‘Dit is gewoon een waanzinnig gaaf land.’ Zo trapte Mark Rutte in februari 2015 de VVD-campagne voor de Statenverkiezingen af.[1]De Volkskrant 28 februari 2015 Ik vind het woord ‘gaaf’ niet zo tof, maar ongelijk heeft Rutte niet. Ik realiseer me maar al te goed dat ‘de goede oude tijd’ niet bestaat. De wereld staat er op alle fronten beter voor dan ooit en er is op de wereld vrijwel geen betere plek om te leven dan ons land. We worden gezonder, rijker, leven meer in vrede, en zijn zelfs steeds gelukkiger dan ooit. En dat is niet alleen zo in het rijke Westen, maar overal ter wereld. En wie daar aan twijfelt: lees de boeken van de Zweedse arts Hans Rosling, een van de grondleggers van Artsen zonder Grenzen enin 2009 door Foreign Policy Magazine uitgeroepen tot een van de honderd vooraanstaande denkers van de wereld, de Zweedse historicus Johan Norberg, verbonden aan het Cato Institute, een libertarische Amerikaanse denktank, en Steven Pinker, hoogleraar cognitieve psychologie aan Harvard.[2]Hans Rosling, Factfulness. Ten Reasons We’re Wrong About The World – And Why Things Are Better Than You Think, New York 2018; Johan Norberg, Progress. Ten Reasons to Look Forward to the … Lees meer Of volg de berichten op worldsbestnews.org, een initiatief van onder meer de Tilburgse journalist en filosoof Ralf Bodelier, die wil inspireren met nieuws over vooruitgang in de wereld. Tegelijkertijd is voor Bodelier de geschiedenis geen vanzelfsprekende eenrichtingsweg naar het paradijs. Want: ‘onze morele vooruitgang is niet gegarandeerd. Telkens weer is zij het resultaat van verlichte idealen en verlichte praktijken. Van vrijheid en onderwijs, van debat en politieke strijd. Het is een strijd die we ook kunnen verliezen.’ [3]Ralf Bodelier, ‘De huidige wereld is donker en wreed; toch boeken we morele vooruitgang’, de Volkskrant 13 mei 2022. Ook hij ziet dat we – de mensheid, onze samenleving – voor grote uitdagingen staan: ‘We hebben alle reden om optimistisch te zijn over het verleden, maar we kunnen niks zeggen over morgen. We zullen ons moeten blijven inspannen om de wereld beter te maken.’[4]VPRO-gids 16 januari 2018.
Over die uitdagingen schreef de Duitse historicus Philipp Blom in 2017 zijn waarschuwend en agenderend pamflet Wat op het spel staat. Blom, schrijver van succesvolle monografieën over de Verlichting en over de cultuurgeschiedenis van de eerste decennia van de twintigste eeuw, formuleerde twee grote uitdagingen: de klimaatcrisis met haar verstrekkende gevolgen voor biodiversiteit, volksgezondheid, voedselproductie en uiteindelijk de bewoonbaarheid van onze aarde, en de digitalisering van de arbeid, door de snelle ontwikkeling van kunstmatige intelligentie sindsdien alleen maar actueler geworden, die kan leiden tot massawerkloosheid en een algeheel verlies van zin en betekenisgeving.[5]Philipp Blom, Wat op het spel staat, Amsterdam 2017. Weliswaar kan met recht worden vastgesteld dat we de door Blom gesignaleerde problemen met onze technologie kunnen oplossen en dat we op mondiaal niveau alleen problemen hebben met de uitvoering en onenigheid over wie wat moet betalen,[6]Bijv. Parag Khanna in De Volkskrant 27 januari 2018. Cf. Charles C. Mann, The Wizard and the Prophet. Two Remarkable Scientists and Their Dueling Visions to Shape Tomorrow’s World, New York 2018. maar Blom heeft redenen om niet heel optimistisch te zijn over de weg waarlangs die oplossingen kunnen worden bereikt. Met name vraagt hij zich af of ons democratisch bestel de uitdagingen ongeschonden het hoofd kan bieden. Blom en al eerder Wim van de Donk, toen nog commissaris van koning in Noord-Brabant, zetten in dat verband vraagtekens bij het new public management dat de afgelopen decennia richting heeft gegeven aan het denken over de inrichting van het overheidsapparaat.[7]Wim van de Donk, De centralisatie in openbaar besturen. Over dunne denkramen en ambivalente ambities, 11e ROB-lezing, 12 november 2014. In een bedrijfsmatig streven naar efficiency werd gekoerst op ‘een openbaar bestuur waarin effectiviteit, efficiëntie en rendement centrale waarden werden. Wat begon als metafoor, werd een mal voor de werkelijkheid: de BV Nederland.’[8]Marcia Luyten, ‘De BV Nederland begon als metafoor, maar is inmiddels de harde werkelijkheid’, de Volkskrant 6 juli 2021. De overheid kwam daarbij op steeds grotere afstand van de burgers te staan. Overheden bouwden kennisposities af en definieerden zich in toenemende mate als procesorganisaties. Publieke diensten trokken zich terug achter 0800-nummers en chatbots. Gemeenten werden samengevoegd: telde Nederland in 1981 nog 803 gemeenten, in 2023 was dat aantal teruggebracht tot 342. In hetzelfde proces van op bezuiniging gerichte schaalvergroting en efficiencyverbetering werd het aantal rechtbanken en gerechtshoven teruggebracht, werden belastingkantoren, politieposten, ziekenhuizen, bibliotheken en scholen gesloten, werd de regie over onderwijs en onderwijskwaliteit in handen gegeven van de managers van bovenschoolse onderwijskoepels, werden postbezorging, telecommunicatie, energievoorziening en openbaar vervoer naar de markt gebracht, verdwenen vervolgens postkantoren en werden bus- en treinverbindingen opgeheven. Met als gevolg een groeiende kloof tussen burger en overheid en tussen stad en platteland. Met name op het platteland groeide de afstand tot de voorzieningen. Den Haag verdween uit Nederland.[9]Cf. Coen van de Ven, ‘Hoe Den Haag uit Nederland verdween. De afname van de regionale voorzieningen’, De Groene Amsterdammer 14 oktober 2021; Josse de Voogd en René Cuperus, Atlas van afgehaakt … Lees meer Tussen gemeenten en Rijk ontstond, haast in concurrentie met de provincies, een ‘incongruente lappendeken’ van regionale samenwerkingsverbanden: 31 zorgkantoorregio’s, 25 veiligheidsregio’s, 19 woningmarktregio’s, 35 arbeidsmarktregio’s, enz. Van democratische sturing en controle is binnen dat soort verbanden nauwelijks sprake. Peter van Lieshout, hoogleraar theorie van de zorg aan de Universiteit Utrecht en voormalig lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, constateerde het in de Volkskrant: ‘de afgelopen dertig jaar is ongeveer alles wat in het leven van mensen van belang is, georganiseerd boven het niveau van gemeenten. […] Wat voor invloed heb jij op het onderwijs of de zorg in jouw stad? Die heb je niet. Er kunnen rustig 21 gemeenten samenwerken op zo’n terrein. Als er dan besluiten worden genomen, is het niet meer mogelijk voor een raadslid om te zeggen: ik denk er toch anders over.’ Van Lieshout verbaasde zich dan ook niet over de lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022.[10]Interview met Peter van Lieshout en Geert Jan Hamilton in de Volkskrant 1 april 2022.
Democratie veronderstelt burgerschap. Burgerschap impliceert participatie. Maar voor overheden die zichzelf definiëren als het bestuur van een besloten vennootschap en louter sturen op financiële efficiency zijn burgers klanten. Burgers die als klant worden benaderd, worden niet medeverantwoordelijkheid gemaakt voor hun bestuur en zullen die medeverantwoordelijkheid dan ook niet voelen. Een burger die consumeert participeert niet. Hij wil bediend worden en geleverd krijgen. In de woorden van journalist Jan Roos, bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2016 lijsttrekker voor de PVV-afsplitsing VoorNederland: ‘De overheid is bij ons in dienst om ons het leven makkelijker te maken.’[11]De Volkskrant 18 oktober 2018. Het maakt het heel ingewikkeld om draagvlak voor moeilijke besluiten te creëren.[12]Cf. Tom Nichols, Our Own Worst Enemy: The Assault from within on Modern Democracy, New York 2021. En het wordt er niet makkelijker op omdat de uitdagingen van Blom hier in Europa een verdeelde samenleving treffen, sterker: de scheidslijnen in de samenleving scherper lijken te maken.

