek verscheept. Cf. W. Otterspeer, ‘De Maatschappij en de Boeren’. Nieuw Letterkundig Magazijn VI (1989) i, 9.

[133] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 11.4.1882. Privaat. Archief Kuyper no. 2600; S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 11.4.1882. Archief Kuyper no. 2601; A. Kuyper aan D. Cordes, Amsterdam 27.5.1882. Collectie Studiefonds 56; D. Cordes aan H.L. Drucker, Amsterdam 28.5.1882. Collectie Studiefonds 56; H.L. Drucker aan A. Kuyper, Amsterdam 2.6.1882. Archief Kuyper no. 2664; N.A. Calisch aan G.L.[!] du Toit, Amsterdam 6.7.1882. Collectie Studiefonds 56; S.J. du Toit aan N.A. Calisch, Pretoria 26.8.1882. Collectie Studiefonds 56. Voor Du Toits belangstelling voor de Vrije Universiteit cf. S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 3.1.1881. Archief Kuyper no. 2185; S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 3.8.1881. Archief Kuyper no. 2387; S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 28.11.1881. Archief Kuyper no. 2460.

[134] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 28.11.1881. Archief Kuyper no. 2460.

[135] Cf. S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 11.4.1882. Archief Kuyper no. 2601.

[136] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 3.8.1881. Archief Kuyper no. 2387.

[137] A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 4.9.1881. Archief Kuyper no. 2392a.

[138] E.J.P. Jorissen aan A. Kuyper, Newcastle 28.3.1881. Archief Kuyper no. 2263.

[139] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 3.8.1881. Archief Kuyper no. 2387.

[140] College van Curatoren der Vrije Universiteit aan A. Kuyper, Utrecht 11.6.1881. Archief Kuyper no. 2352.

[141] F. Lion Cachet aan A. Kuyper, Valkenburg [?].1882. Archief Kuyper no. 2352.

[142] A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 4.9.1881. Archief Kuyper no. 2392a.

[143] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 28.11.1881. Archief Kuyper no. 2460.

[144] R. van den Akker, B. de Graaf, T. Kruft, ‘Een onderzoek naar het karakter van de “Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereniging” in de periode 1881-1902’ (ongepubliceerd paper RU Utrecht 1979) 16.

[145] J. de Louter aan P. Harting, Utrecht 22.8.1882. Collectie HoofdComité III/4.

[146] Bestuur van de NZAV aan de leden van de NZAV, [Amsterdam, tussen 5 en 17.11.1882]. Memorie, 4 zijden folio, gedrukt. Collectie NZAV VI/7.

[147] J. de Louter aan P. Harting, Utrecht 22.8.1882. Collectie HoofdComité III/4. Cf. J. de Louter, ‘De Transvaalsche deputatie’. De Gids XLVIII (1884) ii, 507-508.

[148] J. de Louter aan P. Harting, Utrecht 5.9.1882. Collectie HoofdComité III/4.

[149] H.F. Jonkman aan P. Harting, Utrecht 30.7.1882. Collectie HoofdComité III/2.

[150] A. Kuyper aan B.J. baron de Geer van Jutphaas, [Amsterdam] [?].9.1882. Archief De Geer van Jutphaas HSS no. 2094; H.F. Jonkman aan P. Harting, Utrecht 27.9.1882. Collectie HoofdComité III/2; A. Kuyper aan N.A. Calisch, [Amsterdam ca. 27.9.1882]. Collectie NZAV VI/7; De Standaard 17.11.1882, 23.11.1882.

[151] F. Lion Cachet aan N.A. Calisch, Valkenburg 27.9.1882. Collectie NZAV VI/7; F. Lion Cachet aan A. Kuyper, Valkenburg 15.10.1882. Archief Kuyper no. 2733.

[152] A. Kuyper aan N.A. Calisch, Amsterdam 6.10.1882. Collectie NZAV VI/7.

[153] A. Kuyper aan H.F. Jonkman, Amsterdam 6.10.1882. Copy. Archief Kuyper no. 2720.

[154] A. Kuyper aan de bestuursleden van de NZAV, Amsterdam 14.10.1882. Memorie, 4 zijden folio, gedrukt. Collectie NZAV VI/7; De Standaard 24.10.1882, 3.11.1882, 18.11.1882, 20.11.1882, 1.12.1882.

[155] F. Lion Cachet aan A. Kuyper, Valkenburg 18.10.1882. Archief Kuyper no. 2739.

[156] F. Lion Cachet aan N.A. Calisch, Valkenburg 23.10.1882. Collectie NZAV VI/7; De Standaard 9.11.1882. Een halfhartige poging van De Louter de gezaghebbende Lion Cachet voor de NZAV te behouden, Kuyper zo in eigen kring te isoleren en een uittocht van orthodoxen uit de vereniging te voorkomen, mislukte. J. de Louter aan N.A. Calisch, Utrecht 29.10.1882. Collectie NZAV VI/7; Bestuur van de NZAV aan de leden van de NZAV, [Amsterdam, tussen 5 en 17.11.1882]. Memorie, 4 zijden folio, gedrukt. Collectie NZAV VI/7.

[157] A. Kuyper aan D. Cordes, Amsterdam 19.10.1882. Archief Kuyper no. 2740.

[158] D.P.D. Fabius aan D. Cordes, Amsterdam 6.11.1882. Collectie NZAV VI/7; De Standaard 9.11.1882.

[159] De Standaard 17.11.1882.

[160] Id. 23.11.1882.

[161] J.A. Fruin aan P. Harting, Utrecht 27.11.1882, in: Harting 1961, 216-217, bijlage xxxiii.

[162] Ib.

