Culturele hokjes
Wanneer ik deelneem aan een bijeenkomst en me daar moet introduceren, stel ik me meestal voor als ‘historicus, met een passie voor onderwijs en cultuur’.
Ik ben historicus, ik ben gepromoveerd, maar heb dat gedaan als ‘buitenpromovendus’, niet verbonden aan een universiteit. Ik werkte ruim dertig jaar in een niche van de uitgeverswereld: de projectuitgeverij, waar we boeken en boekjes maakten over de meest uiteenlopende onderwerpen in opdracht van derden. Kookboeken, medische boeken, kinderboeken, kunstenboeken, boeken van de maand. Je moest er van alle markten thuis zijn.
Musea
Het meeste plezier beleefde ik aan boeken voor jubilerende organisaties, aan educatieve projecten voor scholieren en aan uitgaven voor musea. Denk aan Lage landen, hoge sprongen, het boek dat we met Herman Vuijsje en Jos van der Lans maakten over Nederland in de twintigste eeuw in opdracht van de 100-jarige Rabobank. Denk aan De rimboe achter je huis, over de natuur in je eigen tuin, dat we met Anton Quintana maakten in opdracht van de Rabobank in het kader van een jeugdspaaractie. Of aan Klim in je pen, een project van wat toen nog PTT Post heette en waarmee Willem Wilmink en Hans Dorrestijn iets probeerden over te dragen van het plezier dat zij beleefden aan het schrijven van brieven. Denk aan Een eeuw apart, het boek dat we maakten over de negentiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst in opdracht van het Rijksmuseum. Denk aan de gids Nederland Museumland, die sinds het ‘museumjaar’ 1988 jaarlijks een overzicht gaf van het Nederlandse museumbestand De productie van die gids bracht mij voor het eerst in aanraking met het hokjesdenken in de culturele sector. We maakten de gids aanvankelijk in opdracht van de Stichting Museumjaarkaart, maar toen die stichting opging in de Nederlandse Museumvereniging werd de vereniging opdrachtgever en ontstond er ineens een discussie over de criteria waaraan een organisatie moest voldoen om als museum in de gids opgenomen te worden. Dierentuinen? Neen. Hortussen? Neen. Molens? Meestal neen. Voor het publiek opengestelde particuliere verzamelingen, zoals die van Dick Scheringa in Spanbroek of Jan Anderson in Vlaardingen? Neen. Uiteindelijk gaven commerciële overwegingen de doorslag: ook de Museumvereniging besefte dat de saneringsoperatie waarvan zij vond dat die zijn beslag zou moeten krijgen aan het koperspubliek niet was uit te leggen. En dus bleef alles zoals het was en mocht iedereen blijven. Maar toch.
Amateurs en professionals
Toen ik in 2010 de overstap maakte naar de culturele sector, directeur-bestuurder werd van bkkc | brabants kenniscentrum kunst en cultuur werd mij duidelijk hoezeer in de culturele sector in hokjes wordt gedacht.
bkkc was de provinciale kennis- en uitvoeringsorganisatie voor de professionele kunsten. We hadden een zusterorganisatie, Kunstbalie, die verantwoordelijk was voor de amateurkunst. Ik heb het altijd een moeilijk hanteerbaar onderscheid gevonden. Natuurlijk, aan de uiteinden zijn de verschillen helder: André Rieu en Gijs Scholten van Aschat zijn professionele kunstenaars en mijn keramiekende schoondochters zijn amateurs. Maar daar tussenin bevindt zich een bont landschap van cultuurbeoefenaars met en zonder kunstvakopleiding, die soms wel en soms niet een loopbaan als kunstenaar ambiëren en die dan soms wel, soms niet en bijna altijd te weinig krijgen betaald en in ieder geval onzeker zijn over de dag van morgen. En die échte amateurs? Die schrikken ervan als ze als kunstenaar worden aangeduid. Amateurkunst is, zo zei mijn betreurde collega Jan Stoffels altijd, een beleidsterm. Échte amateurs beschouwen zich niet als kunstenaar. Ze toeteren gewoon. Of ze schrijven wat. Of zingen in een koor. Ze ervaren dat niet als kunst, maar, gewoon, als een leuke hobby. Maar het is wel cultuur. En vaak onder begeleiding van professionele kunstenaars.