Een verdeelde samenleving

In de politiek wordt het discours over taak en rol van de overheid en de reikwijdte van beleid sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw gestuurd door het neoliberale vertoog over de zegeningen van de onzichtbare hand, de trickle-down economics en de marktwerking. Friedrich Hayek was in de jaren veertig van de twintigste eeuw de grondlegger van de neoliberale economische theorie.[13]Friedrich Hayek, The Road to Serfdom, Londen en New York 1944. Maar pas toen de keynesiaanse economie geen antwoord bleek te kunnen geven op de crisis van de jaren zeventig en het neoliberalisme zich wist te verbinden met de ideologie van de individuele autonomie zoals die zich in de jaren zestig had ontwikkeld, kregen zijn opvattingen, nu uitgedragen door de Chicago School of Economics onder leiding van Milton Friedman, de wind in de zeilen, allereerst in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.[14]Quinn Slobodian, Globalists. The End of Empire and the Birth of Neoliberalism, Boston 2018; Angus Burgin, The Great Persuasion. Reinventing free markets since the Depression, Boston 2015. In de jaren tachtig schudde ook de sociaaldemocratie haar ideologische veren af. 1989, de val van de muur in Berlijn en de ondergang van de communistische regimes in Midden-Europa, werd gevierd als ‘the end of history’ omdat het ‘the end of ideology’ zou zijn.[15]Francis Fukuyama, The End of History and the Last Man, New York 1992. Onder de kabinetten-Lubbers en Kok en aangejaagd door de econoom Frans Rutten, van 1973 tot 1990 hoogste ambtenaar op het ministerie van Economische Zaken, drukte het neoliberalisme ook zijn stempel op het Nederlandse beleid: de sociale uitgaven daalden van 25 naar 20% van het bruto nationaal product, nutsbedrijven werden in hoog tempo geprivatiseerd, arbeidsmarkt en financiële markten verregaand geliberaliseerd. In twintig jaar tijd verdubbelde het aandeel van de beroepsbevolking met tijdelijke contracten: van 6% in 1983 naar 14% in 2002.[16]Merijn Oudenampsen en Bram Mellink, ‘De zichtbare hand: een historisch-socialogische benadering van neoliberalisme in Nederland’, Sociologie XV/3 (2019), blz. 241-251; Rosa Kösters, Bram … Lees meer En weer eens twintig jaar later had nog maar 56% van de werkenden (5,3 miljoen werknemers) een vast contract, 28% (2,7 miljoen werknemers) had een flexibele aanstelling, waarvan eenderde als oproep- of invalkracht. De resterende 16% (1,1 miljoen werkenden) werkte als zelfstandige.[17]CBS, ‘Arbeidsmarkt nog krapper in het eerste kwartaal’, 17 mei 2022. In het economisch beleid werd het adagium van Shell-topman Gerrit Wagner leidend: ‘Don’t back the losers, but pick the winners.’ In de praktijk betekende het dat het beleid zich richtte op versterking van de grote steden in de Randstad en dat er steeds minder aandacht was voor economische ontwikkeling in de uithoeken van het land, zoals Noordoost-Groningen, Drenthe, Zeeland en Zuid-Limburg. [18]Floor Milikowski, ‘De platte polder is niet zo plat meer’, De Groene Amsterdammer 3 juni 2020. Het geloof in de maakbaarheid van de samenleving maakte plaats voor het geloof in de maakbaarheid van de mens, dat ieder succes ziet als eigen verdienste en tegenslag definieert als een teken van persoonlijk en verwijtbaar falen. Personal branding, jezelf neerzetten als een uniek merk, waarbij marketing en verpakking belangrijker is dan kennis en kunde, werd een vanzelfsprekendheid: ‘You’re every bit as much a brand as Nike, Coke, Pepsi, or the Body Shop.’[19]Tom Peters, ‘The Brand Called You’, Fast Company 31 augustus 1997. Het is de wereld van de elevator pitch, de ‘me-economy’, de influencers. Het neoliberalisme werd geschraagd door de Franse differentiefilosofie van Jacques Derrida en co en de in Amerika ontwikkelde identity politics die het ‘wij’-gevoel dat decennia van politieke, sociale en culturele strijd had geschraagd, ontmaskerden als een leugen of, in het beste geval, een problematische, volgens sommigen zelfs totalitaire constructie.[20]Geert Buelens, De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis (Amsterdam 2018), blz. 310.
Terugtredende overheid, eigen verantwoordelijkheid, privatisering, schaalvergroting, flexibilisering van de arbeidsmarkt, liberalisering van de kapitaalmarkt, globalisering – ze hebben, geen twijfel mogelijk, de economie gedynamiseerd, een einde gemaakt aan de stagflatie die de westerse samenlevingen in de jaren ’70 leek te verlammen, burgers en vooral overheden in staat gesteld een voorschot te nemen op welvaartsgroei en zo lucht en leven in de economie geblazen. Maar economie is geen exacte wetenschap. Economische wetten bestaan niet, althans niet zoals we ze uit de natuurkunde kennen. Economische wetmatigheden zijn tijd- en plaatsgebonden. De theorieën van de Franse fysiocraten werkten in de context van de Franse achttiende-eeuwse economie, die van de klassieke economen in het Verenigd Koninkrijk van de negentiende eeuw. Keynes was een antwoord op de Grote Depressie van de jaren ’30 van de twintigste eeuw en leverde de economische onderbouwing voor de nationale welvaartsstaten zoals die in West-Europa vorm kregen na de Tweede Wereldoorlog.[21]W. Stark, The History of Economics in its relation to social development. Londen 1952. Cf. Eelke de Jong (ed.), Economic Ideas, Policy and National Culture, Londen 2021. De neoliberale economische theorie, die bepalend is voor de manier waarop nu beleid wordt gevoerd, was een antwoord op de beginnende globalisering waarin nationaal economisch beleid zijn effectiviteit verloor. Ze heeft ons de weg gewezen uit de economische crisis van de jaren ’70, maar ze is tegelijkertijd in belangrijke mate oorzaak van de huidige economische problematiek. Ze legitimeerde een beleid dat het gemenebest dienstbaar maakt aan private belangen en de samenleving uiteindelijk in steeds hogere mate aan zichzelf overlaat: ‘the tragedy of the commons’. Organisaties in voor de burger relevante domeinen als onderwijs, zorg en huisvesting fuseerden, werden het domein van ‘professionele’ bestuurders en toezichthouders en onttrokken zich zo stapsgewijs aan hun lokale worteling. Het ideaal van de welvaartsstaat maakte plaats voor dat van de participatiemaatschappij dat van de burger een mate van autonomie en zelfredzaamheid vroeg die het vermogen van velen te boven gaat en hem in ieder geval op zichzelf terugwierp en zijn afstand tot de instituties vergrootte. Het gaf ruim baan aan het van elk schaamtegevoel bevrijde egoïsme van Marten Toonders Bovenbazen, met, inmiddels, de banken, Big Pharma en Big Tech in de rol van de negentiende-eeuwse Amerikaanse ‘robber capitalists’. Zij weten optimaal te profiteren van de wetten van de nieuwe digitale economie die geen boodschap heeft aan nationale grenzen en nationale overheden en de vorming van mondiale monopolies lijkt te faciliteren. In de woorden van Gordon Gekko in de film Wall Street: ‘Greed is good.’
Op individueel niveau leidt het tot ongeduld en ongedurigheid: mensen claimen wat columniste Elma Drayer ‘het recht op een rimpelloos bestaan’ noemt.[22]De Volkskrant 30 augustus 2018. De Canadese rapper Drake muntte eind 2011 het motto voor een nieuwe generatie: ‘yolo’, you only live once. We willen iedere dag wat beleven en bij voorkeur iedere dag wat nieuws, we zien het leven als iets dat geleefd moet worden, zonder ruimte voor pech, pijn, spanning en tegenslag, en stellen onszelf ten toon op de sociale media. We ervaren de wereld waarin we leven als een Hobbesiaanse ‘oorlog van allen tegen allen’, een kille samenleving die zich kenmerkt door concurrentie en ongelijkheid. Sommigen gaan in verzet, maar velen kiezen voor een individualisme aan dat geen verantwoordelijkheid wil nemen voor het collectief. Zie de motieven van veel jongeren om af te zien van een vaccinatie tegen het corona-virus. Zie de ontkenning door gebruikers van xtc en cocaïne van een verband tussen hun gebruik en de georganiseerde misdaad. Zie de afwijzende reacties van tal van pakketbezorgers en taxichauffeurs op rechterlijke uitspraken dat zij hun schijnzelfstandigheid op moeten geven om in dienst te treden bij PostNL en Über. Zie de reactie van een lezeres van de Volkskrant op de verbazing van columniste Sheila Sitalsing dat de toeslagenaffaire geen effect leek te hebben op het kiezersgedrag in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van maart 2021 – zij deelde die verbazing niet, want zij en haar partner verdienden elk een goed salaris, betaalden braaf hun ‘inkomsten-, vermogens- en gemeentelijke belastingen’, en hadden ‘nooit toeslagen ontvangen en geen gebruikgemaakt van overheidsinstanties zoals Jeugdzorg’. Zoals veel mensen waren zij ‘over het algemeen best tevreden over onze overheid’.[23]De Volkskrant 6 februari 2021. In Trouw kwalificeerde Jamal Ouariachi de brief als ‘[e]en indringende schets van een volk verdoofd door welvaart. De Gewone Nederlander (let wel: de vermogensbelasting betalende ‘Gewone’ Nederlander) trekt rond haar geluk een muurtje op dat de rotte plekken in het landschap aan het oog onttrekt.’[24]Trouw 13 februari 2021. Het getuigt allemaal van geloof in het evangelie van Margaret Thatcher: ‘there is no such thing as society.’[25]Margaret Thatcher in een interview met Women’s Own, 1987. Karl Marx zou niet aarzelen en het als uitingen van ‘vals bewustzijn’ diagnosticeren. Voor Bas Heijne is het een manifestatie van verslaving aan ‘de verleidelijke kanten van het late kapitalisme’, aan de zalige roes van het consumentisme, het verlangen naar luxe en grenzeloze uitspattingen, de opwinding van het exces’: ‘je weet dat het niet goed is voor de wereld en ook niet voor jezelf, maak kom er maar eens vanaf.’[26]Bas Heijne, ‘Leeg gepreek’, NRC Handelsblad 15 oktober 2021.