[163] Nieuwe Rotterdamsche Courant 12.11.1882. Voor het auteurschap van J.A. Fruin cf. J.A. Fruin aan P. Harting, Utrecht 9.11.1882 en J.A. Fruin aan P. Harting, Utrecht 27.11.1882, beide in: Harting 1961, 216-217, bijlage xxxiii.

[164] De Standaard 20.10.1882.

[165] Id. 20.10.1882, 23.10.1882, 24.10.1882, 25.10.1882, 27.10.1882, 1.11.1882, 3.11.1882, 8.11.1882, 17.11.1882, 18.11.1882, 20.11.1882, 23.11.1882, 27.11.1882, 28.11.1882, 1.12.1882.

[166] In de memorie zoals die in De Standaard van 24 oktober 1882 werd gepubliceerd, ontbrak een passage uit de oorspronkelijke memorie, waarin Kuyper formele bezwaren inbracht tegen de wijze waarop het NZAV-bestuur functioneerde. Kuyper wees erop dat volgens de statuten het notuleren van de bestuursvergaderingen moest geschieden door een secretaris die lid was van het bestuur. Sinds het vertrek van Wertheim naar Engeland was de functie van notulist waargenomen door achtereenvolgens H.L. Drucker en N.A. Calisch, beide adjunct-secretaris. De statuten bepaalden echter dat de secretaris bij afwezigheid moest worden waargenomen door een ander bestuurslid en niet door een niet tot het bestuur behorende adjunct-secretaris. Verder verweet Kuyper het dagelijks bestuur dat het te veel beslissingen aan zich trok, zonder daar het bestuur als geheel in te kennen. ‘[T]hans’, zo schreef hij, ‘wordt […] feitelijk alles afgedaan door den heer Voorzitter en Penningmeester, in overleg met een adjunct-Secretaris, en raakt het bestuur, als zoodanig, buiten het beleId.’ Op de bestuursvergadering van 16 oktober was deze formele kritiek niet besproken, maar verdaagd naar een volgende vergadering. Kuyper liet Calisch toen echter weten dat voor hem dit deel van de memorie geen betekenis meer had, nu zijn overige bezwaren verworpen waren en hij bij gevolg de vereniging had verlaten. ‘Nu hieruit intusschen […] voor het Bureau de onaangenaamheid zou geboren worden, dat een ingebrachte klacht hangen bleef, is het mij aangenaam om dit bezwaar te kunnen wegnemen, door U te verzoeken aan het bestuur te willen mededeelen, dat ik het eerste gedeelte van mijn Memorie terugneem en dus ook niet zal publiceeren. Dit neemt echter niet weg, dat ik natuurlijk met veel belangstelling elke mededeeling ontvangen zal, die, ook na terugneming van de officieele klacht persoonlijk mijn bedenkingen opheft.’ A. Kuyper aan de bestuursleden van de NZAV, Amsterdam 14.10.1882. Memorie, 4 zijden folio, gedrukt. Collectie NZAV VI/7; N.A. Calisch aan A. Kuyper, Amsterdam 20.10.1882. Archief Kuyper no. 2741; A. Kuyper aan N.A. Calisch, Amsterdam 21.10.1882. Voor copie conform H. Huber. Archief Kuyper no. 2744.

[167] Dagelijks bestuur van de NZAV aan de leden van de NZAV, [Amsterdam, voor 17.11.1882]. Collectie NZAV VI/7.

[168] De Standaard 23.11.1882.

[169] J. de Louter aan N.A. Calisch, Utrecht 21.11.1882. Collectie NZAV VI/7; A. van Naamen van Eemnes aan N.A. Calisch, ‘s-Gravenhage 4.12.1882. Collectie NZAV VI/7.

[170] W.E. Bok aan D. Cordes en W. Heineken, Pretoria 24.6.1882. Archief Kuyper no. 2767.

[171] J. Bijsterus Heemskerk aan N.A. Calisch, Amsterdam 12.11.1882. Collectie NZAV VI/4.

[172] Handelingen Eerste Kamer 1882-1883, 158 (23 januari 1883), 209 (26 januari 1883); Handelingen Tweede Kamer 1882-1883, bijlage IIIA, no. 9 (blz. 8).

[173] W.K.F.P. van Bylandt aan A. Kuyper, ‘s-Gravenhage 18.11.1882. Archief Kuyper no. 2781; O. van Wassenaer van Catwijk aan A. Kuyper, ‘s-Gravenhage 4.12.1882. Archief Kuyper no. 2800; W.H. de Beaufort aan N.A. Calisch, Leusden 2.1.1883. Collectie NZAV VI/4; Van Winter 1937-1938 II, 14n. De door Kuyper cum suis naar voren geschoven kandidaat voor het consulschap was waarschijnlijk H.T. Bührmann, die in de loop van 1883 naar de Zuid-Afrikaansche Republiek zou terugkeren.

[174] De Standaard 20.10.1882.

[175] H.F. Jonkman aan P. Harting, Kaapstad 12.2.1883. Collectie HoofdComité III/2.

[176] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 4.12.1882. Confidentieel. Archief Kuyper no. 2799.

[177] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 21.3.1883. Archief Kuyper no. 2943.

[178] S.J. du Toit aan het bestuur van de NZAV, Pretoria 21.3.1883. Collectie NZAV VI/1; De Standaard 28.4.1883.

[179] S.J.P. Kruger aan F. Lion Cachet, Pretoria 3.3.1883. Collectie NZAV VI/506.

[180] J. de Louter aan P. Harting, Utrecht 12.12.1883. Collectie HoofdComité III/4; Schutte 1968, 34.

[181] De Standaard 6.9.1883.

