A en B

We hebben gisteren afscheid genomen van ruim 100 leerlingen. Dat was, na twee wat magerder jaren, een heel mooie score, waar we heel tevreden over mogen zijn. We zijn als school, na een periode van turbulentie veroorzaakt door heel sterke groei, weer in wat rustiger vaarwater gekomen. En het lijkt alsof zich dat, behalve in scherp gedaalde ziekteverzuimcijfers, ook terugbetaalt in beheersbaarder onderwijsresultaten.

In godsnaam

Het is al weer dertig jaar geleden dat ik zelf mijn gymnasium-diploma haalde. En ik moet u wat bekennen: het was een diploma gymnasium α. Het was zelfs nog erger: ik had, twee jaar eerder voor de keus geplaatst tussen de α en de β richting, voor α gekozen, niet omdat ik te slecht was voor β, maar omdat ik α veel leuker vond. Ik kan u verzekeren: dat is niet geruisloos gegaan. Er is door mijn vader, zelf een werktuigbouwkundige, en door mijn klassenleraar, een gepromoveerde natuurkundige, indringend op mij ingepraat. Zonder resultaat.
Ik heb daar dit jaar af en toe aan teruggedacht. Mijn jongste zoon moest dit jaar kiezen tussen de M- en de N-stroom. Hij wil, en hij gaat ook, naar de M-stroom, omdat hij dat leuker vindt. Maar, net al ik dertig jaar geleden, stuitte hij op onbegrip: zijn resultaten maakten een keuze voor de N-stroom mogelijk, dus, in godsnaam, zo vroeg zijn mentor hem, waarom doe je dat dan niet?
Ik heb me altijd verbaasd over dat verschil in waardering tussen A en B. In de tijd van de mammoetwet werden A-pakketten afgedaan als pretpakketten, hoewel iedereen wist dat tal van begaafde B-leerlingen nooit hun einddiploma zouden hebben gehaald als ze eindexamen hadden moeten doen in alle drie de moderne talen. En bij de recente invoering van de tweede fase werd als vanzelfsprekend wiskunde gebruikt om het VWO selectiever te maken. Maar omgekeerd vragen woordvoerders van docenten in de B-vakken zich nog altijd af waarom ‘hun’ leerlingen lastig moeten worden gevallen met moderne talen.
Voor een deel is hier gewoon sprake van tunnelvisie, een onvermogen om over de heg van het eigen vak te kijken. Het is de vakidiotie die bij iedere poging het onderwijs te hervormen leidt tot veldslagen tussen vaksecties om de lessentabel, de introductie soms van nieuwe vakken, af en toe verbazingwekkende verdelingen van bevoegdheden en pogingen om in minder tijd meer kennis over te dragen. Dat de B-studies in ons land vijf jaar duren, in plaats van vier zoals de meeste studies is daarvan een gevolg.

Utilisme

Maar het verschil in waardering tussen A en B is meer dan dat: het is ook een manifestatie van het ver doorgevoerde, zuinige utilisme dat de Nederlandse samenleving kenmerkt. Over kennis wordt louter in economische termen gesproken. Kennis heeft alleen status als zij hier en nu te gelde kan worden gemaakt. Het is een klimaat waaraan het onderwijs zich blijkbaar niet kan onttrekken. Onderwijsbeleid is ons land in heel sterke mate financieel beleid. In die geest is de afgelopen jaren besloten de deelname aan VWO en universiteit beperkt te houden, tweedekansroutes in te dammen en de deelname aan het voortgezet onderwijs op midden- en laag niveau te versterken. In die geest worden, ik heb er de afgelopen jaren al meer over gezegd, bij de recente onderwijsvernieuwingen vaardigheden hoger gewaardeerd dan kennis. En is er in het taalonderwijs voor gekozen om voorrang te geven aan technisch lezen boven begrijpend lezen. Bij de moderne talen wordt het al decennialang belangrijker gevonden dat je in staat bent in Frankrijk een boek te kopen, dan dat je dat boek thuisgekomen ook zelf kunt lezen.
Kenmerkend voor het utilisme dat ons onderwijsbeleid beheerst is de manier waarop over de problemen van onze kenniseconomie wordt gesproken. Proef alleen dat woord al: kenniseconomie. Wie de krant leest, begrijpt daaruit dat het grootste probleem van ons hoger beroeps- en wetenschappelijk onderwijs is dat het te weinig technici en te weinig B-wetenschappers oplevert. Nu is het om beginnen de vraag of dat waar is en áls het waar is hoe dat komt. Ik stel vast dat in ons middelbaar onderwijs van een verschuiving van B naar A helemaal geen sprake is. De voorkeur voor B op onze eigen SMC is extreem, maar ook landelijk kiezen meer scholieren voor B dan voor A, of inmiddels – en tekenend voor het verminderd aanzien van ons taalonderwijs – voor N dan voor M. Ook op de universiteiten is niet zozeer sprake is van een verminderde instroom bij de B-vakken, maar van een veranderde instroom: er gaan minder studenten naar natuurkunde, scheikunde en wiskunde, maar juist veel meer naar informatica, medische biologie en bouwkunde. Ik stel bovendien vast dat op die verminderde instroom bij natuurkunde, scheikunde en wiskunde de Nijmeegse universiteit een nadrukkelijke uitzondering vormt. Het is ook de enige universiteit waar het curriculum in deze vakken gemoderniseerd is, waar de opleiding niet meer volledig gericht is op het opleiden van fundamentele onderzoekers, maar in de masterfase ruimte is gecreëerd voor varianten als Communicatie, Educatie en Management & Toepassing. En bij alle gelamenteer over de problemen in onze B-faculteiten wordt over het hoofd gezien dat de problemen in de letterenfaculteiten niet kleiner zijn. Al jarenlang zijn er in Duitsland en Frankrijk meer studenten die Nederlands studeren dan er in Nederland studenten Duits en Frans zijn. De gevolgen voor ons onderwijs voelen we dagelijks: docenten Frans en Duits en voor de gymnasia docenten klassieke talen zijn nauwelijks te vinden.