Toen in 2008 de financiële crisis uitbrak, bleek de economische groei die het neoliberale bewind geacht werd ons te hebben gebracht buitengewoon fragiel, want in te sterke mate gebaseerd op krediet (dat vaak te gemakkelijk was verstrekt) en vergroting van de arbeidsparticipatie (die onder druk kwam door de snel oplopende werkloosheid). Een studie van De Nederlandsche Bank constateerde al in 2016 dat de burger van die groei nauwelijks heeft geprofiteerd. De arbeidsinkomensquote was toen al spectaculair gedaald: van 81,4% in 1994 naar zo’n 74% in 2015. Sindsdien daalde hij verder, naar inmiddels 69% in 2023. Een steeds groter deel van de nationale koek komt terecht bij bedrijven. Bedrijven maken meer winst, maar, gedreven door de korte-termijn oriëntatie van de kapitaalmarkt, investeren ze die veel minder dan in het verleden in vergroting van productiecapaciteit en daarmee werkgelegenheid. In plaats daarvan nemen ze concurrenten over, kopen ze aandelen terug en laten ze de topinkomens stijgen, terwijl ze voor de onderkant loonmatiging en flexibilisering prediken. Sinds 1997 is de koopkracht in Nederland dan ook vrijwel niet toegenomen. En voor zover die toeneemt profiteren alleen de meest vermogenden: sinds 2019 daalde de koopkracht van de 80% minst vermogende Nederlanders – die van de 10% meest vermogende Nederlanders nam met 16% toe.[27]DNBulletin 28 april 2016; ‘Aandeel arbeid in de economie verder gedaald in 2023’. CBS, 24 juni 2024; Vera Vrijmoeth en Jacob-Jan Koopmans, ‘Winstflatie zorgde voor herverdeling van arm naar … Lees meer Intussen roomt de overheid nog eens een steeds groter deel van de inkomens af via stijgende zorgkosten en inmiddels een verdubbeling van de pensioenpremies, in ruil waarvoor langer gewerkt moet worden. De belastingdruk verschuift van het bedrijfsleven naar de individuele burger. Ondanks de forse stijging van de bedrijfswinsten als percentage van het bbp, van 20% in 1990 naar 25% in 2012, halveerden de inkomsten van de schatkist uit de vennootschapsbelasting, van 4 naar 2% van het bbp. Bij de loon- en inkomstenbelasting gebeurde het omgekeerde: terwijl het aandeel van de lonen en salarissen in het bbp daalde, van 45 naar 40%, steeg het aandeel van de loon- en inkomstenbelasting in het bbp van nog geen 6 naar bijna 8%. In 2013 financierden huishoudens per saldo 83% van alle overheidsuitgaven en bedrijven 13%. In 2001 was nog 70 respectievelijk 23%.[28]De Volkskrant 28 september 2018. Het gevolg is een scherpe stijging van het aantal werkende armen. In 2001 waren het er 210.000, in 2014 320.000. Oververtegenwoordigd zijn zelfstandigen, alleenstaanden en mensen met een migratieachtergrond.[29]Cok Vroman, Edith Josten, Stella Hoff, Lisa Putman en Jean-Marie Wildeboer Schut, Als werk weinig opbrengt. Werkende armen in vijf Europese landen en twintig Nederlandse gemeenten, SCP, Den Haag 2018.
Het wijst in de richting van een samenleving waarin de verschillen steeds groter worden en de sociale mobiliteit afneemt. Er is de afgelopen jaren internationaal veel over gepubliceerd. Joseph E. Stiglitz, Thomas Piketty, Robert D. Putnam en Robert J. Gordon schetsen in toonaangevende studies een groeiende kloof tussen arm en rijk, tussen hoog- en laagopgeleid, stellen daarvoor het neoliberale kapitalistische systeem verantwoordelijk en laten zien hoe die groeiende kloof leidt tot vertraging van de economische groei en onze democratische verworvenheden aantast.[30]Joseph E. Stiglitz, The Price of Inequality. How Today’s Divided Society Endangers our Future, New York en Londen 2012; Thomas Piketty, Le capital au XXIe siècle, Parijs 2013; Robert D. Putnam, … Lees meer Een reeks van recente rapporten bevestigt het beeld. McKinsey Global Institute liet in een rapport dat in juli 2016 werd gepubliceerd zien dat in 25 westerse landen, waaronder Nederland, in de periode 2005-2014 het reële inkomen voor 65-70% van de huishoudens is gedaald. Het bureau spreekt van een trendbreuk, niet alleen veroorzaakt door de kredietcrisis, maar vooral door de vergrijzing en de flexibilisering op de arbeidsmarkt. Doordat voor een meerderheid van de huishoudens de koopkracht daalt, daalt ook de consumptieve vraag en wordt er een groter beroep gedaan op sociale voorzieningen. Zo ontstaat een negatieve spiraal met grote gevolgen voor de wereldeconomie.[31]Richard Dobbs e.a., Poorer than their Parents? Flat or Falling Incomes in Advanced Societies, Brussel / San Francisco / Sjanghai 2016. Zie voor de Nederlandse situatie ook rapporten van Sociaal en … Lees meer Het eerste World Inequality Report [32]Facundo Alvaredo, Lucas Chancel, Thomas Piketty, Emmanuel Suez, Gabriel Zucman, World Inequality Report 2018, z.p. 2017 en het Oxfam-rapport Reward Work, Not Wealth [33]Diego Alejo Vázquez Pimentel, Iñigo Macias Aymar en Max Lawson, Reward Work, Not Wealth. To end the inequality crisis, we must build an economy for ordinary working people, not the rich and … Lees meer sluiten erop aan. Weliswaar neemt de extreme armoede in de wereld af, de ongelijkheid neemt toe. Mondiaal is van de sinds 1980 gerealiseerde welvaartsgroei 27% terechtgekomen bij de 1% rijksten ter wereld, 13% bij de 0,1% rijksten en 4% bij de 0,001 rijksten. In 2016 kwam 82% van de mondiale welvaartsgroei ten goede aan de rijkste 1% van de wereldbevolking, terwijl er voor de armste 50% geen vooruitgang was. In de landen die lid zijn van de OESO verdient volgens in juni 2018 gepubliceerde cijfers 10% van de rijkste huishoudens 24% van het inkomen, diezelfde huishoudens bezitten 52% van de vermogens.[34]A Broken Social Elevator? How to Promote Social Mobility, Parijs 2018. In Nederland zijn de verhoudingen nog schever. Simon Toussaint, Bas van Bavel, Wiemer Salverda en Coen Teulings constateerden in een in juli 2020 gepubliceerd onderzoek dat in Nederland de rijkste 1% een derde in handen heeft van het totaal aan private vermogens. De top 0,1%, 7750 huishoudens, is alleen al goed voor maar liefst een zesde.[35]Simon Toussaint, Bas van Bavel, Wiemer Salverda en Coen Teulings, ‘Nederlandse vermogen schever verdeeld dat gedacht’. ESB 1 juli 2020. Alleen in de Verenigde Staten is daarmee de vermogensongelijkheid nog groter dan in Nederland. En het lijkt erop dat inkomensongelijkheid en vermogensongelijk elkaar stimuleren. Thomas Piketty liet al in 2013 zien hoe vermogensongelijkheid leidt tot inkomensongelijkheid.[36]Piketty 2013. Drie Amerikaanse economen, Atif Mian (Princeton), Ludwig Straub (Harvard) en Amir Sufi (Chicago), wijzen in een in 2021 gepubliceerde studie de sterk gegroeide inkomensongelijkheid aan als oorzaak van de ongekend lage rente, die op zijn beurt de prijs opdrijft van alles van waarde en zo weer de vermogensongelijkheid aanjaagt.[37]Atif Mian, Ludwig Straub en Amir Sufi, What explains the decline in R*. Rising income inequality versus demographic shifts, 2021.

Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom van het Centraal Bureau voor de Statistiek, spande zich in om de veronderstelde groei van de ongelijkheid te ontmaskeren als een mythe: ‘Of je nu naar inkomen of vermogens kijkt, niets wijst erop dat de rijken rijker en de armen armer zijn geworden.’[38]Peter Hein van Mulligen, Met ons gaat het nog altijd goed: 8 sombere mythes over Nederland ontrafeld. Amsterdam 2020. In een artikel op de website van het CBS[39]Peter Hein van Mulligen, Economische groei en het inkomen van Nederlanders, CBS 2021. richtte hij zijn pijlen met name op Fantoomgroei, het boek van Sander Heijne en Hendrik Noten, waarin, op basis van een analyse van de Rabobank uit 2018,[40]Martijn Badir, Besteedbaar inkomen van huishoudens staat al bijna veertig jaar vrijwel stil, Rabobank 5 februari 2018. wordt betoogd dat het reëel besteedbaar inkomen van Nederlandse huishoudens sinds 1977 nauwelijks is toegenomen.[41]Sander Heijne en Hendrik Noten, Fantoomgroei. Waarom we steeds harder werken voor steeds minder, Amsterdam 2020. Volgens Van Mulligen is er geen sprake van stagnatie. Integendeel, het reële beschikbaar inkomen van huishoudens is de afgelopen vijftig jaar meer dan verdubbeld. Helemaal ongelijk heeft Van Mulligen niet. De inkomensstagnatie dateert, moesten ook de Rabo-economen toegeven,[42]Menno Middeldorp, Hugo Erken en Carlijn Prins, Beschikbaar inkomen: is het glas half vol of half leeg? Rabobank 15 april 2021. niet van 1977. Tegelijkertijd relativeerden zij de conclusies van Van Mulligen. Van Mulligen baseerde die op de ontwikkeling van het reële beschikbaar huishoudinkomen per hoofd van de bevolking. Uitgedrukt per werkende is het beschikbaar inkomen niet verdubbeld, maar met ‘slechts’ 60 procent toegenomen en voor huishoudens ligt deze stijging nog lager: 40 procent. Van Mulligens positieve conclusies worden dus in belangrijke mate verklaard door de toegenomen arbeidsparticipatie en de sterke groei van het aantal eenpersoonshuishoudens. Bovendien laten ook de cijfers van Van Mulligen zien dat tussen 2001 en 2008 en opnieuw na 2013 de huishoudinkomens wél achterblijven bij de economische groei. Zelfs Koen Caminada, hoogleraar Empirische analyse van sociale en fiscale regelgeving in Leiden, en met het CBS verantwoordelijk voor een studie die op basis van een geüniformeerde cijferreeks laat zien dat de koopkracht sinds eind jaren zeventig met bijna 60% is gestegen, de belastingdruk is gedaald en de inkomensongelijkheid sinds 1990 stabiel is,[43]Koen Caminada, Egbert Jongen, Wim Bos, Marion van den Brakel, Ferdy Otten, Inkomens verdeeld, trends 1977-2019, Heerlen en Leiden 2021. geeft toe: de jaren na 2001 kenmerken zich door een geringere koopkrachtontwikkeling, in de primaire inkomens is spake van toenemende ongelijkheid, de overheid moet steeds meer geld herverdelen om de verhoudingen recht te trekken, de verschillen tussen uitkeringstrekkers en werkenden zijn groter geworden en gemiddeld groeit 1 op de 13 kinderen op in armoede.[44]NRC Handelsblad 14 oktober 2021 En vrijwel niemand gaat mee in de poging van Van Mulligen om de groeiende vermogensongelijkheid weg te redeneren met een verwijzing naar de pensioenpotten: pensioenvermogen kan niet worden overgedragen en kan dus niet als particulier vermogen worden beschouwd. In NRC Handelsblad concludeerde Marike Stellinga dan ook: ‘Nederland mag nog in allerlei opzichten een gelijk land zijn, en veel alarmerende statistieken over ongelijkheid verdienen het om te worden genuanceerd. Toch is er alle reden om buitengewoon ongerust te zijn. […] in Nederland worden we slechter in het optillen van degenen die beginnen met een achterstand. Het maakt weer meer uit in welk gezin je wordt geboren. Wie kansrijk is krijgt automatisch nog wat opkontjes. Wie kansarm is, krijgt wat extra hindernissen toegeworpen. Als je wint, zit de wind vaker mee, als je verliest vaker tegen. Zo blijven dubbeltjes vaker dubbeltjes en worden kwartjes makkelijker guldens. Dus ja, als we niet oppassen, groeit er van alles verder scheef.’[45]NRC Handelsblad 26 juni 2021; cf. NRC Handelsblad 29 oktober 2021. Projecten als de Kansenatlas en de Kansenkaart brengen inmiddels die ongelijkheid scherp in beeld.[46]De Kansenatlas werd in maart 2021 door SEO Economisch Onderzoek gepubliceerd. De Kansenkaart, naar het voorbeeld van de Amerikaanse Opportunity Atlas, werd ontwikkeld door Helen Lam, Matthijs Jansen, … Lees meer

De Utrechtse historicus Bas van Bavel zette de ontwikkelingen in een heel brede context. In een in 2016 gepubliceerde vergelijkende studie liet hij zien dat de markteconomie in de geschiedenis van de mensheid een uitzondering is. Onvrijheid en ongelijkheid zijn in die geschiedenis de norm. Markteconomieën ontwikkelen zich in een machtsvacuüm, in samenlevingen waarin de macht niet langer in handen is van enkelingen – een vorst, de adel – en zo ruimte ontstaat voor vormen van zelforganisatie. Markten waar de drie elementaire ingrediënten van onze welvaart – menselijke arbeid, de grond waarop en waarvan wij leven, kapitaal – tegen betaling worden verhandeld, zijn zo’n vorm van zelforganisatie. Ze belonen initiatief en ondernemerschap, stimuleren arbeidsdeling en technologische vooruitgang en zorgen zo voor groei. Maar markten zorgen tegelijkertijd voor groeiende ongelijkheid in vermogens. En op enig moment vertaalt die zich concentrerende rijkdom zich in politieke macht die wordt gebruikt om de regels van markt te herschrijven. De nieuwe elites kapen de markt. Dat gaat, zo laat Van Bavel zien, ten koste van de bredere welvaart en leidt uiteindelijk tot stagnatie.[47]Bas van Bavel, The Invisible Hand?: How Market Economies have Emerged and Declined Since AD 500, Oxford 2016.

En wie het wil zien herkent het, ook in ons land. Veel recente beleidsmaatregelen hebben het onderwijs, decennialang motor voor maatschappelijke emancipatie, gemaakt tot een factor die de ongelijkheid bestendigt.[48]Emina van den Berg e.a., Schoolkosten voor 16- en 17-jarige mbo’ers. Onderzoek naar de gevolgen van veranderde tegemoetkoming in de schoolkosten, Utrecht 2016; Anja van den Broek e.a., Monitor … Lees meer Sociale zekerheid – uitkeringen, beschutting, steun van de staat – worden steeds minder gezien als een basisrecht, maar als iets dat moet worden verdiend – het gaat ten koste van mensen die blijvende steun en aandacht nodig hebben.[49]Klarita Sadiraj, Stella Hoff, Maroesjka Versantvoort, Van sociale werkvoorziening naar Participatiewet. Hoe is het de mensen op de Wsw-wachtlijst vergaan? SCP, Den Haag 2018; Evelien Tonkens en Jan … Lees meer Verhoging van griffierechten en afbraak van de sociale advocatuur hebben de toegang tot het recht voor de modale burger verregaand ingeperkt. Een belastinghervorming die wordt gepresenteerd als een vereenvoudiging is, aldus de econoom Heleen Mees, simpelweg een belastingverlaging voor de hogere inkomens (het toptarief gaat omlaag) en een belastingverhoging voor de lagere inkomens (het tarief in de eerste schijf gaat omhoog).[50]De Volkskrant 4 september 2018. In een gezamenlijke studie lieten Centraal Planbureau en Sociaal en Cultureel Planbureau in juni 2020 zien hoe het staande beleid ertoe leidt dat het aantal mensen dat in armoede leeft tot 2035 met ruim een kwart groeit, tot 6,8 procent van de bevolking.[51]Martin Olsthoorn, Patrick Koot en Stella Hoff, Kansrijk armoedebeleid, Den Haag 2020. Grote ondernemingen lijken in staat politieke besluitvorming af te dwingen waarvoor in de samenleving geen draagvlak bestaat. Dat geldt voor de belastingwetgeving, maar het geldt ook voor het klimaatbeleid. In een in juli 2021 gepubliceerd rapport liet de Europese Rekenkamer zien hoe de kosten van milieuvervuiling worden afgewenteld op individuele burgers: hoewel particuliere huishoudens maar 10% van het water gebruiken, betalen zij het leeuwendeel van de zuiveringskosten. De landbouw, verantwoordelijk voor 58% van het waterverbruik, betaalt het minst.[52]De Volkskrant 5 juli 2021 Niet zonder reden maken milieuorganisaties zich dan ook zorgen over de verdeling van de kosten van de energietransitie zoals die noodzakelijk wordt geacht.[53]Frans Rooijers, John Kerkhoven, Bert den Ouden, Noodzakelijk beleid Klimaatakkoord. Een maatschappelijke afweging (CE Delft, Kalavasta, Berenschot) november 2018. En daarbij komen zorgen over de wijze waarop bestuurders via informele initiatieven samen met geëngageerde burgers trachten democratisch gekozen organen, in hun professionele ogen ‘ruziemakende instanties’, te omzeilen. Wim Voermans, hoogleraar staats- en bestuursrecht in Leiden, oordeelt er hard over: ‘Hiervan profiteren de bestuurders van de middenpartijen en de hoog opgeleide participatie-elite die meedoet aan een code oranje, G-1000, burgerjury’s en dergelijke, waarvan de gemene deler is dat ze onhelder tot stand komen, de raad passeren en soms tonnen gemeenschapsgeld kunnen besteden. “Zo voltrekt zich de privatisering van de macht die eigen is aan de standenstaat.”’[54]Wim Voermans en Geerten Waling, Gemeenten in de genen. Tradities en toekomst van de lokale democratie in Nederland, Amsterdam 2018; Martin Sommer in de Volkskrant 15 juni 2018.