[182] F. Lion Cachet aan A. Kuyper, Rotterdam 23.6.1883. Archief Kuyper no. 3050.

[183] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 6.8.1883. Archief Kuyper no. 3064.

[184] Van Winter 1937-1938 I, 51-52.

[185] J.H. Janson aan H.L. Drucker, Amsterdam 14.4.1882. Collectie NZAV VII A1.

[186] Ib.; Van Winter 1937-1938 I, 51n. Op de ledenlijst van de Emigratiecommissie komen verder nog de namen voor van F. Lion Cachet, die overigens pas op 3 november 1882 deel ging uitmaken van de commissie, H. Stiemens, die van 1870 tot 1879 Transvaals staatssecretaris was geweest en van 1879 tot 1882 in Nederland verbleef, W.J. van der Werff, ambtenaar aan het departement van Marine, de arts J.L.C.S. Lührs uit Asperen, een van de oprichters van het Groene Kruis, de landbouwers A. Vos en A. Troost, beiden uit de Y-polder, de veehouders P. Hartman en W. Sluijs, uit Sloterdijk respectievelijk de Beemster, de verzekeringsexpert J.H. Rovers uit Groningen en H. van den Bosch uit Nieuwer Amstel. Lid van de Stoomvaartcommissie waren, behalve J.H. Rovers, A.G.C. van Duyl, J.H. Janson jr. en D.H. Schmüll, P.E. Tegelberg, directeur van de Stoomvaart Maatschappij Nederland, A. Bruinier, cargadoor en reder, firmant van Oolgaardt & Bruinier en van 1878 tot 1883 lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland, en jhr. H.O. Wichers, van 1877 tot 1879 minister van Marine en vervolgens, tot 1884, lid van de Tweede Kamer. Lijst van leden, Amsterdam 24.2.1882. Collectie NZAV VII A1.

[187] Van Winter 1937-1938 I, 51n.

[188] A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 8.9.1882. Zeer confidentieel en met het verzoek om terstond te vernietigen. Archief Kuyper no. 2706.

[189] A.G.C. van Duyl aan H.L. Drucker, Amsterdam 11.3.1882. Collectie NZAV VII A1,

[190] A. Kuyper aan H.L. Drucker, [Amsterdam, ca. 17.3.1882]. Collectie NZAV VII A1. De subsidie werd ten slotte verleend in de vorm van een renteloos voorschot; H.L. Drucker aan A.G.C. van Duyl, Amsterdam 23.3.1882. Collectie NZAV VII A1.

[191] A.G.C. van Duyl aan A. Kuyper, Amsterdam 1.4.1882. Archief Kuyper no. 2585; J.W. Gunning aan A. Kuyper, Amsterdam 1.5.1882. Archief Kuyper no. 2619; A. Kuyper aan J.W. Gunning, Amsterdam 2.5.1882. Collectie Gunning.

[192] Kuyper 1879, 332.

[193] J.A. Sillem aan J.W. Gunning, Amsterdam 27.4.1882. Collectie Gunning. Sillem, lid van de Amsterdamse gemeenteraad en van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, weigerde het hem aangeboden lidmaatschap van de Emigratiecommissie.

[194] De Standaard 30.11.1888.

[195] Id. 21.4.1882, 12.1.1883, 8.8.1884, 15.4.1885.

[196] Id. 3.1.1883.

[197] Id. 30.5.1890; cf. 12.1.1883, 9.3.1886, 16.3.1886, 11.6.1887, 4.3.1891, 10.8.1891.

[198] Id. 20.3.1882, 10.4.1882.

[199] Cf. F. Lion Cachet aan A. Kuyper, Valkenburg 5.4.1882. Archief Kuyper no. 2592.

[200] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 6.6.1882. Archief Kuyper no. 2667.

[201] F. Lion Cachet aan A. Kuyper, Valkenburg 20.7.1882. Archief Kuyper no. 2687.

[202] J.W. Gunning aan A. Kuyper, Groot-Zande bij Keppel 25.8.[1882]. Archief Kuyper no. 2695.

[203] A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 8.9.1882. Zeer confidentieel en met verzoek om terstond te vernietigen. Archief Kuyper no. 2706.

[204] Ib.; A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 11.9.1882. Zeer confidentieel en om te vernietigen. Archief Kuyper no. 2710.

[205] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 4.12.1882. Confidentieel. Archief Kuyper no. 2799.

[206] Extract notulen bestuursvergadering [6.11.1882]. Collectie Gunning.

[207] J.W. Gunning en J.H. Janson jr. aan het bestuur van de NZAV, Amsterdam 7.11.1882. Collectie NZAV VI/7.

[208] De Hollandsche Afrikaan 25.10.1882.

[209] J.W. Gunning en J.H. Janson jr. aan het bestuur van de NZAV, Amsterdam 7.11.1882. Collectie NZAV VI/7; J.W. Gunning aan P. Harting, Amsterdam 17.11.1882. Collectie HoofdComité VI/2/8; Algemeen Handelsblad 17.11.1882.

[210] H.L. Drucker aan A.G.C. van Duyl, Amsterdam 23.3.1882. Collectie NZAV VII A1.

[211] A.G.C. van Duyl aan N.A. Calisch, Amsterdam 8.9.1882. Collectie NZAV VII A1; N.A. Calisch aan A.G.C. van Duyl, Amsterdam 9.9.1882. Copie. Collectie NZAV VII A1.

[212] F.C. Tromp aan het bestuur van de NZAV, Amsterdam 28.1.1882. Collectie NZAV VI/5; J.W. Gunning en J.H. Janson jr. aan het bestuur van de NZAV, Amsterdam 7.11.1882. Collectie NZAV VI/7; N.A. Calisch aan de Emigratiecommissie, Amsterdam 1.12.1882. Collectie NZAV VI/7.