Kwaliteit

Voor dat zuinige utilisme betalen we als samenleving een hoge rekening. De kwaliteit van ons onderwijs staat onder druk. Jos Leenhouts, voorzitter van de Amsterdamse Mondriaan Onderwijsgroep, sloeg begin dit jaar alarm: ‘De meeste leerlingen kunnen als ze op hun 16de of 17de aan het mbo beginnen geen goede zin op papier krijgen zonder spel- en stijlfouten. Ook hun woordenschat holt achteruit.’ En het gaat daarbij niet specifiek om allochtone leerlingen. Dick Pak, docent Nederlands bij de Mondriaan Onderwijsgroep, testte de woordenschat van twintig van zijn mbo-leerlingen: begrippen als introvert, urgent, tolerant en met de noorderzon vertrekken bleken voor de meesten (en sommige begrippen voor allen) te moeilijk. Pak testte ook havo-scholieren. ‘Meer dan de helft weet niet wat provocatie betekent. Het woord hallucinatie kent er geeneen. En nivelleren? Ze hebben geen idee.’ Het zijn ervaringen die u, vrees ik, onmiddellijk herkent. Als ik thuis aan tafel de test van Dick Pak doe, word ik ook niet echt vrolijk. En mijn vrouw vertelt mij van leerlingen die op hun eindexamen vmbo-theoretisch ‘gens’ hanteren als meervoud van gen; en dat mag ze dan niet eens fout rekenen.
Wat zich hier wreekt is decennialange stelselmatige verwaarlozing van ons taalonderwijs op alle niveaus, waarbij spelling werd afgedaan als onbelangrijk en er steeds minder aandacht kwam voor individuele schrijfvaardigheid. Met als resultaat dat er vorige week in alle landelijke dagbladen een paginagrote advertentie van Zwitsal stond waarin Zwitsal zich afficheerde als ‘hofleverancier in spé’ (spe gespeld met é) en dat mijn vrouw een collega heeft die, geconfronteerd met de mededeling dat ‘verzoeken om uitroostering niet worden gehonoreerd’, zich hardop afvroeg op hij nu wel of niet kon worden uitgeroosterd. Voor de goede orde: die collega geeft Nederlands aan eersteklassers. Maar met als meest dramatische gevolg: dat leerlingen vragen die ze krijgen voorgelegd niet meer snappen en dus ook niet meer kunnen beantwoorden. En dat heeft niet alleen effect op hun prestaties bij een vak als Nederlands of geschiedenis, maar ook op die bij de almaar taliger geworden exacte vakken.
Het kan niet nadrukkelijk genoeg gezegd worden: taal is het vehikel voor al onze kennis en kunde. Kennis en kunde hebben pas zin als er over gecommuniceerd kan worden en communicatie is en blijft een kwestie van taalbeheersing. Dat is een heel utilitaire verantwoording van goed taalonderwijs. Nog los van het commerciële belang van beheersing van de moderne talen, waar we de voorsprong die we decennialang op onze buurlanden hadden in rap tempo hebben verspeeld. Nog los van het algemeen maatschappelijk belang dat kennis van vreemde talen en van onze eigen literatuur ons een venster op de wereld biedt, ons behoedt voor navelstaarderij en zelfingenomenheid. Net als goed geschiedenisonderwijs en goed cultuuronderwijs bevordert goed taalonderwijs ons relativeringsvermogen en wapent het ons tegen extremisme en tegen de verleidelijke muziek van politieke rattenvangers.
Het ministerie schermt graag met internationaal vergelijkende onderzoeken waar Nederlandse leerlingen vaak nog goed uit de bus komen. Onderwijssocioloog Jaap Dronkers hecht er echter weinig waarde aan: ‘Ik denk dat we met onze prestaties van leerlingen in Nederland teren op oude investeringen. Op een generatie leraren die niet meteen van beroep is gewisseld toen de arbeidsomstandigheden slechter werden. Als die generatie ophoudt met werken, moet ik nog zien wat er van onze zogenaamde goede onderwijsreputatie overblijft.’