In een rapport in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid brachten Mark Bovens en Anchrit Wille al in 2010 voor Nederland die vorming van een nieuwe elite in beeld. Nederland is, zo stelden zij vast, een land geworden dat wordt bestuurd door burgers met de hoogste diploma’s en wordt gekenmerkt door een participatiekloof tussen hoog- en laagopgeleiden, door een onevenwichtige belangenvertegenwoordiging en door afnemende legitimiteit van het bestuur.[55]Mark Bovens en Anchrit Wille, Diplomademocratie. Over de spanning tussen meritocratie en democratie, Amsterdam 2010. Aleid Truijens kwalificeert deze meritocratie als een in zijn consequenties wreed systeem, wreder dan de aristocratie: ‘Wie in een lage stand werd geboren, kon daar niets aan doen; wie er nu in belandt, heeft dat aan zichzelf te wijten. Had je je kansen maar moeten grijpen. Dat maakt de nieuwe elite arroganter en zelfgenoegzamer dan de oude, die nog besefte te hebben geboft: “noblesse oblige”. De nieuwe heersende klasse denkt het succes te danken aan eigen intellectuele superioriteit en hard werken.’ [56]De Volkskrant 18 oktober 2021. Het Sociaal en Cultureel Planbureau publiceerde in december 2017 De sociale staat van Nederland, een rapport waaruit bleek dat de kwaliteit van het leven in Nederland de afgelopen 25 jaar op alle fronten beter is geworden. Tegelijkertijd liet het zien dat de samenleving ook steeds diepere scheidslijnen vertoont, met groeiende verschillen in inkomen, opleidingsniveau en etnische achtergrond en dito gevoelens van onzekerheid en onbehagen.[57]Rob Bijl, Jeroen Boelhouwer, Annemarie Wennekers (red.), De sociale staat van Nederland 2017, Den Haag 2017; zie ook Annemarie Wennekers, Jeroen Boelhouwer, Cretien van Campen, Rob Bijl (red.), De … Lees meer Het resultaat is nieuwe groepsvorming.[58]Paul Scheffer, ‘Ons driestroompjesland’, NRC Handelsblad 5 januari 2018. Kim Putters, directeur van het SCP, maakt zich met name zorgen over de middengroepen. ‘Het aanpassingsvermogen van een samenleving berust vooral bij die middengroepen. […] Maar hun positie is verzwakt. Zij zijn het die hun baan verloren in de crisis, hoge hypotheekschulden hebben, voor kinderen en ouders zorgen. Het gaat om veel meer dan koopkracht. Zij geven aan regelmatig het gevoel te hebben overal voor op te draaien en zelf buiten alle regelingen te vallen, terwijl de rijke bovenlaag en de criminele onderkant overal mee wegkomen.’[59]De Volkskrant 16 december 2017.

Diversiteit

Het ongemak over de groeiende ongelijkheid wint aan scherpte door sterk toegenomen verscheidenheid naar herkomst onder de Nederlandse bevolking. Had in 1972 nog maar 9,2% van de bevolking een migratieachtergrond, in 2016 was dat 22,1%. Deze groep werd bovendien steeds diverser. Terwijl in beleidsstukken en studies over migratie en integratie klassieke migrantengroepen, zoals Marokkanen, Turken, Antillianen en Surinamers nog altijd domineren, behoort feitelijk op dit moment nog slechts een derde van de inwoners met een migratieachtergrond tot deze groepen. Twee derde komt uit een breed palet van andere herkomstlanden. Herkomstgroepen met het grootste migratieoverschot zijn in de periode 2007-2016 achtereenvolgens Polen, Syriërs, personen uit de voormalige Sovjetunie, Bulgaren, Chinezen, Indiërs, Roemenen, Italianen, Duitsers, Somaliërs, Eritreeërs, Spanjaarden, Hongaren, Grieken en Iraniërs. Jan Latten, bijzonder hoogleraar demografie aan de Universiteit van Amsterdam en tot 2018 tevens als demograaf verbonden aan het CBS, stelt vast dat de Nederlandse bevolking de afgelopen twintig jaar met 1,5 miljoen mensen is gegroeid en dat die groei voor meer dan 80% bestaat uit nieuwkomers en hun kinderen. Nederland is een immigratieland geworden.[60]Trouw 25 juni 2018, de Volkskrant 2 januari 2018. Zelfs bij een heel strikt immigratiebeleid zal de Nederlandse bevolking in 2060 voor 30% uit migranten bestaan. En Nederland is daarbij geen uitzondering. Weliswaar is de jaarlijkse omvang van migratie op het geheel van de wereldbevolking niet spectaculair: 3,3%, maar in de westerse wereld is het aandeel van migranten in de totale bevolking de afgelopen veertig jaar wel sterk toegenomen, met een factor 4 tot 5. In 1970 was nog maar 3% van de Amerikaanse bevolking migrant, nu is dat 15%. In Oostenrijk was in 2015 17,5% van de bevolking migrant, in Zweden 17%, in Duitsland 15% in Canada 22%.[61]Leo Lucassen, Paul Scheffer, Ernst Hirsch Ballin, Regie over migratie: naar een strategische agenda. Essays ter gelegenheid van het Holland Spoor-debat over migratiebeleid op 19 juni 2018, WRR, Den … Lees meer Die toenemende diversiteit heeft negatieve gevolgen voor de sociale cohesie. Onderzoek door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid laat zien dat in buurten waar de verscheidenheid naar herkomst hoog is bewoners zich minder thuis en minder veilig voelen en dat het vooral de middengroepen zijn die dan de buurtverhoudingen als slechter gaan beoordelen.[62]R. Jennissen, G. Engbersen, M. Bokhorst en M. Bovens, De nieuwe verscheidenheid. Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland, WRR, Den Haag 2018. Die groeiende diversiteit is het meest tastbare effect van de globalisering. Het draagt niet bij aan de populariteit van het begrip. Het wordt direct geassocieerd met spanning op de huizenmarkt en met verlies van arbeidsplaatsen door verdringing. En misschien niet ten onrechte. In een in maart 2018 gepubliceerd rapport concludeerde het IMF dat vooral de arme en opkomende landen hebben geprofiteerd van de globalisering en dat in de gevestigde industrielanden de globalisering heeft bijgedragen aan de groeiende ongelijkheid.[63]Valentin F. Lang en Marina Mendes Tavares, The distribution of gains from globalisation, IMF, Washington 2018. In een reeks van publicaties constateert Paul Scheffer ook dat de integratie van nieuwkomers in de samenleving moeizaam verloopt.[64]Zie met name Paul Scheffer, Land van aankomst, Amsterdam 2007. Dat is voor een deel een gevolg van de aantallen, voor een deel van het steeds wisselende beleid waarbij momenteel integratie vooral de eenzijdige persoonlijke verantwoordelijkheid is van de nieuwkomer. Scheffer heeft het daarnaast over ‘de normatieve conflicten die de vestiging van een nieuwe religieuze gemeenschap met zich meebrengt’ en over ‘botsingen die te maken hebben met de postkoloniale migratie’ – de aanklacht tegen de ‘witte onschuld’ en de discussie over ‘zwarte bladzijden in onze geschiedenis’.[65]Paul Scheffer, ‘Immigratie in een open samenleving’ in: Lucassen, Scheffer, Hirsch Ballin, Regie over migratie (Den Haag 2018), blz. 87. Tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat de identiteit van de samenleving waarin de nieuwkomer moet integreren moeilijk te duiden is. De teloorgang van de culturele canon, de verwaarlozing van het eigen verleden en de snelle ontzuiling gevolgd door een spectaculaire ontkerkelijking hebben de samenleving haar vanzelfsprekende samenhang doen verliezen. Een samenleving die het inmiddels moet hebben van een imaginaire joods-christelijke identiteit en die zich verder vooral als economische gemeenschap identificeert biedt nieuwkomers weinig aanknopingspunten voor integratie.