[213] Van Winter 1937-1938 II, 47-49; Schutte 1968, 58-59; J.W. Gunning aan A. Kuyper, Groot-Zande bij Keppel 18.8.1883. Confidentieel. Archief Kuyper no. 3067; Circulaire inzake emigratie naar Zuid-Afrika, Amsterdam [?].8.1883. Collectie NZAV VI/2/8; J.W. Gunning aan P. Harting, Amsterdam 1.11.1883. Collectie HoofdComité VI/2/8.

[214] Van Winter 1937-1938 I, 54, II, 46; K. Kater aan D.H. Schmüll, Amsterdam 7.11.1883. Archief Kuyper no. 3148.

[215] Van Winter 1937-1938 I, 55, 100; H.E.W. Backeberg, ‘Die betrekkinge tussen die Suid-Afrikaanse Republiek en Duitsland tot na die Jameson-inval (1852-1896).’ Argief-Jaarboek vir Suid-Afrikaanse Geskiedenis XII (1949) i, 39.

[216] Van Winter 1937-1938 I, 55.

[217] K. Kater aan D.H. Schmüll, Amsterdam 7.11.1883. Archief Kuyper no. 3148.

[218] J.W. Gunning aan A. Kuyper, Amsterdam 23.12.1883. Archief Kuyper no. 3193.

[219] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 4.12.1882. Confidentieel. Archief Kuyper no. 2799.

[220] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 6.8.1883. Archief Kuyper no. 3064.

[221] J.W. Kew, ‘John Gilbert Kotzé and the chief justiceship of the Transvaal, 1877-1881’. Argief-Jaarboek vir Suid-Afrikaanse GeskiedenisXLVII (1984) ii, 191-193.

[222] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 4.12.1882. Confidentieel. Archief Kuyper no. 2799.

[223] Cf. E.J.P. Jorissen, Mijn advies over het rapport der Volksraads-commissie in zake bank-concessie, enz. Utrecht 1883.

[224] Van Winter 1937-1938 I, 42-46; Schutte 1968, 65-67; Krüger II, 12-19. Voor de visie van Jorissen cf. E.J.P. Jorissen, Transvaalsche herinneringen 1876-1896 (Amsterdam/Pretoria 1897) 126-131. Jorissen had de bui overigens al lang zien aankomen. Tot twee maal toe drong hij er bij Harting op aan hem een ere-doctoraat in de rechten te doen verlenen. Harting schakelde daartoe J.A. Fruin in, die over deze kwestie ook door anderen was benaderd, wellicht door de Amsterdamse hoogleraar geschiedenis Th. Jorissen, een broer van de Transvaalse staatsprocureur. Fruin was bereid al het mogelijke te doen, maar had weinig hoop op een positief resultaat. J.A. Fruin aan P. Harting, [Utrecht] 8.1.1882 en E.J.P Jorissen aan P. Harting, [Londen] 7.5.1883, beide in: Harting 1961, 228 (bijlage xli). Jorissen kreeg zijn Utrechtse ere-doctoraat pas in 1895. Voor Du Toits rol bij het ontslag van Jorissen cf. S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 6.8.1883. Archief Kuyper no. 3067.

[225] Krüger II, 13-17.

[226] J.W. Gunning aan A. Kuyper, Groot-Zande bij Keppel 18.8.1883. Archief Kuyper no. 3067.

[227] E.J.P. Jorissen aan A. Kuyper, Newcastle 28.3.1881. Archief Kuyper no. 2263.

[228] De Standaard 3.9.1883.

[229] Id. 15.9.1883.

[230] Van Winter 1937-1938 I, 43-44, 55; De Louter 1884, 513-514.

[231] De Louter 1884, 512; A. van Naamen van Eemnes aan N.A. Calisch, Zürich 25.5.1883. Collectie NZAV VI/7; P. Harting aan J. de Louter, Amersfoort 27.8.1883. Collectie HoofdComité III/1; P. Harting aan S.J.P. Kruger, Amersfoort 23.10.1883. Collectie HoofdComité III/1; J. de Louter aan P. Harting, Utrecht 12.2.1884. Collectie HoofdComité III/1; P. Harting aan J.G. Kotzé, Amersfoort 15.2.1884. Collectie HoofdComité III/1.

[232] De Standaard 16.1.1884.

[233] P. Harting aan J. de Louter, Amersfoort 27.8.1883. Collectie HoofdComité III/1.

[234] Schutte 1968, 29n.

[235] De Standaard 12.11.1883, 15.11.1883.

[236] J. Wertheim aan N.A. Calisch, Londen 21.11.1883. Collectie NZAV VI/1.

[237] J. de Louter aan P. Harting, Utrecht [tussen 10 en 18].9.1883. Collectie HoofdComité III/4.

[238] P. Harting aan de Permanente Commissie, Amersfoort 31.10.1883. Collectie HoofdComité III/4.

[239] P. Harting aan S.J.P. Kruger, Amersfoort 23.10.1883. Collectie HoofdComité III/1; P. Harting aan J.W. Gunning, Amersfoort 6.11.1883. Collectie HoofdComité III/1; P. Harting aan E.J.P. Jorissen, Amersfoort 1.12.1883. Collectie HoofdComité III/1; P. Harting, artikel bestemd voor het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad [ca. 24.12.1883]. Niet gepubliceerd. Collectie HoofdComité III/4.

[240] P. Harting aan J.W. Gunning, Amersfoort 6.11.1883. Collectie HoofdComité III/1; P. Harting aan S.J.P. Kruger, Amersfoort 8.11.1883. Collectie HoofdComité III/1.