De docent

Ik ben niet zo pessimistisch als Dronkers, maar ik deel zijn overtuiging dat het de kwaliteit van ons docentenkorps is dat uiteindelijk bepalend is voor de kwaliteit van ons onderwijs. Wat we nodig hebben zijn enthousiaste docenten, docenten die liefde hebben voor hun vak en die liefde over kunnen en willen dragen aan hun leerlingen, docenten die nieuwsgierig zijn en nieuwsgierigheid bij hun leerlingen stimuleren, docenten die leerlingen wapenen tegen een utilitaire visie op het onderwijs dat ze genieten, hen laten ontdekken wat ze leuk vinden en waar ze goed in zijn en hen weten te bewegen om dát tot leidraad te nemen bij het uitzetten van wegen naar hun toekomst. Wat we kortom nodig hebben zijn docenten die méér willen.
Ik prijs me gelukkig dat dat soort docenten op onze school ruim vertegenwoordigd is. Uw betrokkenheid bij school en leerlingen, uw actieve deelname aan scholings- en vernieuwingsprojecten en uw inzet bij de voorbereiding en begeleiding van de zojuist zo succesvol afgesloten reizen en werkweken, voorbeeld bij uitstek van het méér dat wij willen bieden, getuigen ervan.
De door ons gekoesterde docentenkenmerken hebben we inmiddels al weer lang geleden vastgelegd in ons eigen onderwijsconcept. Dat onderwijsconcept is het afgelopen jaar uitgangspunt geweest voor discussies binnen het bestuur en tussen bestuur, schoolleiding en managementteam over visie, missie en strategie van ons SMC, waarbij we getracht hebben op een actuele wijze invulling te geven aan de identiteit van onze school. De resultaten van die discussie, die binnenkort zal worden afgerond, zult u terugvinden in het nieuwe schoolplan.

Aan de Zaan

Het afgelopen jaar is voor verschillende van ons een bewogen jaar geweest, vooral in de persoonlijke sfeer. Als bestuur hebben we afscheid genomen van Frans Etman, een van de oprichters van onze school; zijn overlijden kwam niet onverwacht, maar markeert wel het definitieve einde van een tijdperk. Dramatisch was, aan het begin van het schooljaar, het volstrekt onverwachte overlijden van onze penningmeester Cees Matthijssen; hij liet een gezin met jonge kinderen achter, die onze zorg nog nodig hebben.
Bijzonder was dit jaar vanwege de realisatie van een langgekoesterd verlangen: onze nieuw- en vernieuwbouw. Onze B-secties beschikken inmiddels over schitterende nieuwe les- en werkruimtes, die – zo vrees ik – er alleen maar toe zullen leiden dat de buitenproportionele belangstelling op onze school voor de N-stroom nog verder zal toenemen. Maar we hebben uiteindelijk veel meer kunnen doen dan we aan het begin van het hele traject en zelfs nog maar een jaar geleden voor mogelijk hielden: straks, aan het begin van het nieuwe schooljaar, beschikken ook de gammavakken over nieuwe lokalen, is er een schitterend odeon en een studieplein, zijn er – eindelijk mag u zeggen – docentenwerkplekken en is de hele school multimediaal gemaakt.
Als bestuur zijn we voor de realisatie van de nieuw- en vernieuwbouw verantwoordelijk en we zijn er dan ook trots op. Maar nog veel trotser zijn we op de wijze waarop een en ander tot stand is gekomen: we hebben er bij wijze van spreken geen omkijken naar gehad. Het bestuur wil hier en nu dan ook al zijn grote erkentelijkheid uitspreken aan de de altijd beschikbare leden van de bouwcommissie, aan de oop-ers, met name aan de toa’s en Frits, voor hun grote inzet, maar vooral aan de schoolleiding, en dan met name aan Elly, aan Cas en aan onze grote bouwheer Henk voor de klus die nu bijna is geklaard, en die – klein wonder – het onderwijsproces gedurende het afgelopen jaar nauwelijks heeft verstoord. We zullen daar begin volgend jaar, als we de nieuwbouw vieren, nog wel een keer feestelijk bij stil staan.
In afwachting daarvan wens ik u allen een buitengewoon plezierige en ontspannen vakantie toe.

Toespraak, gehouden op 27 juni 2003, voor de Algemene Personeelsvergadering op het St. Michaël College in Zaandam, bij gelegenheid van het einde van het schooljaar 2002-2003.

Artikel delen? Graag!

Voorbereiden op de toekomstVoorbereiden op de toekomst
De schaal van ons onderwijsDe schaal van ons onderwijs