“Kuyper was van oudsher Duitsgezind”. Dat is de traditionele opvatting over Abraham Kuypers buitenlandspolitieke gezindheid die in deze dissertatie wordt ontmaskerd als een historische mythe.
Kuyper was van jongsaf op Engeland georiënteerd: daar had hij in Edmund Burke zijn ideologisch voorbeeld, daar vond hij onder de dissenters zijn buitenlandse geestverwanten, daar bracht hij bij voorkeur zijn vakanties door. Onder invloed van de Zuid-Afrikaanse kwestie, de pogingen van Engeland de Boeren in Transvaal en Oranje Vrijstaat te onderwerpen, kwam het evenwel tot een verwijdering en uiteindelijk, in 1902, tot een politieke breuk tussen Engeland en Kuyper. Kuypers bezoek aan Londen in januari 1902 in het kader van een poging te bemiddelen in het gewapende conflict in Zuid-Afrika was zijn laatste aan Engeland.
Kuyper zag de Zuid-Afrikaanse Boeren als geestverwanten. Hij beschouwde hen als loten van de Nederlandse stam, herkende in hen dragers van het ware, antirevolutionaire en calvinistische, Nederlandse nationale karakter. Het was een herkenning die voortkwam uit pessimisme. Kuyper twijfelde aan de toekomst van Nederland in Europa. Hij vreesde dat Nederland gedoemd was te verdwijnen en meende dat Europa over het hoogtepunt van zijn macht heen was. Die ondergangsstemming maakte hem gevoelig voor speculaties over het naderend einde der tijden, maar deed hem ook zoeken naar mogelijkheden om het Nederlandse nationale leven elders voort te zetten. Het verklaart zijn verbittering over het optreden van Engeland, dat zich al zo vaak had vergrepen aan de Nederlandse belangen, tegen de Boerenrepublieken. Het leidde er toe dat hij zich na zijn breuk met het “perfide Albion” voorzichtig ging oriënteren op Duitsland, dat zich omstreeks de eeuwwisseling begon te ontwikkelen tot de tegenvoeter bij uitstek van Engeland en door Kuyper bovendien werd beschouwd als het laatste Europese bolwerk tegen de oprukkende hordes uit Azië.