En ‘hoog’ en ‘laag’? In de discussies daarover herinnerde ik wel eens aan een tv-reportage gemaakt in Volendam, ten tijde van de bezuinigingen op cultuur door Halbe Zijlstra, over de verhoging van het btw-tarief op kaartjes voor de podiumkunsten. Vonden ze in Volendam helemaal terecht. Al die dure mensen die zo nodig naar de opera of een onbegrijpelijke toneelvoorstelling moeten, ze zochten het maar uit, die konden best wat meer betalen. Tot de interviewer vertelde dat ook de kaartjes voor de concerten van Jan Smit en Nick & Simon duurder zouden worden. Dat kon niet! Want Jan Smit en Nick & Simon – dat was geen kunst, dat was gewoon leuk.
Dus ik was heel tevreden toen mijn bkkc in 2018 fuseerde met Kunstbalie en ik directeur-bestuurder werd van de nieuwe organisatie Kunstloc Brabant die vanuit de Tilburgse LocHal de hele Brabantse culturele sector bediende.
Disciplines
Mijn bkkc was ook zelf een fusie-organisatie, waar afzonderlijke provinciale ondersteuningsorganisaties voor muziek, beeldende kunst, literatuur en film in waren opgegaan. Op landelijk niveau kennen we ze nog altijd: afzonderlijke fondsen voor de verschillende disciplines. Het Mondriaan Fonds voor de beeldende kunst. Het Fonds Podiumkunsten voor de podiumkunsten. Het Filmfonds voor de filmsector. Het Nederlandse Letterenfonds voor de literatuur. Het Fonds voor Cultuurparticipatie voor de amateurkunst. Het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie voor, inderdaad, de creatieve industrie.
Ik begrijp het. Ik stel ook vast dat de sector hecht aan het onderscheid. De discussies over de laatste ronde van subsidietoekenningen door het Fonds Podiumkunsten zijn voor een groot deel terug te voeren op de weigering van aanvragers om het gezag van beoordelingscommissies te accepteren met leden die niet over een erkende deskundigheid beschikken op het gebied waarop de aanvrager acteert. Dansers willen beoordeeld worden door danskenners. Musici door muziekkenners. Acteurs door toneelkenners.
Maar ik vind het ook ingewikkeld. Omdat het suggereert dat culturele uitingen keurig op discipline kunnen worden ingedeeld. Dat is niet zo. Er zijn tal van cross-overs en iedereen die een beetje thuis is in de sector zal erkennen dat vernieuwing juist op het snijvlak van disciplines plaatsvindt. De rigoureuze discipline-indeling heeft dan de neiging vernieuwing te frustreren. Je ziet vertegenwoordigers uit de urban scene en uit wat nu als the culture wordt aangeduid zoeken naar het juiste loket. En ik herinner me hoe een gevestigde instelling als het Tilburgse Textielmuseum heen en weer werd gestuurd tussen Mondriaan Fonds en Stimuleringsfonds.
De vraag is ook of het gekoesterde peer-to-peer review recht doet aan de maatschappelijke betekenis van cultuur. Op een congres dat bkkc op 1 november 2012 in Den Bosch organiseerde legde Maxim Februari uit: cultuursubsidies zijn er niet voor kunstenaars, cultuursubsidies zijn er voor de samenleving. Dat was toen een waarschuwing aan een bezuinigende overheid. Maar je kunt er ook een vermaan aan de culturele sector zelf in horen. De traditionele beoordelingssystematiek bevestigt de smalle, traditionele, hoog-culturele definitie van cultuur die zo schadelijk is voor het draagvlak voor het kunst- en cultuurbeleid.
Ik heb met die smalle definitie nooit zoveel gehad. Toen ik in 2010 werd voorgesteld aan de medewerkers van bkkc vroeg Henk Willems, de voorzitter van de raad van toezicht, of ik de Tilburgse kermis als een vorm van cultuur beschouwde. Mijn antwoord, zonder enige aarzeling: ‘Ja, natuurlijk is dat cultuur.’ Maar vanzelfsprekend was dat niet. En toen ik in 2023 een advies schreef over de organisatie van cultuureducatie en –participatie in Tilburg plette ik voor een opdracht aan Factorium, het Tilburgse centrum voor de kunsten, die het volledige culturele spectrum zou beslaan: niet alleen muziek, dans en theater, maar ook beeldend, visueel (fotografie, film, video, sociale media), creatief schrijven, textiel, keramiek en culinair. Om zo een zo breed en gevarieerd mogelijk publiek te bereiken en te bedienen.[1]Cf. Chris van Koppen, ‘Cultuur: de kern voor de ontwikkeling van jonge mensen!’, 1 september 2023. En ik ben niet de enige. In haar enthousiast ontvangen boek over Kunst als medicijn neemt Daisy Fancourt afstand van de ‘hoge’ definitie van kunst: ‘kunst bestaat ook uit ambachten, handwerken, kookkunst en creativiteit in het dagelijks leven.’[2]De Volkskrant, 4 september 2026.