[241] P. Harting aan T.A.J. van Asch van Wijck, Amersfoort 9.12.1883. Niet verzonden. Collectie HoofdComité III/1; P. Harting aan T.A.J. van Asch van Wijck, Amersfoort 10.12.1883. Collectie HoofdComité III/1.

[242] Van Winter 1937-1938 I, 56.

[243] J. de Louter aan P. Harting, Utrecht 12.12.1883. Collectie HoofdComité III/4; H.F. Jonkman, ‘De Transvaalsche Deputatie’. De Amsterdammer. Dagblad voor Nederland 1-5.3.1884.

[244] J. Wertheim aan P. Harting, Londen 5.12.1883. Confidentieel behalve voor De Louter. Collectie HoofdComité VI/2/6.

[245] J. de Louter aan P. Harting, Utrecht 3.11.1883. Collectie HoofdComité III/4.

[246] Ib.

[247] De Standaard 6.9.1883, 14.9.1883, 15.10.1883, 7.11.1883, 13.11.1883, 25.2.1884, 13.3.1884; Kuyper 1884, 6

[248] Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad 14.11.1883.

[249] J.W. Gunning aan P. Harting, Amsterdam 25.11.1883. Collectie HoofdComité VI/2/8.

[250] E. Esselen aan het bestuur van de NZAV, Londen 13.11.1883. Collectie NZAV VI/1.

[251] Het dagelijks bestuur van de NZAV aan S.J.P. Kruger. Voorgelegd aan de bestuursleden van de NZAV bij schrijven d.d. Amsterdam 17.11.1883. Collectie NZAV VI/1.

[252] N.A. Calisch aan J.W. Gunning, Amsterdam 14.12.1883. Collectie NZAV VII A 1.

[253] J.W. Gunning aan P. Harting, Amsterdam 25.11.1883. Collectie HoofdComité VI/2/8; P. Harting aan E.J.P. Jorissen, Amersfoort 1.12.1883. Collectie HoofdComité III/1. Vergelijkbaar is Hartings bereidheid in Amersfoort een receptie bij te wonen ter gelegenheid van de ontvangst van de deputatie aldaar, op voorwaarde dat hij de verzekering zou krijgen dat Kuyper niet ook voor die receptie werd uitgenodigd. P. Harting aan T.A.J. van Asch van Wijck, Amersfoort 26.11.1883. Collectie HoofdComité III/1.

[254] J.W. Gunning aan A. Kuyper, Amsterdam 20.12.1883. Archief Kuyper no. 3188; De Standaard 24.12.1883.

[255] N.A. Calisch aan J. de Louter, Amsterdam 12.12.1883. Copie. Collectie NZAV VII A 1. Het voorstel van De Louter: J. de Louter aan het Bureau van de NZAV, Utrecht 30.11.1883. Collectie NZAV VII A 1.

[256] N.A. Calisch aan de ‘Gemengde Commissie’, Amsterdam 26.1.1884. Collectie NZAV VII A 1.

[257] J.W. Gunning aan A. Kuyper, Amsterdam 23.12.1883. Archief Kuyper no. 3193.

[258] N.A. Calisch aan de ‘Gemengde Commissie’, Amsterdam 26.1.1884. Collectie NZAV VII A 1.

[259] Zie onder meer de open brief van A.G.C. van Duyl, De Standaard 16.1.1884.

[260] De Standaard 1.2.1884; D.H. Schmüll aan A. Kuyper, Amsterdam 31.1.1884. Archief Kuyper no. 3233a; D.H. Schmüll aan J.W. Gunning, Amsterdam 31.1.1884. Collectie Gunning.

[261] Als secretaris van de deputatie trad E. Esselen op, als tolk ds. D.P. Faure en als particulier secretaris van Kruger J. Eloff; Krüger II, 20. Cf. Bescheiden 1871-1898 III, no. 402, waar Esselen is verbasterd tot Essler en Eloff tot Eelhoff.

[262] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 6.8.1883. Archief Kuyper no. 3064; Transvaal Deputation aan A. Kuyper, Madeira 25.10.1883. Telegram. Archief Kuyper no. 3137. Voor zijn vertrek naar Londen ontving Kuyper van de Rotterdammer P. van Oordt, behorend tot de kring van VU-vrienden, ¦ 400, ter bestrijding van de kosten die zouden voortvloeien uit zijn bemoeienissen met de Transvaalse deputatie; P. van Oordt aan A. Kuyper, Rotterdam 26.10.1883. Archief Kuyper no. 3138b.

[263] De Standaard 1.11.1883.

[264] Bescheiden 1871-1898 III, no. 371.

[265] G.J.Th. Beelaerts van Blokland aan A. Kuyper, [‘s-Gravenhage] 1.11.1883. Archief Kuyper no. 3143.

[266] De Standaard 14.11.1883.

[267] Cf. W.J. Leyds aan A. Kuyper, Brussel 12.12.1899. Op briefpapier: Gezantschap van de Zuid-Afrikaansche Republiek. Archief Kuyper no. 6356; W.J. Leyds, Tweede verzameling. Correspondentie 1899-1900 (Als manuscript gedrukt) (2 dln. in 3 bnd., ‘s-Gravenhage 1930) I, no. 235. In zijn antwoord aan Leyds ontkende Kuyper het Adress geschreven te hebben, beweerde zelfs niet van het bestaan ervan te weten; cf. Leyds 1930 I, no. 243. Zijn geheugen moet hem hier in de steek gelaten hebben. Kort na zijn bezoek aan Londen had hij tegenover Gunning nog uitdrukkelijk verklaard het Adress geschreven te hebben; J.W. Gunning aan P. Harting, Amsterdam 25.11.1883. Collectie HoofdComité VI/2/8. Ook andere bronnen wijzen op Kuypers auteurschap: cf. Bescheiden 1871-1898 III, no. 371; De Louter 1884, 518; Du Toit, 305; Krüger II, 30, 35. Een Nederlandse vertaling van het Adress verscheen in De Standaard van 14.11.1883.