De Amerikaanse politicologen Steven Levitsky en Daniel Ziblatt leggen een direct verband tussen veranderende bevolkingssamenstelling, het streven van minderheden naar gelijkberechtiging en maatschappelijke en politieke polarisatie. Ze zien er een grote bedreiging in voor ons democratisch bestel.[66]Steven Levitsky en Daniel Ziblatt, How Democracies Die, New York 2018. De maatschappelijke verliezers, inmiddels gesymboliseerd door de ‘gele hesjes’, en de bedreigde middenklasse tonen zich gevoelig voor vormen van populisme waarin individualisme zich verbindt met een cultureel conservatisme dat tradities koestert als ‘the illusion of permanence’.[67]Cf. Harry Block in Deconstructing Harry, een film van Woody Allen uit 1997: ‘Tradition is the illusion of permanence.’ Het is het individualisme van de volgelingen van Brian, in de Monty Python-film Life of Brian. Wanneer Brian ze voorhoudt dat ze zelf moeten nadenken en allemaal individuen zijn, antwoorden ze in koor: ‘Yes, we’re all individuals.’ Juist in de geïndividualiseerde samenleving die populisten zeggen te koesteren wordt eigenzinnig, afwijkend gedrag niet automatisch gewaardeerd. Ieder mens heeft het recht een individu te zijn, mits zijn of haar gedrag binnen de gestelde groepsnormen valt.[68]Bram Mellink, Worden zoals wij. Onderwijs en de geïndividualiseerde samenleving sinds 1945, Amsterdam 2014. Voor Paul Scheffer is het duidelijk: ‘Iedereen moet toch inmiddels begrijpen dat het liberale wereldbeeld verongelukt: de globalisering is onleefbaar zonder regulering.’[69]NRC Handelsblad 3 april 2019. Filosoof en bestuurskundige Gabriël van den Brink herkent er ‘een roep om burgerschap’ in, een zoeken naar gemeenschap: ‘Terwijl elites hameren op individuele vrijheid, flexibiliteit, innovatie en diversiteit, hechten veel burgers aan saamhorigheid, zekerheid, traditie en nationale identiteit. Juist omdat politici het proces van globalisering als onvermijdelijk voorstellen, gaan burgers hun nationale identiteit benadrukken. Hoe langer beleidsmakers inzetten op zelfredzaamheid, des te sterker neemt het verlangen naar gemeenschap toe.’[70]Gabriël van den Brink, Ruw ontwaken uit een neoliberale droom en de eigenheid van het Europese continent, Amsterdam 2020. Het zijn sentimenten die ten gronslag liggen aan het succes van wat politicoloog Merijn Oudenampsen aanduidt als Nieuw Rechts, dat zich afzet tegen de jaren zestig, maar er tegelijk een echo van is.[71]Merijn Oudenamspen, De conservatieve revolutie. Een ideeëngeschiedenis van de Fortuyn-opstand (Nijmegen 2018), blz. 321. Het resulteert in wantrouwen jegens een overheid door wie men zich in de steek gelaten voelt, in toenemende aandacht voor identiteitsvraagstukken, soms uitmondend in xenofobie, in verminderde openheid voor kritiek en in grote waardering voor autoritair leiderschap dat haar legitimatie zoekt in een beleid dat streeft naar economische groei ten koste van alles.[72]Blom, Wat op het spel staat, blz. 139-162. In de traditionele westerse democratieën is het vooralsnog het geluid van een minderheid. Maar het is een luidruchtige minderheid die de sociale media als megafoon gebruikt en waarvan de voorlieden alle ruimte krijgen op de opniepagina’s en aan de praattafels van de traditionele media – gecommercialiseerd, en dus voortdurend op jacht naar tegengeluid en ophef die kunnen zorgen voor hogere kijkcijfers en meer clicks. Het is een minderheid met meerderheidspretenties, geneigd is zich als de ‘werkelijke vertegenwoordigers’ van ‘het volk’ te beschouwen en waarvan de radicale vleugels niet aarzelen anders denkenden weg te zetten als ‘verraders’.

Crisis

De financiële crisis van 2008, de coronacrisis van 2020-2021 en de steeds tastbaarder wordende klimaatcrisis hebben de structurele zwaktes in het maatschappelijk en economisch bestel genadeloos blootgelegd.[73]Cf. Heijne en Noten, Fantoomgroei. ‘We hebben’, aldus de Wageningse bioloog Louise Vet in NRC Handelsblad, ‘een economie gebouwd waarin we keihard sturen op verminderen van diversiteit. Efficiency, kostenreductie, minimale voorraden, één toeleverancier, weinig afzetmarkten. Dat geeft allemaal zwakte in het systeem. […] diversiteit geeft risicospreiding. Als het dan een keer misgaat, blijft er altijd wel iets over om mee verder te kunnen. Wij zijn van diversiteit naar monotonie gegaan, van specialisatie naar hyperspecialisatie. Zo hebben we ons heel kwetsbaar gemaakt.’[74]NRC Handelsblad 6 juni 2020. Door de gestage afbraak van handelsbarrières zijn heel complexe, wereldomspannende productieketens ontstaan, met just in time leveranties als uitgangspunt, waarbij het aanhouden van voorraden overbodig werd geacht. Het leidde in 2020 wereldwijd tot lege winkelschappen en acute tekorten aan essentiële genees- en beschermingsmiddelen.
Het hangt samen met de financialisering, sinds de jaren tachtig, van het bedrijfsleven. Retain and reinvest maakte als bedrijfsstrategie plaats voor downsize and distribute. In plaats van te investeren in de samenleving, in werknemers of in onderzoek dat de toekomstbestendigheid van de onderneming zou kunnen versterken, gingen ondernemingen ‘spelen met geld’: topinkomens stegen, financiële buffers werden opgeofferd aan de inkoop van eigen aandelen, bedrijven werden volgehangen met schulden en zo gestructureerd dat belastingverplichtingen zo klein mogelijk werden. Zelfs bedrijven die de afgelopen jaren exorbitante winsten hadden behaald, bleken toen de crisis uitbrak voor hun voortbestaan afhankelijk van overheidssteun.
De flexibilisering van de arbeidsmarkt heeft de kosten van arbeid voor het bedrijfsleven weliswaar sterk verlaagd, maar ook het economisch innovatievermogen aangetast[75]G.B.M. Engbersen, M. Kremer, R.C.P.M. Went, A.W.A. Boot, Het betere werk. De nieuwe maatschappelijke opdracht, WRR, Den Haag, december 2019. en een ongekend sociaal probleem gecreëerd van onverzekerde en onderbetaalde werknemers zonder pensioen.[76]Hans Borstlap e.a., In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de regulering van werk, Den Haag, januari 2020. Eind 2019 behoorde in Nederland niet minder dan 39% van de werknemers tot deze ‘flexibele schil’, die bij het uitbreken van de coronacrisis direct de verantwoordelijkheid van de overheid werd.
Het maakte alles bij elkaar de massieve en in vredestijd ongekende interventie door de staat die we in het voorjaar van 2020 zagen onvermijdelijk. Net als bij het uitbreken van de kredietcrisis in 2008 bleek tijdens de coronacrisis de private sector in staat om, na jarenlang haar bijdrage aan de collectiviteit te hebben geminimaliseerd, haar verliezen te socialiseren, ten laste van het collectief te brengen. Zoals Bert Wagendorp vaststelde: ‘De vrije markt werkt soepel wanneer er poen kan worden geschept, maar is in geen velden of wegen te bekennen bij een crisis in de samenleving. Dan moeten overheden de kastanjes uit het vuur halen.’[77]De Volkskrant 15 maart 2020. Minder cynisch geformuleerd: de coronacrisis leidde tot een herwaardering van de rol van de overheid en de publieke sector. De overheid speelde die rol met verve en succes. In Nederland zorgde de ruim € 80 miljard aan overheidssteun ervoor dat er nauwelijks bedrijven failliet gingen, tussen de 65.000 en 180.000 mensen hun baan behielden en de economie zich, na een krimp van 3,8% in 2020 al in 2021 snel herstelde. En dat terwijl de staatsschuld royaal beneden het Europese schuldenplafond van 60% bleef.[78]Macro Economische Verkenning 2022, september 2021. Tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat, in lijn met de waarschuwing aan het begin van de crisis door economen van het Centraal Planbureau,[79]Pieter Hasekamp, Diederik Dicou en Jan-Maarten van Sonsbeek in de Volkskrant 15 september 2020. steunbeleid en lockdowns de bestaande ongelijkheden hebben vegroot: ‘op de arbeidsmarkt is de klap van de coronacrisis opgevangen door flexwerkers en jongeren, categorieën die elkaar sterk overlappen, categorieën die de minste buffers hebben en het minste pensioen, om van een koophuis nog maar te zwijgen. Ze vormen de boksbal van de arbeidsmarkt; zij kwamen thuis te zitten. De overheidssteun […] is terechtgekomen bij mensen met een vaste baan. Zij behielden hun baan, hun inkomen bleef min of meer op peil. Dit zijn de mensen aan de goede kant van de kloof.’[80]Sheila Sitalsing in de Volkskrant, 30 september 2021. Het neemt niet weg dat de politieke discussie inmiddels niet meer gaat over de vraag óf de overheid een sterkere regierol moet krijgen, maar alleen nog over de mate waarin. Al was het maar omdat de coronacrisis laat zien hoe effectief overheidsoptreden kan zijn en de overtuiging veld wint dat de economische structuurveranderingen die noodzakelijk zijn om de maatschappelijke tegenstellingen te overbruggen en de klimaatcrisis het hoofd te bieden om een vergelijkbare regie vragen. Economen zijn op zoek naar een nieuw verhaal. Al meer dan twintig jaar worden Nobelprijzen uitgereikt aan wetenschappers die laten zien dat de veronderstellingen waarop het neoliberalisme steunt niet houdbaar zijn: individuen laten zich niet door louter rationele overwegingen leiden, marktwerking resulteert niet vanzelf in efficiëntie maar soms zelfs in monopolievorming, belastingmaatregelen die bedrijven en hoge inkomens begunstigen resulteren niet in investeringen en consumptieve uitgaven waarvan de economie als geheel en dus ook de lagere inkomens profiteren.[81]Amartya Sen rekende in zijn artikel ‘Rational Fools, a critique of the behavioral foundations of economic theory’, Philosphy & Public Affairs VI (1977) 317-344, af met de rationele … Lees meer Keynes wordt herontdekt. Nieuwe economen worden op het schild gehesen: Thomas Piketty, met zijn theoretische onderbouwing van de strijd tegen het vrijemarktdenken,[82]Thomas Piketty, Le Capital au XXI siècle, Parijs 2013. of anders wel Kate Raworth, die handen en voeten geeft aan de gedachte dat de aardse bronnen eindig zijn en dat dit gevolgen moet hebben voor het economisch handelen.[83]Kate Raworth, Doughnut Economics. Seven Ways to Think as a 21st-century Economist, Londen 2017. Maar vooralsnog dient zich geen werkelijk breed gedragen alternatief aan voor het neoliberale discours.