Erfgoed
Het meest verbaasd heb ik me altijd over de status aparte van erfgoed. Waarom hebben we wel een erfgoedwet en een archiefwet (en een bibliotheekwet) en geen cultuurwet? Wat maakt de ‘cultuur van toen’ zoveel waardevoller dan de ‘cultuur van nu’ dat we het behoud en de toegankelijkheid van de een wel en de ander niet wettelijk willen borgen? Ik heb er in de jaren dat ik werkte in de culturele sector met veel mensen over gepraat, maar ben al die tijd niemand tegengekomen die me een ook maar enigszins plausibel antwoord kon geven. Ik las met tevredenheid in de brief van minister Letschert over cultuur en cultuursubsidies vanaf 2029 dat zij met medeoverheden afspraken wil maken ‘over welke verantwoordelijkheid Rijk, provincies en gemeenten hebben voor de toegang tot cultuur en voor de culturele infrastructuur in hun regio.’[3]R.M. Letschert, ‘Visie op cultuur en cultuursubsidies vanaf 2029’, Kamerbrief 9 oktober 2026. Maar of de aangekondigde herziening van het Algemeen kader interbestuurlijke verhoudingen cultuur een oplossing is? Ik heb mijn twijfels. Te vaak leiden bestuurlijke afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten in de echte wereld tot niets.[4]Cf. Chris van Koppen, ‘Cultuurbeoefening: een sterk ecosysteem?’, 17 juni 2025.
Opvallend is ook de wijze waarop cultuur, kunst en erfgoed bestuurlijk zijn belegd. Op landelijk niveau ligt de verantwoordelijkheid bij één minister, die voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en is er op haar ministerie één directie, Erfgoed & Kunsten. Maar op provinciaal en zeker op gemeentelijk niveau is dat lang niet altijd het geval. In Overijssel, Noord-Holland en Zeeland zijn cultuur en erfgoed belegd bij verschillende gedeputeerden. In Drenthe is de gedeputeerde voor cultuur niet verantwoordelijk voor het archief. En bijna overal elders wordt de portefeuille aangeduid als ‘cultuur en erfgoed’, alsof erfgoed iets anders is dan cultuur. Op gemeentelijk niveau is het niet anders: in bijvoorbeeld Amsterdam, Eindhoven, Maastricht en mijn eigen Zaanstad zijn de portefeuilles cultuur en erfgoed gesplitst. Het argument is dan vaak dat erfgoed sterk verweven is met de fysieke leefomgeving, ruimtelijke ordening, stadsontwikkeling en woningbouw. Het is niet onwaar, maar getuigt van een wel heel beperkte visie op wat erfgoed is. Gedeputeerden en wethouders voor erfgoed worden dan gereduceerd tot een soort ‘spullenbaas’. Maar ons erfgoed omvat heel veel meer dan ‘spullen’, heel veel meer dan monumenten en fysieke relicten uit ons verleden. Sterker: die ‘spullen’ ontlenen hun waarde aan dat ‘meer’, aan de verhalen die ze ons vertellen. Aan mijn collega bij Erfgoed Brabant zei ik wel: als de St. Jan ons geen verhaal meer weet te vertellen, kun je wachten op het moment dat wordt besloten het gebouw af te breken.