[268] J. Wertheim aan N.A. Calisch, Londen 21.11.1883. Collectie NZAV VI/1.

[269] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Londen 3.1.1884. Op briefpapier: Albemarle Hotel. Archief Kuyper no. 3209.

[270] Ib.; cf. S.J. du Toit aan A. Kuyper, Londen 27.11.1883. Op briefpapier: Albemarle Hotel. Archief Kuyper no. 3164; S.J. du Toit aan A. Kuyper, Londen 1.12.1883. Archief Kuyper no. 3168; S.J. du Toit aan A. Kuyper, Londen 5.12.1883. Archief Kuyper no. 3175.

[271] A. Kuyper aan S.J. du Toit, [Amsterdam] 7.12.1883. Archief Kuyper no. 3179a.

[272] J.W. Gunning aan A. Kuyper, Amsterdam 20.12.1883. Archief Kuyper no. 3188; A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 21.12.1883. Archief Kuyper no. 3193a; S.J. du Toit aan A. Kuyper, Londen 29.1.1884. Op briefpapier: Albemarle Hotel. Archief Kuyper no. 3232.

[273] Voor het verloop van die besprekingen cf. D.M. Schreuder, Gladstone and Kruger. Liberal government and colonial ‘home rule’ 1880-85(Londen/Toronto 1969) ch. vii, waar evenwel weinig aandacht wordt geschonken aan de beleidsvorming aan Transvaalse zijde. In het archief Kuyper berusten afschriften van vrijwel de gehele correspondentie tussen de Transvaalse deputatie en de Engelse regering.

[274] De Standaard 7.11.1883, 13.11.1883.

[275] Id. 22.12.1883.

[276] A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 21.12.1883. Archief Kuyper no. 3193a; cf. A. Kuyper aan S.J. du Toit, [Amsterdam] 7.12.1883. Archief Kuyper no. 3179a.

[277] A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 23.1.1883. Archief Kuyper no. 3227.

[278] J. de Louter aan P. Harting, Utrecht [?].9.1883. Collectie HoofdComité III/4; G.J.Th. Beelaerts van Blokland aan J.W. Gunning, ‘s-Gravenhage 28.9.1883. Collectie Gunning.

[279] Du Toit, 305; Krüger II, 30.

[280] G.J.Th. Beelaerts van Blokland aan A. Kuyper, [‘s-Gravenhage] 28.9.1883. Collectie Gunning.

[281] De Standaard 7.1.1885.

[282] Krüger II, 39-47; De Standaard 29.2.1884, 1.3.1884, 3.3.1884; Nieuwe Rotterdamsche Courant 29.2.1884, 1.3.1884, 2.3.1884, 5.3.1884, 7.3.1884; S.J. du Toit aan A. Kuyper, Londen 15.2.1884. Op briefpapier: Albemarle Hotel. Archief Kuyper no. 3246; Bescheiden 1871-1898, III no. 411. Het bezoek van Kruger aan Willem III en Emma was, op verzoek van Kuyper, voorbereid door A. baron Schimmelpenninck van der Oye van de Poll en Nijenbeek, lid van de Tweede Kamer en administrateur van het Kroondomein; cf. A. Kuyper aan A. Schimmelpenninck van der Oye van de Poll en Nijenbeek, [Amsterdam] 25.2.1884. Archief Kuyper no. 3253a.

[283] Krüger II, 39-47; De Standaard 7.3.184; Nieuwe Rotterdamsche Courant 7.3.1884. Voor Kuypers rol bij het vinden van hotelruimte in Amsterdam cf. Regeling van de komst van de Transvaalsche deputatie in Nederland, [1884]. Archief Kuyper no. 3464; A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 23.1.1884. Archief Kuyper no. 3227. Voor de toespraak van Gunning: Collectie Gunning. Voor de toevoeging van één van Kuypers zonen aan de deputatie cf. A. Kuyper aan S.J. du Toit, [Amsterdam] 18.3.1884. Archief Kuyper no. 3302.

[284] Nieuwe Rotterdamsche Courant 9.3.1884, 11.3.1884, 12.3.1884, 18.3.1884.

[285] De Standaard 13.3.1884, 17.3.1884; Nieuwe Rotterdamsche Courant 16.3.1884; A.F. de Savornin Lohman aan A. Kuyper, ‘s-Hertogenbosch 15.3.1884. Archief Kuyper no. 3271; J.C. Fabius aan A. Kuyper, Delft 23.3.1884. Archief Kuyper no. 3275. A.F. de Savornin Lohman liet Kuyper weten dat hij ‘door verschillende oorzaken’ verhinderd was naar Amsterdam te komen, maar dat hij, ook al had hij gekund, ‘na onze laatste correspondentie’ toch niet gekomen zou zijn. Zijn relatie met Kuyper stond, niet voor het eerst en niet voor het laatst, onder druk, ditmaal wegens meningsverschillen over de wijze waarop de oppositie tegen het ministerie-Heemskerk moest worden gevoerd. Cf. Kasteel, 129; L.C. Suttorp, Jhr mr Alexander Frederik de Savornin Lohman 1837-1924. Zijn leven en werken (‘s-Gravenhage 1948) 47, 196-197.

[286] Algemeen Handelsblad 17.3.1884; Van Winter I, 58-60.