De coronacrisis heeft zelfs de discussie over de staatsschuld op scherp gesteld. De Algemene Rekenkamer zette in 2019 al vraagtekens bij de vanzelfsprekendheid waarmee de overheid na de kredietcrisis van 2008 haar ‘huishoudboekje’ op orde had gebracht door tientallen miljarden te bezuinigen. Ze constateerde dat de jarenlange bezuinigingen grote schade hebben veroorzaakt in de publieke sector en dat hun bijdrage aan het herstel van de Nederlandse economie niet kan worden aangetoond. De aantasting van het onderwijspeil, de verslechterende infrastructuur en de crisis in onze rechtstatelijke instituties vormen juist een bedreiging voor de Nederlandse concurrentiepositie, die het bezuinigingsbeleid nu juist geacht werd te schragen.[84]Algemene Rekenkamer, Staat van de Rijksverantwoording 2018. Den Haag, 15 mei 2019. Wim Boonstra, econoom bij de Rabobank, aarzelde niet om het bezuinigingsbeleid van de jaren na 2008 te vergelijken met de ‘irrationele halsstarrigheid’, waarmee politici in de jaren 1930 vasthielden aan de gouden standaard[85]Wim Boonstra, ‘Modern Monetary Theory’, Rabobank 26 juli 2019. – en Mark Rutte dus te positioneren als de Colijn van de eenentwintigste eeuw.
Economen zetten al langer vraagtekens bij de wijze waarop politici staatsschuld en particuliere schuld met elkaar vergelijken en zo de werkelijkheid versimpelen. De overheid is niet hetzelfde als een huishouden. Anders dan bij individuen hangen de inkomsten en uitgaven van de staat met elkaar samen. Als de overheid leent om investeringen te doen, creëert ze niet alleen betere voorzieningen, maar kan ze ook meer inkomsten genereren doordat de economie groeit vanwege deze voorzieningen. Bovendien moeten wij onze schulden binnen een bepaalde tijd aflossen, maar kan de staat leningen eeuwig laten uitstaan.[86]Ewoud Jansen, ‘De logica van het huishoudboekje’, FTM 13 oktober 2014. Mariana Mazzucato, hoogleraar Economics of Innovation & Public Value aan University College London en op 5 februari 2021 te gast op de jaarlijkse Bilderberg Conferentie van VNO-NCW, pleit al jarenlang voor een ondernemende overheid.[87]Mariana Mazzucato, The Entrepreneurial State. Debunking public vs. private sector myths, Londen 2013; Mariana Mazzucato, Mission Economy. A Moonshot Guide to Changing Capitalism, Londen 2020. In NRC Handelsblad concludeerde Coen Teulings, hoogleraar economie in Cambridge: ‘Staatsschuld is geen teken van een spilzieke overheid, maar heeft een belangrijke economische functie: het voorziet in de vraag naar private buffers.’[88]NRC Handelsblad 10 juli 2020. De Amerikaanse econoom Stephanie Kelton, vlaggendraagster van de Modern Monetary Theory, gaat nog een stap verder: om publieke voorzieningen te financieren, hoeft de overheid helemaal geen geld te lenen of belastingen te heffen. Ze kan, zolang de productiemiddelen voor goederen en diensten op peil blijven, gewoon de geldpers aanzetten.[89]Stephanie Kelton, The Deficit Myth: Modern Monetary Theory and the Birth of the People’s Economy, New York 2020. En ook in de politiek wankelt het dogma dat de beste staatsschuld geen staatsschuld is. Wie ziet hoe overheden overal ter wereld reageren op de coronacrisis, kan haast niet om de constatering heen dat zij zo niet de in economische kring omstreden Modern Monetary Theory dan toch wel het neo-keynesianisme van Teulings en Mazzucato hebben omarmd.

lees verder: Draagvlak

Referenties

Referenties
1 De Volkskrant 28 februari 2015
2 Hans Rosling, Factfulness. Ten Reasons We’re Wrong About The World – And Why Things Are Better Than You Think, New York 2018; Johan Norberg, Progress. Ten Reasons to Look Forward to the Future, Londen 2016; Steven Pinker, Enlightenment Now. The Case for Reason, Science, Humanism, and Progress, New York 2018.
3 Ralf Bodelier, ‘De huidige wereld is donker en wreed; toch boeken we morele vooruitgang’, de Volkskrant 13 mei 2022.
4 VPRO-gids 16 januari 2018.
5 Philipp Blom, Wat op het spel staat, Amsterdam 2017.
6 Bijv. Parag Khanna in De Volkskrant 27 januari 2018. Cf. Charles C. Mann, The Wizard and the Prophet. Two Remarkable Scientists and Their Dueling Visions to Shape Tomorrow’s World, New York 2018.
7 Wim van de Donk, De centralisatie in openbaar besturen. Over dunne denkramen en ambivalente ambities, 11e ROB-lezing, 12 november 2014.
8 Marcia Luyten, ‘De BV Nederland begon als metafoor, maar is inmiddels de harde werkelijkheid’, de Volkskrant 6 juli 2021.
9 Cf. Coen van de Ven, ‘Hoe Den Haag uit Nederland verdween. De afname van de regionale voorzieningen’, De Groene Amsterdammer 14 oktober 2021; Josse de Voogd en René Cuperus, Atlas van afgehaakt Nederland. Over buitenstaanders en gevestigden, december 2021; Raad voor Openbaar Bestuur, Droomland of niemandsland? Uitgangspunten voor het besturen van regio’s, Den Haag 2021.
10 Interview met Peter van Lieshout en Geert Jan Hamilton in de Volkskrant 1 april 2022.
11 De Volkskrant 18 oktober 2018.
12 Cf. Tom Nichols, Our Own Worst Enemy: The Assault from within on Modern Democracy, New York 2021.
13 Friedrich Hayek, The Road to Serfdom, Londen en New York 1944.
14 Quinn Slobodian, Globalists. The End of Empire and the Birth of Neoliberalism, Boston 2018; Angus Burgin, The Great Persuasion. Reinventing free markets since the Depression, Boston 2015.
15 Francis Fukuyama, The End of History and the Last Man, New York 1992.
16 Merijn Oudenampsen en Bram Mellink, ‘De zichtbare hand: een historisch-socialogische benadering van neoliberalisme in Nederland’, Sociologie XV/3 (2019), blz. 241-251; Rosa Kösters, Bram Mellink, Merijn Oudenampsen en Matthias van Rossum, ‘Not so Consensual after all. A New Perspective on the Dutch 1980s’, Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis XVIII/1 (2021), blz. 5-18; Merijn Oudenampsen en Bram Mellink, ‘The Leading Role of Policymakers in the Dutch Neoliberal Turn of the 1980s’, Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis XVIII/1 (2021), blz. 19-52; Merijn Oudenampsen en Bram Mellink, Neoliberalisme. Een Nederlandse geschiedenis, Amsterdam 2022.
17 CBS, ‘Arbeidsmarkt nog krapper in het eerste kwartaal’, 17 mei 2022.
18 Floor Milikowski, ‘De platte polder is niet zo plat meer’, De Groene Amsterdammer 3 juni 2020.
19 Tom Peters, ‘The Brand Called You’, Fast Company 31 augustus 1997.
20 Geert Buelens, De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis (Amsterdam 2018), blz. 310.
21 W. Stark, The History of Economics in its relation to social development. Londen 1952. Cf. Eelke de Jong (ed.), Economic Ideas, Policy and National Culture, Londen 2021.
22 De Volkskrant 30 augustus 2018.
23 De Volkskrant 6 februari 2021.
24 Trouw 13 februari 2021.
25 Margaret Thatcher in een interview met Women’s Own, 1987.
26 Bas Heijne, ‘Leeg gepreek’, NRC Handelsblad 15 oktober 2021.
27 DNBulletin 28 april 2016; ‘Aandeel arbeid in de economie verder gedaald in 2023’. CBS, 24 juni 2024; Vera Vrijmoeth en Jacob-Jan Koopmans, ‘Winstflatie zorgde voor herverdeling van arm naar rijk’, ESB 109 (4829), 25 januari 2024, blz. 24-26.
28 De Volkskrant 28 september 2018.
29 Cok Vroman, Edith Josten, Stella Hoff, Lisa Putman en Jean-Marie Wildeboer Schut, Als werk weinig opbrengt. Werkende armen in vijf Europese landen en twintig Nederlandse gemeenten, SCP, Den Haag 2018.
30 Joseph E. Stiglitz, The Price of Inequality. How Today’s Divided Society Endangers our Future, New York en Londen 2012; Thomas Piketty, Le capital au XXIe siècle, Parijs 2013; Robert D. Putnam, Our Kids. The American Dream in Crisis, New York 2015; Robert J. Gordon, The Rise and Fall of American Growth. The U.S. Standard of Living since the Civil War, Princeton / Oxford 2016.