En die verhalen veranderen we in de loop van tijd voortdurend. Want de geschiedenis is geen schat is die uitgegraven moet worden. Het verleden is een chaos, zonder doel en zonder zin. De geschiedenis, het verhaal dat we vertellen over dat verleden, is een constructie die we opleggen aan die chaos, een verhaal dat structuur aan die chaos geeft. Dat geldt al voor het verhaal dat we onszelf vertellen over onze persoonlijke geschiedenis. Daarin worden we gedreven door een behoefte aan coherentie en continuïteit, aan een sluitend of in ieder geval logisch overkomend verhaal, dat de illusie geeft van controle over het bestaan. Zo’n verhaal biedt houvast, is een fundament om op voort te bouwen.[5]Fokke Obbema, ‘Het is zinvol om een verhaal van je leven te maken’, de Volkskrant 28 september 2021. De Amerikaanse psycholoog Dan McAdams spreekt over een ‘heilig verhaal dat een persoonlijke waarheid bevat’, een ‘persoonlijke mythe’ die je maakt tot wat je bent, zin en betekenis geeft aan het bestaan, het leven draaglijk maakt.[6]Dan McAdams, The Stories We Live By. Personal Myths and the Making of the Self, New York en Londen 1993. Om dat soort verhalen vraagt ook onze samenleving. ‘Mensen’, aldus historicus en filosoof Philipp Blom, ‘hebben verhalen nodig, want in plaats van zin en orde biedt de ervaren realiteit steeds weer chaos en onrecht. […] Verhalen verschaffen handeling en structuur, zin en doel, deugd en laster, loon en straf. […] Verhalen maken de wereld begrijpelijk. Zo ontstaat een gedeelde parallelwereld, waarin mensen in staat zijn in grotere en complexere groepen te leven, omdat ze elkaar kunnen herkennen en begrijpen, zonder elkaar ontmoet te hebben.’[7]Philipp Blom, Het grote wereldtoneel. Over de kracht van de verbeelding in crisistijd (Amsterdam 2020), blz. 98-99. Ik mag dan graag de Bulgaarse schrijver Georgi Gospodinov citeren. In Schuilplaats voor andere tijden beklemtoont hij de veranderlijkheid en de maakbaarheid van die verhalen: ‘het verleden zit vol met straatjes, ondergrondse kamers, uitgesneden patronen en gangen. En met krabbels in de kantlijn… over dingen die ons in eerste instantie onbelangrijk leken – maar waarvan we later ineens begrijpen dat juist daar, in het onbelangrijke, het verleden zich heeft genesteld en eieren heeft gelegd.’[8]Georgi Gospodinov, Schuilplaats voor andere tijden (Amsterdam 2022), blz. 185.
In de politiek, vooral ter rechterzijde, bestaat weinig oog voor die veranderlijkheid en maakbaarheid en worden erfgoed en kunst regelmatig tegen elkaar uitgespeeld. Kunst wordt dan ervaren als kritisch, erfgoed als hoeder van traditie en identiteit. Begrijp me goed: er is niets mis met aandacht voor traditie en identiteit en authenticiteit. Maar tradities zijn, anders dan vaak gedacht, zelden heel oud en in ieder geval veranderlijk. En identiteit is altijd gelaagd, en niet meer dan een poging structuur te geven aan de chaos die onze werkelijkheid is. Ze is het product van onze verbeelding,[9]Nathalie Heinich, Wat onze identiteit niet is, Amsterdam 2019. en dus net zo dynamisch als onze samenleving is.
Cultuur, kunst en erfgoed
Ik heb niets met die hokjes. Ze doen geen recht aan de werkelijkheid en schaden het draagvlak voor cultuur, kunst en erfgoed. Voor mij is cultuur alles wat de samenleving samenhang geeft. Kunst is de reflectie daarop. En erfgoed? Dat is het geheugen van de cultuur. En de grenzen tussen de verschillende domeinen zijn vaag. Voor mij hoort alle kunst en al ons erfgoed tot het culturele domein. Maar er is ook cultuur buiten de werelden van kunst en erfgoed. En niet alle erfgoed is kunst, maar vaak wordt kunst ook erfgoed of erfgoed ook weer kunst. Want de cultuur van nu is morgen erfgoed, de cultuur van toen, en het erfgoed van vandaag, de cultuur van toen, was gisteren de cultuur van nu.
Referenties
| ↑1 | Cf. Chris van Koppen, ‘Cultuur: de kern voor de ontwikkeling van jonge mensen!’, 1 september 2023. |
|---|---|
| ↑2 | De Volkskrant, 4 september 2026. |
| ↑3 | R.M. Letschert, ‘Visie op cultuur en cultuursubsidies vanaf 2029’, Kamerbrief 9 oktober 2026. |
| ↑4 | Cf. Chris van Koppen, ‘Cultuurbeoefening: een sterk ecosysteem?’, 17 juni 2025. |
| ↑5 | Fokke Obbema, ‘Het is zinvol om een verhaal van je leven te maken’, de Volkskrant 28 september 2021. |
| ↑6 | Dan McAdams, The Stories We Live By. Personal Myths and the Making of the Self, New York en Londen 1993. |
| ↑7 | Philipp Blom, Het grote wereldtoneel. Over de kracht van de verbeelding in crisistijd (Amsterdam 2020), blz. 98-99. |
| ↑8 | Georgi Gospodinov, Schuilplaats voor andere tijden (Amsterdam 2022), blz. 185. |
| ↑9 | Nathalie Heinich, Wat onze identiteit niet is, Amsterdam 2019. |