[287] A. Kuyper aan S.J. du Toit, [Amsterdam] 18.[4].1884. Archief Kuyper no. 3302; A. Kuyper aan S.J. du Toit, [Amsterdam] 19.[4].1884. Archief Kuyper no. 3303a; A. Kuyper aan S.J. du Toit, Brussel 11.4.1884. Archief Kuyper no. 3297a.

[288] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Berlijn 9.6.1884. Op briefpapier: Der Kaiserhof. Archief Kuyper no. 3330; De Standaard 13.6.1884; Nieuwe Rotterdamsche Courant 14.6.1884; Krüger II, 49-61; Van Winter 1937-1938 I, 65-66; Backeberg, 46-48.

[289] F. Lion Cachet aan A. Kuyper, Rotterdam [4.3.1884]. Archief Kuyper no. 3205; Krüger II, 49-61; Kriel, 119-120. Van Reesema nam Lion Cachet later in bescherming tegen beschuldigingen als zou hij zich aan de deputatie hebben willen opdringen; A.S. van Reesema aan de redacteur van het Zondagsblad [Rotterdam] 7.3.1884. Collectie NZAV VI/11.

[290] Zie hierboven blz. ***.

[291] F. Lion Cachet aan A. Kuyper, Rotterdam [4.3.1884]. Archief Kuyper no. 3205; De Standaard 7.3.1884; Nieuwe Rotterdamsche Courant 18.3.1884.

[292] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 6.8.1883. Archief Kuyper no. 3064; E. Esselen aan het bestuur van de NZAV, Londen 13.11.1883. Collectie NZAV VI/1; Regeling voor de komst der Transvaalse Deputatie in Nederland [1884]. Archief Kuyper no. 3464.

[293] G. van Tienhoven aan A. Kuyper, Amsterdam 3.2.1884. Archief Kuyper no. 3235; Toespraak J.W. Gunning tot de deputatie, Amsterdam 6.3.1884. Collectie Gunning.

[294] Nieuwe Rotterdamsche Courant 7.3.1884.

[295] H.N. Teding van Berkhout aan J.W. Gunning, [Amsterdam 9.3.1884]. Collectie Gunning; E. Esselen aan J.W. Gunning, Amsterdam 10.3.1884. Collectie Gunning; E. Esselen aan J.W. Gunning, Amsterdam 13.3.1884. Collectie Gunning.

[296] Programma der feestelijke ontvangst van de deputatie der Zuid-Afrikaansche Republiek op Dinsdag 11 Maart 1884, des avonds te zeven uren in het lokaal ‘Plancius’. Collectie Gunning; Kuyper 1884, 24; Hagoort 1927, 255-268.

[297] Kuyper 1884, 5-8.

[298] Id. 8-11.

[299] Id. 11-18.

[300] Id. 18-19.

[301] De Standaard 14.4.1884.

[302] Id. 26.3.1884; cf. H. Waller aan A. Kuyper, Amsterdam 24.3.1884. Archief Kuyper no. 3278.

[303] P. Harting aan N.A. Calisch, Amersfoort 27.3.1884. Collectie Studiefonds; cf. Coolhaas.

[304] De Standaard 1.4.1884, 5.4.1884.

[305] Id. 5.4.1884.

[306] Id. 26.3.1884.

[307] Kuyper 1884, 3.

[308] De Standaard 4.4.1884. Kuyper stond in zijn sentiment zeker niet alleen. C.B Spruyt, van 1887 tot 1897 secretaris van de NZAV, schreef in 1885 werkzaam te willen zijn ‘ter beveiliging van het doel, dat er in Zuid-Afrika een groot volk gaat worden, waar de Hollandsche kolonist zijn taal en zijn vaderlandsche zeden grootendeels terugvindt, zodat indien Oud-Holland mettertijd bezwijken mocht voor de historische invloeden, die de kleine staten door de groote doen absorbeeren, de meer levenskrachtige en werkzame elementen van ons volk in Zuid-Afrika een nieuwe bodem vinden, waar zij onze historische taal en het Hollandsche ras kunnen voortzetten.’ C.B. Spruyt aan J.W.G. van Oordt, Amsterdam 12.10.1885. Collectie NZAV VI/17. En zelfs bij de door velen voor een onverbeterlijke vooruitgangsoptimist gehouden Robert Fruin leek de belangstelling voor Zuid-Afrika mede geprikkeld te worden door twijfel over de toekomst van de Nederlandse natie in Europa. Op 15 juni 1882 opende Fruin de algemene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Sprekend over de gebeurtenissen in Zuid-Afrika, die de Nederlander hadden geleerd zichzelf weer te ‘achten, nu hij in het voorbeeld van den Transvaalschen boer heeft zien uitkomen wat er ook in hem steekt’, wees hij op wat afbreuk had gedaan aan het Nederlandse zelfvertrouwen: ‘de geringe getalsterkte, van ons volk te midden van zooveel talrijker en derhalve machtiger naburen.’ Nederland moest, zo meende hij, de betrekkingen met ‘de bloedverwanten, die wij gelukig terug hebben gevonden’ koesteren, vooral omdat ‘[w]ij […] ons zoo eenig [gevoelen] te midden der vreemde naburen.’ Handelingen en Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden over het jaar 1882 (Leiden 1882) 22-28; cf. H.L. Wesseling, ‘Robert Fruin. De geschiedenis van een reputatie’. Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1986-1987 (Leiden 1988) 8-9.

[309] De Standaard 1.4.1884.

[310] Kuyper 1884, 3.

[311] De Standaard 22.3.1884, 9.4.1884.

[312] Kuyper 1884, 6, 20-21.

[313] De Standaard 8.4.1884.

[314] Id. 5.4.1884.

[315] Id. 14.4.1884.