31 Richard Dobbs e.a., Poorer than their Parents? Flat or Falling Incomes in Advanced Societies, Brussel / San Francisco / Sjanghai 2016. Zie voor de Nederlandse situatie ook rapporten van Sociaal en Cultureel Planbureau en Centraal Planbureau resp. de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid: Marloes de Graaf-Zijl e.a., De onderkant van de arbeidsmarkt in 2025, Den Haag 2015; Monique Kremer e.a. (red.), Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid, Amsterdam 2014.
32 Facundo Alvaredo, Lucas Chancel, Thomas Piketty, Emmanuel Suez, Gabriel Zucman, World Inequality Report 2018, z.p. 2017
33 Diego Alejo Vázquez Pimentel, Iñigo Macias Aymar en Max Lawson, Reward Work, Not Wealth. To end the inequality crisis, we must build an economy for ordinary working people, not the rich and powerful, Oxford 2018.
34 A Broken Social Elevator? How to Promote Social Mobility, Parijs 2018.
35 Simon Toussaint, Bas van Bavel, Wiemer Salverda en Coen Teulings, ‘Nederlandse vermogen schever verdeeld dat gedacht’. ESB 1 juli 2020.
36 Piketty 2013.
37 Atif Mian, Ludwig Straub en Amir Sufi, What explains the decline in R*. Rising income inequality versus demographic shifts, 2021.
38 Peter Hein van Mulligen, Met ons gaat het nog altijd goed: 8 sombere mythes over Nederland ontrafeld. Amsterdam 2020.
39 Peter Hein van Mulligen, Economische groei en het inkomen van Nederlanders, CBS 2021.
40 Martijn Badir, Besteedbaar inkomen van huishoudens staat al bijna veertig jaar vrijwel stil, Rabobank 5 februari 2018.
41 Sander Heijne en Hendrik Noten, Fantoomgroei. Waarom we steeds harder werken voor steeds minder, Amsterdam 2020.
42 Menno Middeldorp, Hugo Erken en Carlijn Prins, Beschikbaar inkomen: is het glas half vol of half leeg? Rabobank 15 april 2021.
43 Koen Caminada, Egbert Jongen, Wim Bos, Marion van den Brakel, Ferdy Otten, Inkomens verdeeld, trends 1977-2019, Heerlen en Leiden 2021.
44 NRC Handelsblad 14 oktober 2021
45 NRC Handelsblad 26 juni 2021; cf. NRC Handelsblad 29 oktober 2021
46 De Kansenatlas werd in maart 2021 door SEO Economisch Onderzoek gepubliceerd. De Kansenkaart, naar het voorbeeld van de Amerikaanse Opportunity Atlas, werd ontwikkeld door Helen Lam, Matthijs Jansen, Coen van de Kraats en Bastian Ravesteijn (Erasmus School of Economics en Tinbergen Instituut). Beide projecten baseren zich op CBS-data.
47 Bas van Bavel, The Invisible Hand?: How Market Economies have Emerged and Declined Since AD 500, Oxford 2016.
48 Emina van den Berg e.a., Schoolkosten voor 16- en 17-jarige mbo’ers. Onderzoek naar de gevolgen van veranderde tegemoetkoming in de schoolkosten, Utrecht 2016; Anja van den Broek e.a., Monitor Beleidsmaatregelen 2015. Studiekeuze, studiegedrag en leengedrag in relatie tot beleidsmaatregelen in het hoger onderwijs, 2006-2015, Nijmegen 2016; Inspectie van het Onderwijs, De Staat van het Onderwijs. Onderwijsverslag 2014/2015, Utrecht 2016; Inspectie van het Onderwijs, De Staat van het Onderwijs 2016/2017. Hoofdlijnen, Utrecht 2018. Cf. de vooruitblik die de Onderwijsraad in december 2018 gaf op de Stand van educatief Nederland zoals die in februari 2019 werd gepubliceerd.
49 Klarita Sadiraj, Stella Hoff, Maroesjka Versantvoort, Van sociale werkvoorziening naar Participatiewet. Hoe is het de mensen op de Wsw-wachtlijst vergaan? SCP, Den Haag 2018; Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak, De verhuizing van de verzorgingsstaat. Hoe de overheid nabij komt, Utrecht 2018.
50 De Volkskrant 4 september 2018.
51 Martin Olsthoorn, Patrick Koot en Stella Hoff, Kansrijk armoedebeleid, Den Haag 2020.
52 De Volkskrant 5 juli 2021
53 Frans Rooijers, John Kerkhoven, Bert den Ouden, Noodzakelijk beleid Klimaatakkoord. Een maatschappelijke afweging (CE Delft, Kalavasta, Berenschot) november 2018.
54 Wim Voermans en Geerten Waling, Gemeenten in de genen. Tradities en toekomst van de lokale democratie in Nederland, Amsterdam 2018; Martin Sommer in de Volkskrant 15 juni 2018.
55 Mark Bovens en Anchrit Wille, Diplomademocratie. Over de spanning tussen meritocratie en democratie, Amsterdam 2010.
56 De Volkskrant 18 oktober 2021.
57 Rob Bijl, Jeroen Boelhouwer, Annemarie Wennekers (red.), De sociale staat van Nederland 2017, Den Haag 2017; zie ook Annemarie Wennekers, Jeroen Boelhouwer, Cretien van Campen, Rob Bijl (red.), De sociale staat van Nederland 2018, Den Haag 2018.
58 Paul Scheffer, ‘Ons driestroompjesland’, NRC Handelsblad 5 januari 2018.
59 De Volkskrant 16 december 2017.
60 Trouw 25 juni 2018, de Volkskrant 2 januari 2018.
61 Leo Lucassen, Paul Scheffer, Ernst Hirsch Ballin, Regie over migratie: naar een strategische agenda. Essays ter gelegenheid van het Holland Spoor-debat over migratiebeleid op 19 juni 2018, WRR, Den Haag 2018.
62 R. Jennissen, G. Engbersen, M. Bokhorst en M. Bovens, De nieuwe verscheidenheid. Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland, WRR, Den Haag 2018.
63 Valentin F. Lang en Marina Mendes Tavares, The distribution of gains from globalisation, IMF, Washington 2018.
64 Zie met name Paul Scheffer, Land van aankomst, Amsterdam 2007.
65 Paul Scheffer, ‘Immigratie in een open samenleving’ in: Lucassen, Scheffer, Hirsch Ballin, Regie over migratie (Den Haag 2018), blz. 87.
66 Steven Levitsky en Daniel Ziblatt, How Democracies Die, New York 2018.
67 Cf. Harry Block in Deconstructing Harry, een film van Woody Allen uit 1997: ‘Tradition is the illusion of permanence.’
68 Bram Mellink, Worden zoals wij. Onderwijs en de geïndividualiseerde samenleving sinds 1945, Amsterdam 2014.
69 NRC Handelsblad 3 april 2019.
70 Gabriël van den Brink, Ruw ontwaken uit een neoliberale droom en de eigenheid van het Europese continent, Amsterdam 2020.
71 Merijn Oudenamspen, De conservatieve revolutie. Een ideeëngeschiedenis van de Fortuyn-opstand (Nijmegen 2018), blz. 321.
72 Blom, Wat op het spel staat, blz. 139-162.
73 Cf. Heijne en Noten, Fantoomgroei.
74 NRC Handelsblad 6 juni 2020.
75 G.B.M. Engbersen, M. Kremer, R.C.P.M. Went, A.W.A. Boot, Het betere werk. De nieuwe maatschappelijke opdracht, WRR, Den Haag, december 2019.
76 Hans Borstlap e.a., In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de regulering van werk, Den Haag, januari 2020.
77 De Volkskrant 15 maart 2020.
78 Macro Economische Verkenning 2022, september 2021.
79 Pieter Hasekamp, Diederik Dicou en Jan-Maarten van Sonsbeek in de Volkskrant 15 september 2020.
80 Sheila Sitalsing in de Volkskrant, 30 september 2021.
81 Amartya Sen rekende in zijn artikel ‘Rational Fools, a critique of the behavioral foundations of economic theory’, Philosphy & Public Affairs VI (1977) 317-344, af met de rationele keuzetheorie. Hij kreeg er in 1998 de Nobelprijs voor economie voor. Ook in 2000 (Daniel McFadden en James Heckman), in 2001 (George Akerlof em Joseph Stiglitz), in 2002 (Daniel Kahneman) en 2017 (Richard Thaler) ging de Nobelprijs voor economie naar onderzoekers die de uitgangspunten van de neoliberale economische theorie met succes ter discussie stelden.
82 Thomas Piketty, Le Capital au XXI siècle, Parijs 2013.
83 Kate Raworth, Doughnut Economics. Seven Ways to Think as a 21st-century Economist, Londen 2017.
84 Algemene Rekenkamer, Staat van de Rijksverantwoording 2018. Den Haag, 15 mei 2019.
85 Wim Boonstra, ‘Modern Monetary Theory’, Rabobank 26 juli 2019.
86 Ewoud Jansen, ‘De logica van het huishoudboekje’, FTM 13 oktober 2014.
87 Mariana Mazzucato, The Entrepreneurial State. Debunking public vs. private sector myths, Londen 2013; Mariana Mazzucato, Mission Economy. A Moonshot Guide to Changing Capitalism, Londen 2020.
88 NRC Handelsblad 10 juli 2020.
89 Stephanie Kelton, The Deficit Myth: Modern Monetary Theory and the Birth of the People’s Economy, New York 2020.