[316] Id. 19.4.1884.

[317] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Amsterdam 9.4.1884. Op briefpapier: Brack’s Doelen hôtel. Archief Kuyper no. 3296. Voor de tekst van het dementi: S.J. du Toit aan A. Kuyper, Amsterdam 9.4.1884. Op briefpapier: Brack’s Doelen hôtel. Archief Kuyper no. 3297.

[318] A. Kuyper aan S.J. du Toit, Brussel 11.4.1884. Archief Kuyper no. 3297a.

[319] De Standaard 27.5.1884.

[320] A. Kuyper, Welke zijn de vooruitzichten voor de studenten der Vrije Universiteit? (Amsterdam 1882) 13.

[321] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 3.1.1881. Privaat en confidentieel. Archief Kuyper no. 2185; S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 3.8.1881. Privaat. Archief Kuyper no. 2387; A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 4.9.1881. Archief Kuyper no. 2392a; S.J. du Toit aan A. Kuyper, Paarl 28.11.1881. Archief Kuyper no. 2460; S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 11.4.1882. Privaat. Archief Kuyper no. 2600; S.J. du Toit aan A. Kuyper, Pretoria 21.3.1883. Archief Kuyper no. 2493.

[322] S.J. du Toit en de Curatoren van het Paarlsch Gymnasium aan A. Kuyper, Paarl 3.1.1881. Archief Kuyper no. 2185.

[323] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Londen 28.12.1883. Op briefpapier Albemarle Hotel. Archief Kuyper no. 3197; A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 31.12.1883. Archief Kuyper no. 3198a; S. Trichard aan A. Kuyper, Olifantsrivier 17.1.1884. Archief Kuyper no. 3222a; C.J. Trichard aan A. Kuyper, Trichardsfontein 31.3.1884. Archief Kuyper no. 3288a. Trichard, die naar Nederland kwam om aan de Vrije Universiteit theologie te studeren, had uiteindelijk meer belangstelling voor een militaire opleiding; A.W.G. Weitzel aan A. Kuyper, ‘s-Gravenhage 12.8.1884. Op briefpapier: Ministerie van Oorlog. Archief Kuyper no. 3349.

[324] A. Kuyper aan S.J. du Toit, [Amsterdam] 19.[4].1884. Archief Kuyper no. 3303a.

[325] Hoger onderwijs in Zuid-Afrika, [maart 1884]. Archief Kuyper LeP3 no. 5

[326] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Amsterdam 18.3.1884. Op briefpapier: Brack’s Doelen hôtel. Archief Kuyper no. 3273; S.J. du Toit aan A. Kuyper, Amsterdam 27.3.1884. Op briefpapier: Brack’s Doelen hôtel. Archief Kuyper no. 3283.

[327] De Standaard 28.3.1884. Cf. A. Kuyper aan S.J. du Toit, [Amsterdam] 29.[3].1884. Archief Kuyper no. 3310a.

[328] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Amsterdam 27.3.1884. Op briefpapier; Brack’s Doelen hôtel. Archief Kuyper no. 3283.

[329] A. Kuyper aan de Deputatie der Zuid-Afrikaansche Republiek, Amsterdam 29.3.1884. Archief Kuyper no. 3283.

[330] Ib. Voor het NZAV-initiatief inzake het Studiefonds: Oproep bestuur NZAV ‘Aan onze landgenooten’, Amsterdam 26.3.1884. Collectie Studiefonds (56); De Standaard 28.3.1884; Pont. Voor Hartings oordeel: P. Harting aan N.A. Calisch, Amersfoort 27.3.1884. Collectie Studiefonds (56); Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad 11.3.1884, 30.3.1884. Binnen de NZAV leefden overigens ook andere opvattingen over de neutraliteit van het studiefonds: Jac. Wertheim aan D. Cordes, N.A. Calisch en W. Heineken, Amsterdam 6.5.1884. Collectie Studiefonds (56). Voor Kuypers aanvankelijk toegezegde steun aan het Studiefonds: S.J. du Toit aan A. Kuyper, [Amsterdam] 28.3.1884. Confidentieel. Archief Kuyper no. 3285.

[331] A. Kuyper aan G.J. Th. Beelaerts van Blokland, Amsterdam 27.3.1884. Archief Kuyper no. 3281.

[332] G.J.Th. Beelaerts van Blokland aan A. Kuyper, [‘s-Gravenhage] 28.3.1884. Op briefpapier: Tweede Kamer. Archief Kuyper no. 3284; G.J.Th. Beelaerts van Blokland aan A. Kuyper, [‘s-Gravenhage] 31.3.1884. Archief Kuyper no. 3288.

[333] De Standaard 7.4.1884.

[334] A. Kuyper aan S.J. du Toit, Amsterdam 29.3.1884. Archief Kuyper no. 3310a.

[335] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Amsterdam 29.3.1884. Archief Kuyper no. 3287.

[336] S.J. du Toit aan A. Kuyper, Londen 18.6.1884. Op briefpapier: Albemarle Hotel. Archief Kuyper no. 3339.

[337] De Standaard 18.6.1884.

[338] Id. 8.7.1884

[339] Kuyper 1884, 22-23.

[340] Niet alle antirevolutionairen deelden Kuypers schroom. Onder meer T.A.J. van Asch van Wijck, A.F. de Savornin Lohman en G.J.Th. Beelaerts van Blokland ondertekenden de oproep om op de spoorweglening in te schrijven; De Standaard 18.6.1884.

[341] Voor de achtergronden van de mislukking: Van Winter 1937-1938 I, 75-80.

[342] De Standaard 5.7.1884, 8.7.1884, 16.7.1884, 21.7.1884.